Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2001:AD7170

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
15-11-2001
Datum publicatie
17-12-2001
Zaaknummer
AWB 99/1251 WVG I
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verhuurder van woning heeft geen rechtstreeks belang bij besluit tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing ten name van de huurder.

Bezwaarschrift van Woningvereniging X (eiseres) tegen toekenning tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing aan huurder.

Eiseresses belang is naar het oordeel van de rechtbank in casu gelegen in het kunnen opkomen tegen de door haar ongewenste woningaanpassing van een aan haar in eigendom toebehorende woning. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank echter geen rechtstreeks belang bij de toewijzing van de tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing op zich zelf bezien, omdat deze voor haar, nu zij niet met de aanpassing instemt, geen rechtsgevolgen heeft. De rechtsgevolgen treden voor eiseres eerst op indien verweerder ten gevolge van eiseresses weigering met de aanpassing in te stemmen, overgaat tot het doen van een aanschrijving als bedoeld in art. 15a Woningwet dan wel zonder haar toestemming tot verbouwing wordt overgegaan. Eerst dan is eiseres rechtstreeks in haar belang getroffen. Eiseres heeft als eigenaar van de woning waarop de aanpassing betrekking heeft, slechts een afgeleid belang bij de thans aan de orde zijnde besluiten.

Nu naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een rechtstreeks belang, kan eiseres in de onderhavige procedure niet als belanghebbende in de zin van art. 1:2 Awb worden aangemerkt. Verweerder heeft eiseres derhalve ten onrechte in haar bezwaren ontvangen.

Burgemeester en wethouders van Beek, verweerder.

mr. H.J.O. Martens

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Wet voorzieningen gehandicapten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 99/1251 WVG I

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

Woningvereniging Spaubeek te Spaubeek, eiseres,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Beek, gevestigd te Beek, verweerder.

Datum bestreden besluit: 5 augustus 1999.

Behandeling ter zitting: 2 november 2001

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

In het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het door eiseres ingediende bezwaarschrift van 10 maart 1999 ongegrond verklaard.

Tegen bovengenoemd besluit heeft eiseres bij gemachtigde W. Mesters, secretaris van de Woningvereniging Spaubeek, bij schrijven van 12 september 1999 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij schrijven van 7 oktober 1999 een verweerschrift ingediend.

De door verweerder ter voldoening aan artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn op 12 oktober 1999 in afschrift aan eiseres gezonden.

Bij brief van 23 juli 2001 heeft de rechtbank aan mevrouw X meegedeeld dat er op grond van haar schrijven van 14 maart 2000 van uit wordt gegaan dat zij ingevolge artikel 8:26, eerste lid, van de Awb als partij aan het onderhavige geding wenst deel te nemen. De op het geding betrekking hebbende stukken zijn in kopie aan haar verzonden. De brief van 23 juli 2001 is in kopie aan partijen verzonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 2 november 2001, alwaar namens eiseres de heer W. Mesters en de heer L.J. Geysen zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevrouw mr. D. Marting, ambtenaar ter gemeentesecretarie. Mevrouw X is in persoon verschenen.

II. OVERWEGINGEN.

II.1. Bij besluit van 19 februari 1999 heeft verweerder aan mevrouw X meegedeeld dat haar aanvraag voor een vergoeding in de aanschafkosten van een tuinhuisje op het terrein van de door haar bewoonde huurwoning, ten behoeve van het stallen van de aan haar in bruikleen verstrekte scootmobiel ad ¦ 3.624,--, is toegewezen. (Besluit A)

Bij besluit van gelijke datum is aan eiseres, eigenaar van de door mevrouw X bewoonde huurwoning, meegedeeld dat de aanvraag van mevrouw X om in aanmerking te komen voor een woningaanpassing, gelet op het door de medisch ergonomisch adviseur uitgebrachte advies, is toegewezen. De kosten van de woningaanpassing zijn vastgesteld op ¦ 42.103,87. (Besluit B)

Tegen deze besluitvorming heeft eiseres bij schrijven van 10 maart 1999 een bezwaarschrift ingediend. De gronden van het bezwaar zijn op 17 april 1999 aangevoerd. Het bezwaar richt zich zowel tegen de woningaanpassing als tegen de bouw van het tuinhuisje.

Op 8 juni 1999 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van het verhandelde is een verslag gemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Bij het thans bestreden besluit van 5 augustus 1999 is het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

II.2. In het bestreden besluit wordt -kort samengevat- het volgende overwogen.

Eiseres wordt, nu zij als woningeigenaar een rechtstreeks belang heeft bij de toewijzing van de woningaanpassing, in haar bezwaren ontvangen.

Ondanks het feit dat een voor mevrouw X geschikte woning voorhanden was, is er, gezien haar persoonlijke omstandigheden, voor gekozen op grond van het gemeentelijk beleid af te wijken van het primaat van de verhuizing en over te gaan tot toekenning van een vergoeding in de kosten van de gevraagde woningaanpassing.

De grief met betrekking tot de aantasting van de verhuurbaarheid van de woning treft geen doel.

De weigering toestemming te geven voor de plaatsing van het tuinhuisje is een privaatrechtelijke aangelegenheid tussen huurder en verhuurder.

II.3. In het beroepschrift wordt -kort samengevat- het navolgende aangevoerd.

Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom er, ondanks het primaat van de verhuizing, in het onderhavige geval is gekozen voor toewijzing van een vergoeding in de kosten van de gevraagde woningaanpassing. Voor mevrouw X was immers een adequate woning voorhanden in het Woonzorgcomplex (Wozoco).

Een woningaanpassing als de onderhavige belemmert de verhuurbaarheid van de woning.

Voorts zijn er technische belemmeringen voor de onderhavige woningaanpassing, nu de woning op boorpalen is gebouwd.

Waarom is overgegaan tot splitsing van de aanvraag in de verbouwing van de woning en de (ver)bouw(ing) van de berging is onduidelijk.

Eiseres geeft geen toestemming voor de bouw van het tuinhuisje.

Eiseres is degene die bepaalt met welke aannemer een aannemingsovereenkomst wordt gesloten.

Eiseres verzoekt primair de aanvraag af te wijzen en secundair dat de bouw voldoet aan de door haar gestelde eisen.

II.4. Gelet op het feit dat in beroep geen nieuwe gronden zijn aangedragen, wordt in het verweerschrift volstaan met een verwijzing naar het bestreden besluit.

II.5. De rechtbank heeft zich allereerst - ambtshalve - de vraag gesteld of verweerder eiseres terecht heeft aangemerkt als belanghebbende en als zodanig in haar bezwaren heeft ontvangen. De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende.

II.5.1. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat besluit B abusievelijk aan eiseres is gericht. Besluit B had, nu het een beslissing op de aanvraag van mevrouw X betreft, aan laatstgenoemde gericht moeten zijn. Ter zitting is overigens gebleken dat besluit B eveneens aan mevrouw X is gezonden. Eiseres moest in haar hoedanigheid van eigenaar van het object in kwestie, in welke hoedanigheid de (voorlopig) toegekende Wvg-gelden -onder bepaalde voorwaarden- aan haar toekomen, inderdaad hieromtrent geïnformeerd worden. Het had echter eerder in de rede gelegen dit in de vorm van een kennisgeving -onder overlegging van de toekenningen aan mevrouw X- te doen. Dit laat onverlet dat zowel besluit A als besluit B besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb zijn, waartegen als zodanig ingevolge de artikelen 8:1 en 7:1 van de Awb voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat.

II.5.2. Onder belanghebbende wordt ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken, verstaan.

Een belanghebbende is in de eerste plaats de aanvrager van het besluit en/of degene tot wie het besluit zich richt oftewel de geadresseerde. In het onderhavige geval is besluit A gericht aan mevrouw X - de aanvrager - en besluit B - abusievelijk - gericht aan eiseres. Het enkele feit dat eiseres voor wat betreft besluit B, abusievelijk, geadresseerde is, is naar het oordeel van de rechtbank, echter onvoldoende om haar als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb aan te merken. Voormeld artikellid vereist materiële betrokkenheid bij de aangelegenheid waarop het primaire besluit betrekking heeft. De rechtbank dient, gelet op het vorenstaande, de vraag te beantwoorden of eiseres in zodanige mate (rechtstreeks) bij de inhoud van de besluiten A en B betrokken is, dat zij ten aanzien van beide besluiten als belanghebbende in voorbedoelde zin aangemerkt kan worden. Op grond van de heersende literatuur, alsmede gelet op ter zake relevante jurisprudentie, zijn bij deze beoordeling de navolgende zaken van belang. Er moet sprake zijn van het getroffen zijn in een persoonlijk objectief bepaalbaar belang, welk belang zich van andere (algemene) belangen onderscheidt. De betrokkene moet door het bestreden besluit rechtstreeks in zijn belang zijn getroffen. Voorts moet het belang voortvloeien uit het bestreden besluit, oftewel er moet geen sprake zijn van een afgeleid belang.

Eiseresses belang is naar het oordeel van de rechtbank in casu gelegen in het kunnen opkomen tegen de door haar ongewenste woningaanpassing van een aan haar in eigendom toebehorende woning. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank echter geen rechtstreeks belang bij de toewijzing van de tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing op zich zelf bezien, omdat deze voor haar, nu zij niet met de aanpassing instemt, geen rechtsgevolgen heeft. De rechtsgevolgen treden voor eiseres eerst op indien verweerder ten gevolge van eiseresses weigering met de aanpassing in te stemmen, overgaat tot het doen van een aanschrijving als bedoeld in artikel 15a van de Woningwet dan wel zonder haar toestemming tot verbouwing wordt overgegaan. Eerst dan is eiseres rechtstreeks in haar belang getroffen. Eiseres heeft als eigenaar van de woning waarop de aanpassing betrekking heeft, slechts een afgeleid belang bij de thans aan de orde zijnde besluiten.

Nu naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een rechtstreeks belang, kan eiseres in de onderhavige procedure niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt. Verweerder heeft eiseres derhalve ten onrechte in haar bezwaren ontvangen.

II.5.3. Het bestreden besluit kan, gezien het vorenstaande, geen stand houden. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en doen hetgeen verweerder had moeten doen en eiseresses inleidend bezwaarschrift, onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

II.5.4. Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten, die mevrouw X in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

De proceskostenveroordeling heeft betrekking op de reiskosten van mevrouw X wegens het bijwonen van de zitting van de rechtbank. Het bedrag daarvan wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en artikel 6, eerste lid, onderdeel III, van het Besluit tarieven in strafzaken door de rechtbank vastgesteld op ƒ 19,83, zijnde de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72; 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. verklaart het bezwaarschrift van 10 maart 1999 niet-ontvankelijk;

3. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van ƒ 450,-- wordt vergoed door de gemeente Beek;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van mevrouw X begroot op ƒ 19,83, te betalen door de gemeente Beek aan mevrouw X.

Aldus gedaan door mr. H.J.O. Martens in tegenwoordigheid van mr. C.M. Bunschoten als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2001 door mr. Martens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. C.M. Bunschoten w.g. Martens

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 15 november 2001

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de President van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.