Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2001:AD8203

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-07-2001
Datum publicatie
17-01-2002
Zaaknummer
74565
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

KANTONGERECHT HEERLEN

Zaak/rolnr. 74565 cv 2000-1709

Vonnis van de kantonrechter te Heerlen d.d. 4 juli 2001

inzake:

de vennootschap onder firma [X] V.O.F., gevestigd te Heerlen …,

eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,

gemachtigde mr. F.H.I. Hundscheid te Heerlen,

verschijnende bij S.M.J. Quaedvlieg, gerechtsdeurwaarder;

tegen:

[Y], wonende te Heerlen …,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

gemachtigde mr. H.F.A. Bronneberg te Geleen.

Ten aanzien van het verdere procesverloop

in conventie en in reconventie

De bij het tussenvonnis van 28 maart 2001 bevolen compari-tie heeft plaats-gevonden, daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Daarna heeft de kan-tonrechter opnieuw vonnis bepaald, waarvan de uit-spraak is gesteld op heden.

De inhoud van de processtukken wordt op deze plaats herhaald en ingelast.

Verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

De vaststaande feiten

Als gesteld en niet of onvoldoende weersproken gaat de kantonrechter uit van de volgende vaststaande feiten.

Op 6 maart 2000 heeft [Y] een verkeersongeval gehad, tengevolge waarvan hij arbeidsongeschikt is geraakt.

Op deze dag is [Y] bij een oud-collega A in diens auto gestapt en met hem meegereden. A was niet in het bezit van een geldig rijbewijs en verkeerde onder invloed van alcohol. A is bij deze rit bij een verkeersongeval betrokken geraakt, in die zin dat diens auto van de weg is geraakt en volledig vernield werd, zonder dat er bij dit ongeval andere voertuigen betrokken waren. Noch A, noch gedaagde herinneren zich de toedracht van het ongeval e[X]act.

in conventie

de vordering, het verweer en de beoordeling

[X] V.O.F., eiseres, vordert een verklaring voor recht dat het ongeval als gevolg waarvan de arbeidsongeschiktheid van gedaagde is ontstaan, en dat op of omstreeks 6 maart 2000 plaatsvond, is te wijten aan de opzet van gedaagde als bedoeld in artikel 7:629 lid 3 sub a B.W., weshalve op eiseres geen loondoorbetalingsverplichting rust, althans dat gedaagde geen aanspraak op loon kan maken jegens eiseres, zulks voor de duur van gedaagdes arbeidsongeschiktheid, althans een oordeel ten aanzien van de loondoorbetalingsplicht van eiseres te geven als de kantonrechter juist voorkomt, en veroordeling in de proceskosten. De vordering is gegrond op de stelling dat gedaagde met carnaval wetende dat A bij die gelegenheid gebruikelijkerwijs meer dan normaal alcohol gedronken heeft en wetende dat A niet in het bezit is van een geldig rijbewijs, toch bij deze man in de auto is gestapt. Daarmee heeft gedaagde een situatie in het leven geroepen die voldoet aan het bepaalde in artikel 7:629 lid 3 sub a, namelijk opzettelijk arbeidsongeschiktheid veroorzaakt, althans ten aanzien eiseres zich gedragen als slecht werknemer door welbewust arbeidsongeschiktheid te genereren, zodat eiseres niet gehouden kan zijn aan de wettelijke plicht tot loondoorbetaling bij ziekte. Zij tekent daarbij aan dat zij zich slechts marginaal mag mengen in gedaagdes privé-leven, maar zelfs als diens handelen marginaal wordt getoetst ontbreekt hem aan eigen belang om te handelen zoals hij deed, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld sportletsels of gevolgen van enig medisch handelen.

Gedaagde weerspreekt het gevorderde stellende dat hij allerminst opzettelijk gehandeld heeft en hem geen verwijt van het gebeurde kan worden gemaakt: hij was niet bekend met de hoeveelheid alcohol die A genuttigd had en wist niet of hij wel of geen rijbewijs had, hem was alleen bekend dat A ten tijde van zijn dienstverband bij eiseres, rijlessen volgde. Er is geen sprake van een situatie als door de wetgever in artikel 7:629 lid 3 bedoeld. Het gevorderde dient te worden afgewezen.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Het vervallen van het recht op loon bij ziekte ingevolge opzet als bedoeld in artikel 7:629 lid 3 sub a B.W. kan gezien haar plaats in het burgerlijk wetboek enkel bedoeld zijn voor een situatie die binnen de werkingssfeer van de arbeidsovereenkomst valt.

Het gaat in deze zaak om een gedraging van de werknemer in strikte privé-tijd, niet zijnde bij uitvoering van een der verbintenissen uit de arbeidsovereenkomst.

De werkgever heeft in beginsel geen enkele bemoeienis met het privé-leven van de werknemer, uitgezonderd daar waar elementen van het privé-leven uit hun aard binnen de werkingssfeer van de arbeidsovereenkomst vallen. Dit laatste moet echter gezien het recht op privac[Y] van de werknemer met de allergrootste terughoudendheid beschouwd worden.

De gedragingen van de werknemer zoals in deze zaak vallen naar het oordeel van de kantonrechter uit hun aard volledig binnen het privé-domein van de werknemer en daarmee geheel buiten de werksfeer van de arbeidsovereenkomst, tenzij uit de gedraging aanstonds blijkt dat deze willens en wetens was gericht op het veroorzaken van ziekte met het oogmerk om arbeidsongeschikt te raken voor de uitvoering van deze arbeidsovereenkomst. Van dit laatste is in deze zaak totaal niets gesteld noch gebleken, zodat de kantonrechter deze voorwaarde niet vervuld acht.

Op grond van het vorenstaande oordeelt de kantonrechter het bepaalde van artikel 7:629 lid 3 sub a. op de ziekte van gedaagde niet van toepassing is, waardoor de vordering in conventie ongegrond is en derhalve wordt afgewezen, met veroordeling van eiseres als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding in conventie.

in reconventie

de vordering, het verweer en de beoordeling

[Y], eiser, vordert op veroordeling van gedaagde tot doorbetaling van het loon vanaf 6 maart 2000 tot aan de dag waarop eiser hersteld zal zijn.

Gezien de beoordeling van de vordering in conventie ligt de vordering in reconventie voor toewijzing gereed, nu artikel 7:629 lid 3 sub a B.W. niet van toepassing is waardoor op [X], gedaagde loondoorbetalingsverplichting rust, en eiser jegens gedaagde aanspraak op loon kan maken. Voor een beroep op loonmatiging oordeelt de kantonrechter geen omstandigheden die dit rechtvaardigen aanwezig. De vordering in reconventie ligt als overigens niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken voor toewijzing gereed.

in conventie en in reconventie

hetgeen partijen overigens nog hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Rechtdoende

De kantonrechter:

in conventie

Wijst de vorderingen van [X] V.O.F., eiseres af;

veroordeelt eiseres in conventie in de kosten van deze procedure aan de zijde van gedaagde gerezen en tot op de datum van dit vonnis ? 750,-- gemachtigdensa-laris;

in reconventie

veroordeelt [X] V.O.F, gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser zijn te beta-len zijn volledige loon tijdens ziekte sedert 6 maart 2000 tot de dag dat eiser is hersteld en de loonverplichting van gedaagde wederom wordt hervat;

veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure aan de zijde van eiser in reconventie gerezen en tot op de datum van dit vonnis begroot op ? 375,-- gemachtigdensa-laris;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voor-raad.

Aldus gewezen door mr. J.J. Groen, kantonrechter te Heerlen, en uitgesproken ter

openbare civiele terecht-zitting van het Kantonge-recht te Heerlen op 4 juli 2001,

in tegenwoordigheid van de griffier.