Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2001:AD8201

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-05-2001
Datum publicatie
17-01-2002
Zaaknummer
75681
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

KANTONGERECHT TE HEERLEN

Zaak/Rolnr.: 75681 / CV EXPL 00-1999

Vonnis van de kantonrechter te Heerlen

inzake;

[Eiser],

wonende te …,

eiser,

gemachtigde: mr. S. Pieneman;

tegen:

de stichting Fonds Vrijwillig Vervroegd Uittreden Overheidspersoneel,

gevestigd en kantoorhoudend te 6411 EJ Heerlen aan de Oude Lindestraat nr. 70,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.H.A.M. Oelers;

rolgemachtigde: J.L. Dohmen, gerechtsdeurwaarder.

LOOP VAN DE PROCEDURE:

Door partijen zijn de volgende processtukken ingediend:

a. dagvaarding d.d. 9 juni 2000,

b. akte overlegging producties d.d.12 juli 2000,

c. conclusie van antwoord d.d. 30 augustus 2000,

d. conclusie van repliek d.d. 11 oktober 2000 en

e. conclusie van dupliek d.d. 22 november 2000,

waarna vonnis werd bepaald.

MOTIVERING;

De inhoud van voormelde stukken en van de daarbij in het geding gebrachte producties

wordt als hier herhaald beschouwd.

Daaruit blijkt, dat eiser vordert voor recht te verklaren, dat hij in de periode van 14 april 1998 tot 1 oktober 1999 recht heeft op zijn volledige VUT-uitkering, zonder korting daarop van zijn inkomsten als wethouder voorzover deze samen met de VUT-uitkering de grondslag van 100% van de vroegere bezoldiging van eiser niet overschrijden, met als nevenvorderingen de financiële consequenties, die toewijzing van de hoofdvordering bij toewijzing daarvan dient te hebben, inclusief de kosten in en buiten rechte.

Eiser legt aan de vordering ten grondslag, dat op de vanuit de werkgelegenheidsdoelstelling van de VUT-wet geformuleerde hoofdregel van artikel 8 van het Reglement Vervroegd Uittreden, inhoudende dat inkomsten uit arbeid of bedrijf ter hand genomen voor aanvang van de uitkering worden gekort op de uitkering, in navolging van het beleid dat gevoerd werd met betrekking tot de toepassing van de anti-hardheidsclausule in de VUT-wet, beleidsmatig een uitzondering wordt gemaakt onder meer voor ‘bestuursfuncties en commissies waarbij geen sprake is van een arbeidsverhouding’, waaronder eiser de door hem uitgeoefende functie van wethouder meent te kunnen scharen nu deze voldoet aan de door gedaagdes rechtsvoorganger terzake gehanteerde beleidscriteria: er is noch sprake van een arbeidsverhouding, noch is de beloning gekoppeld aan het leveren van een arbeidsprestatie. Met die activiteiten mag een VUT-gerechtigde als eiser naast de VUT-uitkering een bedrag bijverdienen ter hoogte van het verschil tussen de berekeningsbasis waarnaar de VUT -uitkering is berekend en de bruto VUT-uitkering, de zogenoemde ‘bijverdienmarge tot 100%’, welke grens door eiser niet wordt overschreden.

Gedaagde bestrijdt dit standpunt door te verwijzen naar haar constante gedragslijn in deze, die meermalen is getoetst en akkoord bevonden door de Centrale Raad van Beroep. Zij vestigt in dat kader met name de aandacht op de uitspraken van die Raad van 29 juni 1989 en 20 april 1995.

Hoewel de argumentatie die de Centrale Raad in eerstgenoemde uitspraak billijkt ook nu nog zou opgaan om te argumenteren, dat de functie van wethouder niet onder de hiervoor genoemde uitzondering dient te vallen, kan er niet aan worden voorbij gegaan, dat die uitspraak dateert van voor de vaststelling van de hiervoor genoemde ten deze toepasselijke beleidscriteria. Het belang van de tweede hiervoor genoemde uitspraak boet in door het geheel ontbreken van enige motivering voor het oordeel, dat de neveninkomsten als wethouder terecht in mindering zijn gebracht op de uitkering aan de appellant in die zaak.

Het geheel beziende kan niet anders dan geconstateerd worden, dat voor beide opvattingen goede argumenten zijn aan te voeren. Enerzijds immers is het bekleden van een wethouderschap in verreweg de meeste gevallen een bezigheid, die een ruim tijdsbeslag met zich brengt en –uitzonderingen daargelaten- gedurende een langere periode wordt volvoerd, waardoor het onmogelijk is daarnaast een vorige functie (geheel) voort te zetten, en is aan het bekleden van de functie een wedde maar ook pensioenvorming verbonden, anderzijds is er inderdaad geen sprake van een dienstbetrekking, een relatie tussen beloning en de arbeidsprestatie en een werkplek, die in principe vervuld zou kunnen worden door willekeurig wie anders.

Het antwoord op de in deze voorliggende vraag moet gezocht worden in de doelstelling van de wet, te weten de noodzaak de werkgelegenheid te bevorderen. Vast staat immers, dat met ingang van 1 januari 2000, uitsluitend met het oog op de alstoen ontstane krapte op de arbeidsmarkt, de regeling in die zin is verruimd, dat anticumulatie nog slechts plaats vindt bij overschrijding van 100% van het inkomen waarvan de uitkering is afgeleid.

Aldus beschouwd dient bezien te worden in hoeverre de vervulling van een wethouderschap van invloed geweest zou kunnen zijn op de arbeidsmarkt.

Kandidaten voor een dergelijke functie worden niet op de reguliere arbeidsmarkt geworven, doch worden gevonden in de beperkte kring van gemeenteraadsleden op grond van de in die raad zich voordoende politieke verhoudingen. Daardoor wordt de kring van personen, die voor een dergelijke functie in aanmerking kunnen komen reeds ten zeerste beperkt. Onder de resterende kandidaten bevindt zich normaal gesproken een meerderheid, die wegens het ontbreken van de nodige vaardigheden en/of van de mogelijkheid voldoende tijd vrij te maken, moeten afzien van hun kandidatuur. Dit geldt temeer indien de functie als in casu geen volledige dagtaak met een volwaardig inkomen inhoudt. Van enig reëel effect op de arbeidsmarkt is dan ook geen sprake. Nu tevens is voldaan aan voormelde criteria, dient gedaagdes verweer te worden verworpen.

Aan de opmerkingen van gedaagde met betrekking tot de wijze waarop eiser de beschikking heeft gekregen over de door gedaagde gehanteerde beleidsregels kan geen waarde worden gehecht, aangezien gedaagde de inhoud daarvan niet bestrijdt.

Gedaagde heeft tenslotte de door eiser gevorderde bedragen geheel onbestreden gelaten, zodat deze als hierna aan te geven voor toewijzing gereed liggen.

Gedaagde dient dan ook als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld te worden in voege als hierna te specificeren.

III BESLISSING:

de kantonrechter

- verklaart voor recht, dat eiser in de periode van 14 april 1998 tot 1 oktober 1999 recht heeft op zijn volledige Vut-uitkering, zonder korting hierop van zijn inkomsten als wethouder voorzover deze samen met de Vut-uitkering de grondslag van 100% van de vroegere bezoldiging van eiser niet overschrijden;

- gelast, dat gedaagde de terugvordering van een bedrag van fl. 14.031,75 bruto, ofwel

fl. 7.813,54 netto, voorzover geëffectueerd, binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis ongedaan maakt door terugbetaling aan eiser van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van betaling door eiser tot de dag van gehele terugbetaling aan eiser, dan wel, indien effectuering als voormeld nog niet heeft plaatsgevonden, deze nalaat;

- veroordeelt gedaagde aan eiser binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis te voldoen het reeds van eiser ingehouden bedrag van fl. 30.131,16, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag sinds 15 oktober 1998 tot de dag der algehele voldoening en vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten ad fl. 3.760,--;

- veroordeelt gedaagde in de aan de zijde van eiser gerezen proceskosten tot aan dit vonnis in totaal begroot op fl. 1.819,23, waarin begrepen fl. 315,-- wegens vast recht, fl. 86,19 voor exploit van dagvaarding, fl. 18,04 terzake uitroepgeld en fl. 1.400,-- voor salaris en verschotten van de gemachtigde van eiser;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het anders of meer gevorderde.

Aldus gewezen door mr. R.H.M.J. baron van Hövell tot Westerflier, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting op woensdag 2 mei 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.