Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2001:AD9776

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
08-11-2001
Datum publicatie
04-03-2002
Zaaknummer
AWB 01 / 1411 BESLU VV KLR + AWB 01 / 1413 WRO19 VV KLR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT

Reg.nrs: AWB 01 / 1411 BESLU VV KLR + AWB 01 / 1413 WRO19 VV KLR

UITSPRAAK van de president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de geschillen tussen:

de Vereniging Actiecomité Geen Coffeeshop Heerlerbaan c.s., te Heerlen, verzoekers,

en

1) de burgemeester van de gemeente Heerlen,

2) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerders.

Toepassing van artikel 8:81 van de Awb wordt verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van sub 1 van 4 juli 2001 en van verweerder sub 2 van 18 september 2001.

Kenmerk (van beide besluiten): 01.21PV.

Behandeling ter zitting: 6 november 2001.

I. Procesverloop.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 4 juli 2001 (ook op deze datum bekendgemaakt) heeft verweerder sub 1 -voorzover in dezen van belang- de namens verzoekers ingebrachte bezwaren tegen zijn besluit van 27 maart 2001 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder sub 1 aan [vergunninghouder] een horeca-exploitatievergunning, als bedoeld in artikel 3.2.1.3 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), verleend voor de exploitatie van een coffeeshop gelegen aan de Heerlerbaan 160 te Heerlen.

Tegen het besluit van 4 juli 2001 is namens verzoekers bij schrijven van 14 augustus 2001 op nader aan te voeren gronden beroep ingesteld bij deze rechtbank. Aanvulling van de gronden heeft plaatsgevonden bij schrijven van 24 september 2001.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 18 september 2001 (bekengemaakt op 20 september 2001) heeft verweerder sub 2 de (mede) namens verzoekers ingebrachte bezwaren tegen zijn besluit van 10 april 2001 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder sub 2 aan [vergunninghouder], voornoemd, een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend ten behoeve van het gebruik van de begane grondlaag van het pand Heerlerbaan 160 als coffeeshop.

Tegen het besluit van 18 september 2001 is namens verzoekers bij schrijven van 26 oktober 2001 op nader aan te voeren gronden beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij schrijven van gelijke datum heeft de gemachtigde van verzoekers zich tevens gewend tot de president van de rechtbank met het verzoek -zakelijk weergegeven- zowel ter zake van het besluit van 4 juli 2001 als het besluit 18 september 2001 een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te treffen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht is [vergunninghouder] in beide zaken in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid evenwel geen gebruik is gemaakt.

De door verweerders ter uitvoering van artikel 8:42, dan wel artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van verzoekers gezonden.

De inhoud van de gedingstukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van de president van de rechtbank op 6 november 2001, alwaar voor verzoekers zijn verschenen J.P. Hundscheid en L.M.W. Rongen, voorzitter/secretaris respectievelijk penningmeester van de vereniging Actiecomité Geen Coffeeshop Heerlerbaan, en mr. R.J.H. Vlecken, advocaat te Heerlen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P.S.P. Vanderheyden, W. Buttolo, drs. P.A.M.J. Janssen, M. van de Winkel en mr. B Vliegen, allen ambtenaren der gemeente.

II. Overwegingen.

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij de rechtbank, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de respectieve hoofdzaken wordt gegeven, heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedures.

De president ziet geen beletselen verzoekers in hun verzoeken ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen. Gelet op de omstandigheid dat de opening van de coffeeshop aan de Heerlerbaan 160 is voorzien voor 10 november 2001, acht de president voorts ook de onverwijlde spoed in genoegzame mate aangetoond.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor verzoekers uit de bestreden besluiten voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met die besluiten te dienen belang. Nu de president aan de zijde van verzoekers een spoedeisend belang aanwezig acht en derhalve niet reeds op voorhand kan worden geconcludeerd dat zij zonder enig nadeel de uitspraak in de respectieve hoofdzaken kunnen afwachten, is het antwoord op de vraag of sprake is van enig nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening in belangrijke mate mede afhankelijk van een voorlopig oordeel omtrent de vraag of de bestreden besluiten in die hoofdzaken zullen kunnen worden gehandhaafd.

Dienaangaande wordt overwogen als volgt.

Ten aanzien van het besluit van 4 juli 2001.

Ingevolge artikel 3.2.1.3 van de APV van de gemeente Heerlen is het verboden een horeca-inrichting te exploiteren zonder vergunning van het bevoegd orgaan. In artikel 3.2.2.3 is -voorzover hier van belang- bepaald dat het bevoegd orgaan de vergunning weigert indien

"a. naar zijn oordeel door de aanwezigheid van de horeca-inrichting het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed (…);

b. de vestiging of exploitatie strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan dan wel met een geldende leefmilieuverordening;

c. de horeca-inrichting niet voldoet aan de inrichtingseisen, als bedoeld in artikel 3.2.3.2. van deze afdeling [van de APV], tenzij een ontheffing als bedoeld in artikel 3.2.3.3. is verleend;

d. de ondernemer(…) een horeca-inrichting heeft (…) geëxploiteerd die evenwel op grond van (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde binnen drie jaar voor de aanvraag gesloten is geweest;

e. er naar zijn oordeel sprake is van een concentratie van horeca-inrichtingen in een bepaald gebied, waardoor het gevaar voor aantasting van de openbare orde of het woon- en leefklimaat cumulatief toeneemt;

f. de horeca-inrichting gevestigd is in de onmiddellijke nabijheid van bedrijven of winkels met een dusdanig andere bezoekersgroep, dat de ontmoeting tussen de verschillende bezoekersgroepen openbare orde-problemen tot gevolg heeft of kan hebben;

g. redelijkerwijze moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

h. de beheerder(s) van de in artikel 3.2.1.2, onder A, sub 2 en 3 bedoelde horeca-inrichtingen de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt;

i. door de beheerder(s) en/of ondernemer(…) niet wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens artikel 5, tweede lid, aanhef en sub a en b, en derde lid van de Drank- en Horecawet worden gesteld. "

Naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag, gedateerd 11 juli 2000, van [vergunninghouder] heeft het bevoegd orgaan, in casu verweerder sub 1, bij het in rubriek I genoemde primaire besluit van 27 maart 2001 -onder nader in dit besluit omschreven voorwaarden- een vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1.3 van de APV verleend.

Verzoekers hebben zich met dit besluit niet kunnen verenigen en hebben hiertegen een bezwaar-schrift doen indienen bij verweerder sub 1. Na (de gemachtigde van) verzoekers op de voet van het bepaalde in artikel 7:5 van de Awb te hebben doen horen, heeft verweerder sub 1 dit bezwaarschrift bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard en het besluit van 27 maart 2001 gehandhaafd. Verzoekers hebben zich met dit besluit evenmin kunnen verenigen en hebben hiertegen beroep doen instellen deze rechtbank, alsook de president doen verzoeken ter zake een voorlopige voorziening te treffen. Verzocht is het bestreden besluit te schorsen.

Bij de beoordeling van dit verzoek stelt de president voorop dat niet in geding is dat het bestreden besluit (dan wel de bij dit besluit gehandhaafde vergunning) beoogt de exploitatie van een horeca-inrichting waar softdrugs ter verkoop worden aangeboden, toe te staan. In dat verband is van belang dat door verweerder sub 1 beleidsregels worden gehanteerd bij het beoordelen van aanvragen voor een horeca-exploitatievergunning ten behoeve van de vestiging van een coffeeshop. Deze regels, opgesteld in 1995 en gewijzigd in 1999, zijn aan te merken als een uitwerking van (de weigerings-grond genoemd in) artikel 3.2.2.3, onder a, van de APV en vormen voor verweerder sub 1 derhalve (mede) het toetsingskader voor de litigieuze aanvraag voor een horeca-exploitatievergunning. Ingevolge deze beleidsregels is van een situatie als bedoeld in artikel 3.2.2.3, onder a, van de APV in ieder geval sprake indien

"1. De inrichting wordt gevestigd in de onmiddellijke nabijheid (loopafstand 250 meter) van een Opvang- en Adviescentrum (opvang en behandeling van drugsverslaafden).

2. De inrichting wordt gevestigd in straten waar uitsluitend gewoond wordt.

3. De inrichting wordt gevestigd in de onmiddellijke nabijheid (loopafstand 250 meter) van scholen: basis-, speciaal en voortgezet onderwijs en vestigingen waarin instellingen middelbaar beroepsonderwijs geven.

4. De inrichting is gelegen aan de looproute van het NS/busstation naar een school die binnen een loopafstand van 1000 meter van dat station is gelegen.

5. De inrichting wordt gevestigd in de onmiddellijke nabijheid (loopafstand 200 meter) van het NS/busstation.

6. Het maximum aantal coffeeshops (met APV-vergunning) per politiebasiseenheidgebied al gevestigd is.

7. Vestiging van een coffeeshop binnen een straal van 250 meter loopafstand van een andere coffeeshop."

Deze beleidsregels zijn naar het oordeel van de president niet kennelijk onredelijk te achten.

Van de zijde van verzoekers is aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de gevraagde vergunning geweigerd had dienen te worden gelet -met name- op de gronden genoemd in artikel 3.2.2.3, onder a, en onder i, van de APV juncto het gestelde onder 2 en 3 van de beleidsregels; de weigeringsgrond genoemd in artikel 3.2.2.3, onder b, van de APV is ondervangen door het hieronder te beoordelen besluit van verweerder sub 2 van 18 september 2001.

Dienaangaande overweegt de president dat verzoekers met de door hen aangevoerde bezwaren niet op overtuigende wijze aangetoond of aannemelijk hebben gemaakt dat vestiging van een coffeeshop in het pand Heerlerbaan 160 om redenen van openbare orde of bescherming van het woon- en leefklimaat ontoelaatbaar is. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat in de directe nabijheid van het pand Heerlerbaan 160 diverse bedrijven, winkels, horeca-inrichtingen en (medische) voorzieningen zijn gevestigd, hetgeen met zich brengt dat de Heerlerbaan in het kader van de door verweerder sub 1 gehanteerde beleidsregels niet kan worden aangemerkt als een straat waarin uitsluitend gewoond wordt. Voorts is niet kunnen blijken dat zich in de directe omgeving van het pand Heerlerbaan 160 scholen bevinden; de binnen een loopafstand van 250 meter gevestigde voorzieningen (buitenschoolse kinderopvang en een gezinsvervangend tehuis) zijn niet als zodanig aan te merken. Dit neemt niet weg dat, zoals ook terecht in het bestreden besluit is overwogen, onder omstandigheden met betrekking tot deze voorzieningen sprake kan zijn van een analoge toepassing van vorenbedoeld criterium, doch in het onderhavige geval zijn voor een dergelijke analoge toepassing geen aanknopingspunten te vinden. In dat verband is van belang dat van de zijde van verzoekers niet aannemelijk is gemaakt -bijvoorbeeld door het overleggen van verklaringen van deskundigen- dat de aanwezigheid van een coffeeshop op de litigieuze locatie een nadelige invloed zal kunnen uitoefenen op de gebruikers van voornoemde voorzieningen. Evenmin is aannemelijk geworden dat als gevolg van de vestiging van de coffeeshop zodanige parkeeroverlast zal ontstaan, dat de gevraagde vergunning op deze grond had moeten worden geweigerd: gelet met name op de ter zitting getoonde foto's moeten de parkeermogelijkheden in de directe omgeving voorshands afdoende worden geacht. Het van de zijde van verzoekers aangehaalde advies aan verweerder sub 1 van de politie de dato 26 oktober 2000 is onvoldoende om te oordelen dat van ontoelaatbare parkeeroverlast sprake zal (gaan) zijn. Daarbij is in aanmerking genomen dat niet is kunnen blijken dat politie en gemeente door het uitoefenen van toezicht ter plaatse niet in staat zullen zijn aantasting van de openbare orde en van het woon- en leefklimaat te voorkomen.

Vervolgens overweegt de president met betrekking tot hetgeen van de zijde van verzoekers is aangevoerd ten aanzien van de persoon van de vergunninghouder als volgt.

Ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet, voorzover hier van belang, is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf uit te oefenen. In artikel 8, eerste lid, van de Drank- en Horecawet is bepaald dat voor het verkrijgen van een dergelijke vergunning moet worden voldaan aan het bij en krachtens de volgende leden van dit artikel bepaalde. Voorzover in dezen relevant is in het tweede lid, aanhef en onder b, van dit artikel bepaald dat leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mogen zijn. Daarnaast is in artikel 8, derde lid, van de Drank- en Horecawet bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur naast de in het tweede lid gestelde eisen andere eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag van leidinggevenden worden gesteld en dat de in dat lid, onder b, gestelde eis nader worden kan omschreven. Vorenbedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 vastgesteld. In dit besluit is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een nadere omschrijving te geven van de eis, genoemd in artikel 8, tweede lid, onder b, van de Drank- en Horecawet. Aan laatstgenoemde eis komt derhalve een zelfstandige betekenis toe, die niet aan (nadere) regels is gebonden, al neemt dit niet weg dat de in het besluit genoemde omstandigheden richtinggevend kunnen worden geacht voor de waardering van de feiten die het oordeel moeten schragen dat een bedrijfsleider of beheerder van slecht levensgedrag in de zin van artikel 8, tweede lid, onder b, van de Drank- en Horecawet is. Hierbij dient met name te worden gedacht aan de in het besluit opgenomen limieten ten aanzien van de doorwerking van een strafrechtelijk verleden bij de toepassing van voormelde bepaling.

Het vorenstaande, gevoegd bij de omstandigheid dat noch in de tekst van artikel 8 van de Drank- en Horecawet, noch in de parlementaire geschiedenis met betrekking tot dit artikel aanknopingspunten zijn te vinden voor een andere opvatting, leidt de president tot het oordeel dat ook in het geval waarin geen onherroepelijke veroordeling van een (beoogde) leidinggevende van een horeca-inrichting voorligt, burgemeester en wethouders bij hun beoordeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Drank- en Horecawet op basis van andere feiten en omstandigheden kunnen besluiten de vergunning te weigeren op de grond dat de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Naar het oordeel van de president heeft verweerder sub 1 evenwel terecht en op goede gronden kunnen oordelen dat hetgeen dienaangaande ten aanzien van [vergunninghouder] bekend is, niet de conclusie wettigt dat deze in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

Gelet op het vorengaande ziet de president dan ook geen reden om te oordelen dat verweerder sub 1, na afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het verlenen van de door [vergunninghouder] aangevraagde horeca-exploitatievergunning. Voor het oordeel dat verweerder sub 1 geen belangenafweging heeft gemaakt bestaat, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, geen grond. Voorts is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder sub 1 niet onverkort aan het beleid had mogen vasthouden. Het bestreden besluit, waarbij voornoemd besluit is gehandhaafd, zal derhalve in rechte hoogstwaarschijnlijk stand kunnen houden. Hetgeen voorts nog van de zijde van verzoekers is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Derhalve is er, gegeven de belangen van partijen, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening; het daartoe strekkende verzoek dient dan ook te worden afgewezen.

Mitsdien wordt met betrekking tot dit verzoek beslist als aangegeven in rubriek III.

Ten aanzien van het besluit van 18 september 2001.

Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van een bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen. Bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985). Ingevolge het bepaalde in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bro 1985 komt voor toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een wijziging in het gebruik van opstallen in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en het gebruik niet meer omvat dat een bruto-vloeroppervlak van 1500 m².

Naar aanleiding van een daartoe strekkende (ongedateerde) aanvraag van [vergunninghouder] heeft verweerder sub 2, bij het in rubriek I genoemde primaire besluit van 10 april 2001 (verzonden op 11 april 2001) een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO verleend ten behoeve van het gebruik van de begane grondlaag van het pand Heerlerbaan 160 als coffeeshop.

Verzoekers hebben zich met dit besluit niet kunnen verenigen en hebben hiertegen een bezwaar-schrift doen indienen bij verweerder sub 2. Na (de gemachtigde van) verzoekers op de voet van het bepaalde in artikel 7:5 van de Awb te hebben doen horen, heeft verweerder sub 2 dit bezwaarschrift bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard en het besluit van 10 april 2001 gehandhaafd. Verzoekers hebben zich met dit besluit evenmin kunnen verenigen en hebben hiertegen beroep doen instellen bij deze rechtbank, alsook de president doen verzoeken ter zake een voorlopige voorziening te treffen. Verzocht is het bestreden besluit te schorsen.

Bij de beoordeling van dit verzoek stelt de president voorop dat namens verzoekers op nader aan te voeren gronden beroep is ingesteld tegen het besluit van 18 september 2001. Aanvulling van de gronden heeft nog niet plaatsgevonden. Ter zitting is van de zijde van verzoekers aangevoerd dat de verleende vrijstelling in strijd met het vigerende bestemmingsplan is verleend. Naar het oordeel van de president wordt daarmee echter voorbij gezien aan de omstandigheid dat een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO juist strekt tot het (doen) opheffen van strijdigheden met een bestemmings-plan, weshalve zij niet aan een vigerend bestemmingsplan kunnen worden getoetst.

In het onderhavige geval is gebruik gemaakt van de vrijstellingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO. Geoordeeld moet worden dat de wetgever met de invoering van deze bepaling in 2000 een aanzienlijke verruiming van de vrijstellingsbevoegdheid voor burgemeester en wethouders heeft beoogd in vergelijking met de voordien bestaande vrijstellingsmogelijkheden. De vrijstellingsmogelijkheid genoemd in artikel 19, derde lid, van de WRO wordt in formeel opzicht slechts begrensd door het bepaalde in artikel 20 van het Bro 1985, in casu het bepaalde in het eerste lid, onder e, van dit artikel. Gesteld noch gebleken is dat in het onderhavige geval niet aan deze bepaling is voldaan. Daarnaast kan naar het oordeel van de president, gelet met name op de weinig ingrijpende afwijking van het bestemmingsplan -zoals nader in het bestreden besluit geduid- die de onderhavige vrijstelling met zich brengt, niet worden volgehouden dat deze vrijstelling voor verzoekers onevenredig nadelige gevolgen met zich brengt ten opzichte van de met de vrijstelling te dienen doelen.

Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het bestreden besluit in de hoofdzaak zouden dienen te worden vernietigd. Derhalve is er, gegeven de belangen van partijen, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening; het daartoe strekkende verzoek dient dan ook te worden afgewezen.

Mitsdien wordt, mede gelet op artikel 8:84 van de Awb, beslist als volgt.

III. Beslissing.

De president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht:

wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. R.H.M.J. baron van Hövell tot Westerflier in tegenwoordigheid van mr. R.M.M. Kleijkers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2001 door mr. van Hövell voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. R. Kleijkers w.g. R. van Hövell tot Westerflier

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 4 december 2001.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.