Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2001:AD8220

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
06-06-2001
Datum publicatie
17-01-2002
Zaaknummer
75791
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

KANTONGERECHT HEERLEN

zaak/rolnr. 75791 cv 2000-2034

Vonnis van de kantonrechter te Heerlen d.d. 6 juni 2001

inzake:

[EISERES] wonen-de te …, terzake domiciliërende te Heerlen,

eisende partij,

gemachtigde: mw. mr. J. Börneman,

verschijnende bij J.L. Dohmen, deurwaarder;

tegen:

1. de vennootschap onder firma [E1] V.O.F., gevestigd en kantoorhou-dende te Heerlen aan het Pancratiusplein 42,

2. [E2], vennote van gedaagde sub 1., wonende te Heerlen, aan de Akerstraat 152,

gedaagde partij*en,

3. [E3], vennoot van gedaagde sub 1., wonende te Heerlen, aan de Akerstraat 152,

gedaagde partijen,

gemachtigde: mr. M.M.J.F. Sijben te Heerlen,

verschijnende bij S.M.J. Quaedvlieg, deurwaarder.

Ten aanzien van het procesverloop

Partijen wisselden de navolgende gedingstukken:

- dagvaarding met producties

- conclusie van antwoord met producties

tussenvonnis d.d. 6 september 2000

proces-verbaal van comparitie

- conclusie van repliek met producties, houdende wijziging van eis

- conclusie van dupliek

De kantonrechter heeft daarop vonnis bepaald, waarvan de uitspraak is gesteld op heden.

De inhoud van de processtukken wordt op deze plaats herhaald en ingelast.

Ten aanzien van het recht

De vaststaande feiten, de vordering, het verweer en de beoordeling

Als gesteld en niet of onvoldoende weersproken gaat de kantonrechter uit van de volgende vaststaande feiten.

Tussen partijen is een arbeidsovereenkomst aangegaan, krachtens welke eiseres per 12 februari 2000 voor de tijd tot 13 juni 2000 bij gedaagden voor 25 uren per week in vaste dienst trad in de functie van buffetbediende, onder toepasselijkheid van de c.a.o. voor het horeca- en aanverwante bedrijf, tegen een uurloon van fl. 12,24 bruto.

Op 11 maart 2000 is de overeenkomst schriftelijk vastgelegd. In de overeenkomst is een proeftijd van 1 maand bedongen.

Op 11 maart 2000 is de overeenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd.

Er is voor de opzegging geen dringende reden aangevoerd.

Partijen zijn bij deze overeenkomst voor bepaalde tijd geen tussentijdse opzeggingsmogelijkheid overeengekomen.

Eiseres stelt dat de overeenkomst onregelmatig is opgezegd, nu er beëindiging op staande voet heeft plaatsgevonden zonder dat er sprake was van een dringende reden, terwijl er evenmin een rechtsgeldige proeftijd of een tussentijdse opzeggingsbevoegdheid in de overeenkomst was opgenomen.

Het proeftijdbeding is nietig nu dit pas nadat de uitvoering van de overeenkomst een aanvang genomen had is opgenomen, terwijl dit bij het aangaan van de overeenkomst schriftelijk had behoren te geschieden. Artikel 7:652 lid 2 in verband gelezen met de leden 3 en 4 bedoelt duidelijk dat de verplichting luidt bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst de proeftijd schriftelijk aan te gaan, niet later.

Zij vordert op basis hiervan kortgezegd veroordeling tot betaling van

- fl. 4.297,64 bruto aan gefixeerde wettelijke schadeloosstelling, zijnde een bedrag gelijk aan het loon verschuldigd over de resterende looptijd van de arbeidsovereenkomst dan wel schadevergoeding wegens inkomstenderving

- fl. 103,14 bruto wegens achterstallig salaris en vakantietoeslag over februari en maart 2000,

- fl. 132,25 bruto wegens vergoeding van niet opgenomen vakantiedagen;

een en ander onder verstrekking van een bruto-netto specificatie;

- vermeerderd met de wettelijke verhoging ex art. 7:625 B.W. uitgezonderd over de wettelijke schadevergoeding, de wettelijke rente vanaf 13 maart 2000, buitengerechtelijke incassokosten ten belope van 15% van de hoofdsom en veroordeling in de proceskosten.

Gedaagden stellen in essentie en voor de beoordeling van deze zaak als meest verstrekkend verweer, dat er een rechtsgeldige proeftijd is overeengekomen: de wet verplicht niet tot het schriftelijk vastleggen van de proeftijd bij het aangaan van de overeenkomst, dit kan ook op een later moment geschieden. De uitleg van gedaagde is zuiver grammaticaal, de wetgever had een ruimere opvatting voor ogen.

De kantonrechter beoordeelt het geschil als volgt.

In essentie is de te beantwoorden rechtsvraag of een proeftijdbeding bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst schriftelijk moet worden opgemaakt, of dat dit beding na aanvang van de uitvoering van de overeenkomst nog op schrift gesteld kan worden en ook dan nog als rechtsgeldig proeftijdbeding in de zin van artikel 7:652 B.W. beschouwd kan worden.

Het proeftijdbeding gaat in op het moment dat de uitvoering van de arbeidsovereenkomst een aanvang neemt. Wil op dat moment sprake zijn van een rechtsgeldig beding, dan moet dat schriftelijk aan gegaan zijn, immers zolang als dat niet zo is, geldt dat het schriftelijkheidsvereiste van art. 7:652 lid 2 B.W. niet vervuld is.

Krachtens art. 7: 652 B.W. heeft elk der partijen op de voet van art. 7:676 B.W. te allen tijde het recht gedurende de proeftijd de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen. Dit systeem van de wet, gezien in het licht van art 6:2 lid 1 en 6:246 lid 1 B.W., houdt in dat voor elk der partijen gedurende de proeftijd zekerheid dient te bestaan over de rechtsgeldigheid van het proeftijdbeding. Is er in deze periode geen rechtsgeldig beding, dan is er immers ook geen onmiddellijke opzeggingsbevoegdheid en kan de opzeggende partij het risico lopen dat er onregelmatig is opgezegd, met alle gevolgen van dien. Aldus hebben beide partijen belang bij zekerheid over de rechtsgeldigheid van het proeftijdbeding tijdens de tijd dat dit beding geldt. Die zekerheid is alleen aanwezig als er een proeftijdbeding bestaat, dat voldoet aan het dwingendrechtelijk voorschrift van schriftelijkheid zoals vervat in artikel 7:652 lid 2. De kantonrechter oordeelt dat wil sprake zijn van een rechtsgeldig proeftijdbeding, dit schriftelijk bij het aangaan, dan wel op het moment dat de uitvoering van de arbeidsovereenkomst feitelijk begint aanwezig moet zijn. Ontbreekt een dergelijk beding, dan is er geen sprake van een rechtsgeldige proeftijd.

De meest bij een proeftijd belanghebbende partij, in de regel de werkgever, heeft de zorg tijdig voor het aangaan van de overeenkomst het beding op schrift te stellen, ten laatste het moment voorafgaand aan dat waarop de uitvoering van de overeenkomst feitelijk een aanvang neemt. Schiet die partij in die zorg tekort, dan zijn de gevolgen voor haar risico. In de onderhavige zaak gebruikte de werkgever een voorgedrukte arbeidsovereenkomst, vastgesteld door de Landelijke Bedrijfscommissie voor het Horecabedrijf, waarin terzake van de proeftijd volstaan kan worden met onder artikel 3 aankruisen van twee hokjes en invulling van het getal “1” om in een zaak als de onderhavige een rechtsgeldig proeftijdbeding overeen te komen, een zeer eenvoudige methode om, mits op tijd uitgevoerd, rechtsgeldig een proeftijdbeding aan te gaan.

Op grond van het vorenoverwogene oordeelt de kantonrechter dat in deze zaak het proeftijdbeding, wil het rechtsgeldig zijn, op uiterlijk 12 februari 2000 schriftelijk had moeten zijn vastgelegd. Vast staat dat dit eerst is geschied op 11 maart 2000, de dag waarop gedaagden eiseres uit de dienstbetrekking hebben ontslagen. Dit proeftijdbeding voldoet niet aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:652 B.W. zodat het partijen niet bindt.

De onmiddellijke opzegging van de arbeidsovereenkomst op 2 maart 2000, voorzover als gebaseerd op het proeftijdbeding is niet rechtsgeldig.

Vast staat dat er geen dringende reden voor ontslag op staande voet aanwezig was en niet weersproken is dat er geen tussentijdse opzegmogelijkheid voor deze overeenkomst voor bepaalde tijd was bedongen, zodat er sprake is van een onregelmatige opzegging in de zin van artikel 7:677 B.W. Ingevolge art. 7:677 lid 2 zijn gedaagden hierdoor jegens eiseres schadeplichtig. Eiseres vordert op grond van art. 7:677 lid 4 jo. 7:680 B.W. de gefixeerde schadevergoeding, zijnde in deze zaak de tijd dat de overeenkomst vanaf 12 maart 2000 nog had behoren voort te duren, dat is tot 13 juni 2000. De omvang van deze vordering, fl. 4.297,64, is door gedaagden niet of onvoldoende gemotiveerd bestreden, zodat deze toewijsbaar is.

Met betrekking tot de verminderde vordering ad fl. 103,14 bruto wegens achterstallig salaris en vakantietoeslag over februari en maart 2000 oordeelt de kantonrechter dat deze wordt afgewezen omdat gedaagden het gevorderde gemotiveerd bestrijden en eiseres harerzijds de vordering daarop niet nader feitelijk geadstrueerd heeft.

Met betrekking tot de vordering terzake van fl. 132,25 bruto wegens vergoeding van niet opgenomen vakantiedagen oordeelt de kantonrechter dat een werkgever een eenduidige, inzichtelijke en sluitende verlofdagenadministratie voorhanden behoort te hebben, aan de hand waarvan eiseresses de verlofrechten en -opnames eenvoudig kunnen worden aangetoond. Nu gedaagden volstaan met een niet-onderbouwde bewering dat er geen openstaande verlofrechten meer bestonden, oordeelt de kantonrechter deze vordering toewijsbaar als niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, waarbij het opleggen van de verplichting tot verstrekking van een bruto-netto specificatie de kantonrechter redelijk voor komt. De wettelijke verhoging ex art. 7:625 B.W., welke niet kan strekken over de wettelijke schadeloosstelling nu die niet als loon te beschouwen is, wordt toegewezen, met dien verstande dat deze redelijkheidshalve wordt beperkt tot 15% van de hoofdsom.

De buitengerechtelijke incassokosten worden door de kantonrechter naar redelijkheid begroot op fl. 600,--.

De kantonrechter oordeelt dat het overigens gevorderde, als overigens niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken in de gestelde omvang kan worden toegewezen.

Gedaagden worden als de in het ongelijk gestelde partijen verwezen in de proceskosten.

Hetgeen partijen voorts nog hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Rechtdoende

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zij bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te beta-len

- fl. 4.297,64 bruto terzake van gefixeerde wettelijke schadeloosstelling,

- fl. 132,25 bruto wegens vergoeding van niet opgenomen vakantiedagen,

dit onder verstrekking van een bruto-netto specificatie;

- het bedrag van fl. 132,25 bruto vermeerderd met de wettelijke verhoging ex art. 7:625 B.W. welke wordt beperkt tot 15% van dit bedrag,

- fl. 600,-- terzake van buitengerechtelijke incassokosten,

- de voormelde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2000 tot aan de dag der alge-hele vol-doe-ning

veroordeelt gedaagden in de kosten van deze procedure aan de zijde van eiseres gerezen en tot op de datum van dit vonnis begroot op fl. 1.501,01, waaronder fl. 1.000,-- gemachtigdensalaris;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

Aldus gewezen door mr. J.J. Groen, kantonrechter te Heerlen, en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting op 6 juni 2001, in tegenwoordigheid van de griffier.