Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2001:AD4985

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-07-2001
Datum publicatie
01-11-2001
Zaaknummer
AWB 01/51 AOW/ANW/AKW Z
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 01/51 AOW/ANW/AKW Z

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

[eiser] te [woonplaats] eiser,

en

de Sociale Verzekeringsbank - Kantoor Verzekeringen - ,

gevestigd te Amstelveen, verweerder.

Datum bestreden besluit: 28 november 2000.

Kenmerk: K&D BAV 53356/GvK VZ 0734213 0.

Behandeling ter zitting: donderdag 21 juni 2001.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 28 november 2000 heeft verweerder een door eiser ingediend bezwaarschrift van 14 september 2000 tegen een door verweerder genomen besluit van 7 september 2000 ongegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit is door eiser beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 21 juni 2001, alwaar eiser in persoon is verschenen. Verweerder heeft de rechtbank bericht zich niet ter zitting te zullen doen vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN.

A. De feiten.

Naar aanleiding van eisers aanvraag van 27 juli 2000 heeft verweerder eiser bij besluit van 7 september 2000 met ingang van 27 juli 2000 vrijstelling verleend van de verplichte verzekering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet (Anw) en de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

Bij brief van 14 september 2000 heeft eiser tegen dat besluit bezwaar gemaakt en verweerder verzocht om hem alsnog vrijstelling van de verzekering te verlenen vanaf 1 mei 2000. Hij heeft daartoe aangevoerd, dat hij het aanvraagformulier voor de vrijstelling pas zo laat heeft opgestuurd als gevolg van foute informatie. Eiser heeft in april 2000 bij het kantoor van verweerder in Amstelveen telefonisch om informatie gevraagd over de premie volksverzekeringen. Eiser heeft toen uitgelegd, dat hij eind april gepensioneerd zou worden, uitsluitend in Duitsland gewerkt heeft, Duitser is en een Beamten-pensioen van het Bundeseisenbahnvermögen krijgt. Verweerders medewerker heeft eiser toen naar zijn belastingnummer gevraagd. Daarna verwees hij eiser naar het kantoor in Roermond. Daar heeft eiser dezelfde vraag gesteld aan mevrouw Gillessen. Volgens haar informatie hoefde eiser niets te doen, alles zou automatisch verlopen. Op eisers vraag of hij geen vrijstelling hoefde aan te vragen, antwoordde zij ontkennend. Toen eiser in juli naar het Belastingkantoor in Heerlen moest, heeft hij daar toch nog eens geïnformeerd. Daar is eiser meegedeeld, dat hij de vrijstelling moest aanvragen, hetgeen eiser vervolgens heeft gedaan.

Bij brief van 5 oktober 2000 heeft verweerder eiser laten weten, dat hij met bewijsstukken moet aantonen, dat hij reeds in april 2000 inlichtingen over vrijstelling van de verzekeringsplicht heeft ingewonnen.

Eiser heeft bij brief van 6 oktober 2000 aan verweerder bericht, dat hij niet in staat is een en ander met bewijsstukken aan te tonen. De enigen, die eisers verhaal kunnen bevestigen, zijn eisers vrouw, verweerders medewerker in Amstelveen, waar hij de naam niet meer van weet, en verweerders medewerkster mevrouw Gillessen van het kantoor in Roermond.

Voorts heeft eiser gewezen op de problematiek inzake grensarbeiders.

Bij brief van 12 oktober 2000 heeft verweerder eiser meegedeeld, dat het mogelijk is aan de vrijstelling terugwerkende kracht te verlenen, indien iemand aantoonbaar heeft getracht duidelijkheid te krijgen over zijn verzekeringspositie, maar hier door hem niet toe te rekenen omstandigheden niet in is geslaagd.

Bij brief van 27 oktober 2000 heeft eiser de nadere gronden van zijn bezwaar ingediend. Hij heeft daarbij aangevoerd, dat hij gedurende zijn gehele arbeidsverleden als ambtenaar in dienst is geweest van de Duitse spoorwegen. De gehele administratieve aanloop naar zijn pensioen heeft plaatsgevon-den in Duitsland zonder tussenkomst van enige Nederlandse instantie. Eiser ontvangt zijn uitkering rechtstreeks van het Bundeseisenbahnvermögen (BEV) in Keulen, dit in tegenstelling tot de in Nederland wonende niet-ambtelijke werknemer in Duitsland wiens pensionering weliswaar in Duitsland administratief wordt afgehandeld, doch waarvan de financiële afhandeling plaatsvindt door bemidde-ling van het Bureau Duitse Zaken in Nijmegen. Al deze gepensioneerden worden door genoemd Bureau tijdig, dus voor de ingangsdatum van hun pensioen, schriftelijk in kennis gesteld van hun verzekeringspositie, onder meer met betrekking tot de vrijstelling van afdracht premies sociale wet-geving. Er bestaat dus een duidelijke informatie-achterstand bij de pensionering van een ambtelijke werknemer ten opzichte van de niet-ambtelijke werknemer, een informatie-achterstand die gecreëerd wordt door een Nederlandse instantie. De premie staat overigens in geen verhouding tot de ter zake te genieten uitkeringen.

Blijkens een telefoonnotitie d.d. 9 november 2000 heeft verweerder geïnformeerd bij zijn kantoor in Roermond. Daaruit komt naar voren, dat een medewerkster met de naam Gillessen niet voorkomt bij de Vestiging Roermond. Er is wel een medewerkster met de naam Gielgens. Zij heeft verklaard, dat zij medewerkster Internationaal is en cliënten met vragen over vrijstelling altijd direct doorverwijst naar het Kantoor Verzekeringen. Zij kan nooit tegen een cliënt gezegd hebben dat hij niets hoeft te doen.

Eiser heeft afgezien van de mogelijkheid om op het bezwaarschrift te worden gehoord.

B. Het besluit.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit eisers bezwaarschrift ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen, dat verweerder niet kan voldoen aan eisers verzoek om de vrijstelling met ingang van een eerdere datum te verlenen. Artikel 22, tweede lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna KB 746) is wat tekst en strekking betreft een duidelijke bepaling en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. De regelgever heeft met deze dwingendrechtelijke bepaling ongewenste risicoselectie willen voorkomen. Artikel 22 laat verweerder dan ook in beginsel niet de ruimte om de ingangsdatum van de vrijstelling van eiser op een eerdere datum dan 27 juli 2000 te bepalen. In het derde lid van artikel 22 is bepaald, dat verweerder de vrijstelling kan verlenen met ingang van de datum, die gelegen is ten hoogste drie jaar vóór de datum van de aanvraag, indien toepassing van het tweede lid tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Helaas biedt die formulering geen soelaas. Volgens verweerders vaste beleidslijn (en ook volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep) is er geen sprake van onbillijkheden van overwegende aard, indien iemand heeft nagelaten tijdig een (vrijstellings)verzoek in te dienen als gevolg van onbekendheid met de regelgeving, hoe begrijpelijk die onbekendheid overigens ook is. Onbekendheid met regelgeving is in zijn algemeenheid namelijk nooit reden (geweest) om terugwerkende kracht toe te staan of een termijnoverschrijding te pardonneren.

Verweerder heeft dan ook als beleid bij de toepassing van artikel 22, derde lid, van KB 746, dat geen terugwerkende kracht toegestaan kan worden bij het verlenen van een vrijstelling, indien het niet eerder aanvragen van een vrijstelling, zoals ook in eisers geval, het gevolg is van onbekendheid met de regelgeving. Uit telefonische navraag bij het Vestigingskantoor te Roermond is verweerder geble-ken, dat mevrouw Gielgens een dergelijke mededeling niet kan hebben gedaan. Met name de mede-werkers van het Vestigingskantoor Roermond zijn zeer goed op de hoogte van de vrijstellingsregeling van de verzekeringsplicht. Een dergelijke mededeling zou ook volstrekt niet overeenstemmen met de ter zake geldende bepalingen. Het is zeer wel mogelijk dat eiser bij zijn navraag bij zowel het kantoor te Amstelveen als te Roermond heeft geïnformeerd naar de situatie hoe hij moet handelen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd.

Met betrekking tot eisers beroep op onjuiste informatie van de kant van verweerder merkt verweerder op, dat volgens vaste jurisprudentie in beginsel niet kan worden afgeweken van dwingendrechtelijke bepalingen ten aanzien van het toestaan van terugwerkende kracht. Alleen als het ter zake bevoegde uitvoeringsorgaan ondubbelzinnig, ongeclausuleerd en schriftelijk inlichtingen heeft verstrekt met be-trekking tot de aanvraag om vrijstelling verzekeringsplicht, zou een beroep op onjuiste informatiever-strekking succes kunnen hebben. Eiser heeft zich op telefonische informatie beroepen. Zijn argument treft derhalve geen doel.

Uit verzekering ingevolge de volksverzekeringen vloeit enerzijds premieplicht en anderzijds aanspraken voort. Ook om die reden is er geen sprake van onbillijkheden van overwegende aard.

C. Het beroep.

Eiser kan zich met voormeld besluit van verweerder niet verenigen. Daartoe is in beroep aangevoerd, dat beide partijen geen voordeel hebben van het bestreden besluit. Eiser stelt geen prijs op AOW, aangezien deze uitkering in mindering wordt gebracht op zijn Duitse pensioen. Als de vrijstelling met terugwerkende kracht wordt toegekend, hoeft verweerder die AOW te zijner tijd ook niet uit te betalen.

Eiser wordt bovendien dan een aanvraagprocedure bespaard. Eiser had de vrijstelling beslist op tijd aangevraagd, indien hij er tijdig van op de hoogte was geweest. Eiser is op 1 mei 2000 gepensioneerd. Hij hoorde toen toevallig van het bestaan van de SVB. Hij heeft toen bij de SVB geïnformeerd aangaande zijn situatie. Hij heeft toen zeker niet de vraag gesteld wat hij moest doen als hij 65 jaar werd. Eiser vindt het discriminerend dat ambtelijke grensarbeiders tegenover niet-ambtelijke grens-arbeiders geen informatie krijgen over hun verzekeringspositie.

D. Het verweer.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 24 juli 1996, nr. 95/4021 AOW, nog naar voren gebracht, dat verweerder niet verplicht is een verzekerde te wijzen op de mogelijkheid van vrijstelling van de verzekeringsplicht.

E. De beoordeling.

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge de artikelen 6 van de AOW, 13 van de Anw en 6 van de AKW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wetten degene, die ingezetene is. Ingevolge het derde lid van voormelde artikelen kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, van KB 746, in werking getreden met ingang van 1 januari 1999, wordt de persoon, die in Nederland woont en die recht heeft op een uitkering op grond van een buitenlandse wettelijke regeling inzake sociale zekerheid of op grond van een regeling van een volkenrechtelijke organisatie, op zijn aanvraag, voor zolang hij geen arbeid in Nederland verricht, door de SVB van de verzekering op grond van de AOW, de Anw en de AKW vrijgesteld, zolang hij aan het in dat artikel onder a of b gestelde voldoet.

De vrijstelling gaat ingevolge artikel 22, tweede lid, van KB 746 in op de datum van de aanvraag.

Ingevolge artikel 22, derde lid, van KB 746 kan de SVB de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, verlenen met ingang van een datum, die gelegen is ten hoogste drie jaar vóór de datum van de aanvraag, doch niet eerder dan de datum waarop recht is ontstaan op de buitenlandse wettelijke uitkering of de uitkering van de volkenrechtelijke organisatie, indien toepassing van het tweede lid leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Blijkens de Nota van Toelichting bij artikel 22, derde lid, van KB 746 is het in bepaalde gevallen, waarin toepassing van het tweede lid tot een onredelijke uitkomst zou leiden, mogelijk dat aan de vrijstelling terugwerkende kracht wordt verleend. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan de persoon, die aantoonbaar heeft getracht duidelijkheid te krijgen over zijn verzekeringspositie, maar door aan hem niet toe te rekenen omstandigheden daarin niet is geslaagd. De terugwerkende kracht, die door de SVB aan de vrijstelling kan worden verleend, beslaat ten hoogste een periode van drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop het vrijstellingsverzoek werd ingediend. Uiteraard kan ook hier de vrijstelling niet eerder ingaan dan de datum waarop de aanspraak op de niet-Nederlandse uitkering is ontstaan. Zou het toepassen van de terugwerkendekrachtbepaling betekenen dat de vrijstelling dient in te gaan op een datum die ligt vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, dan mag dat geen beletsel vormen.

Bij de totstandkoming van artikel 22, derde lid, van KB 746 hebben de navolgende overwegingen een rol gespeeld. Aan verzoeken om terugwerkende kracht ligt doorgaans het onbekend zijn met de regeling ten grondslag. Het gaat te ver om het ontbreken aan kennis over het bestaan van de huidige regeling, waardoor vrijstellingsverzoeken soms met enige vertraging worden ingediend, uitsluitend toe te schrijven aan gebrekkige voorlichting terzake. Er mag in gevallen als deze wel degelijk ook een beroep worden gedaan op initiatieven van de belanghebbende zelf. Ingrijpende wijzigingen in de privé-omstandigheden, bijvoorbeeld omdat men plotseling onder de belasting- en premieheffing van een ander land valt, dienen voldoende aanleiding te zijn voor degene die zulks treft bijtijds, liefst vooraf, informatie in te winnen over de nieuwe spelregels. Op die manier kan veel onbegrip worden voorkomen. Desalniettemin is het kabinet bereid om de bestaande vrijstellingsregeling op dit punt enigszins te versoepelen. Uit praktijkgevallen gedurende de afgelopen jaren is gebleken dat in enkele situaties de belanghebbende wel degelijk al het mogelijke heeft gedaan er achter te komen hoe de relevante regelgeving in elkaar steekt vanaf het moment dat het Nederlandse sociale verzekerings-stelsel op hem van toepassing is. De verantwoordelijke organen hebben de betrokkene echter in het geheel niet of niet tijdig geïnformeerd over de mogelijkheid om vrijstelling aan te vragen van verzeke-rings- en priemieplicht krachtens de volksverzekeringen. In dergelijke situaties zou aan de SVB de mogelijkheid kunnen worden gegeven om aan die persoon met terugwerkende kracht vrijstelling van verzekeringsplicht te verlenen (TK vergaderjaar 1995-1996, 24 754, nr. 2, blz. 13).

Belanghebbenden hebben in dezen ook een eigen verantwoordelijkheid. Veranderingen van belasting- en sociaal verzekeringsregime zijn voor degenen, die het treft, zodanig ingrijpend dat van hen alle mogelijke initiatieven ter zake mogen worden verwacht om onaangename verrassingen in de toekomst zo veel als mogelijk uit te sluiten. Zo zal men ook zelf moeten zien te achterhalen wat in de nieuwe situatie de rechten en plichten zijn. De burger heeft hier zeker een eigen verantwoordelijkheid. In grensoverschrijdende gevallen kan men niet passief blijven wanneer men verhuist, het werk eindigt of een uitkering wordt aangevraagd. (TK vergaderjaar 1995-1996, 24 754, nr. 2, blz. 34).

Het kan voorkomen dat de aanvrager onkundig was over de vrijstellingsregeling, terwijl hij eigenlijk al aan de voorwaarden voldeed voordat hij het betreffende verzoek indiende. Ook worden soms uitkeringen met terugwerkende kracht betaalbaar gesteld. De financiële gevolgen kunnen daardoor voor de belanghebbende nogal pijnlijk zijn (onnodige premiebetaling die in sommige gevallen een periode van langer dan een jaar kan beslaan). Het kabinet is bereid om voor dergelijke gevallen een bepaling in het leven te roepen op grond waarvan onder bepaalde voorwaarden aan de vrijstelling een terugwerkende kracht kan worden verleend van maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de datum van verzoek om vrijstelling (TK vergaderjaar 1996-1997, 24 754, nr. 4, blz. 7).

De SVB hanteert ter zake het navolgende beleid, zoals vermeld in § 2.4.2.4 van de beleidsregels.

De SVB beziet bij elk verzoek aan de hand van de individuele feiten en omstandigheden of zich een onbillijkheid van overwegende aard voordoet.

De volgende - niet-limitatief genoemde - gevallen kunnen zich daarbij voordoen:

- Het verzoek om vrijstelling is ingediend binnen een maand nadat de betrokkene zich in Nederland heeft gevestigd.

- Het verzoek om vrijstelling is ingediend binnen een maand nadat de reeds in Nederland wonende betrokkene de beschikking heeft ontvangen waarbij aan hem de buitenlandse uitkering is toegekend.

- De late indiening van het verzoek om vrijstelling is een aantoonbaar gevolg van het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige voorlichting door een publiekrechtelijk orgaan (bijvoorbeeld de Belastingdienst) en de betrokkene had redelijkerwijs niet aan die voorlichting hoeven te twijfelen.

- Het verzoek om vrijstelling is laat ingediend, omdat de betrokkene als gevolg van een geestelijke gestoordheid of een zware lichamelijke handicap niet in staat was tijdig een verzoek in te dienen en van de betrokkene kon evenmin gevergd worden dat hij zich liet vertegenwoordigen.

De SVB gaat ervan uit dat van onbillijkheden van overwegende aard in ieder geval geen sprake kan zijn in gevallen die volgens de beleidsregels, neergelegd in § 5.2.1.1, geen bijzonder geval opleveren.

Deze gevallen zijn:

- een fout van de belangenbehartiger van de betrokkene;

- onvoldoende activiteit van de betrokkene;

- het niet-aangetekend verzenden van stukken door de betrokkene;

- onvoldoende oplettendheid van de betrokkene;

- enkele onbekendheid met de wettelijke bepalingen;

- een noodgedwongen verblijf in het buitenland;

- niet kunnen lezen en schrijven, terwijl men over voldoende hulp kan beschikken;

- niet op de hoogte zijn van gepubliceerde beleidswijzigingen en voldoende bekend geworden jurisprudentie vormt na verloop van een bepaalde termijn - in het algemeen een jaar - geen verschoonbare onbekendheid en derhalve geen bijzonder geval.

Hoofdregel is dat onbekendheid met de wet of een internationale regeling niet zonder meer leidt tot het aannemen van een bijzonder geval, tenzij blijkt van een bijkomende omstandigheid op grond waarvan de betrokkene niet op de hoogte kon zijn van zijn wettelijke rechten (RSV 1983/240).

Eiser heeft verweerder verzocht om hem alsnog met terugwerkende kracht vrijstelling te verlenen van de verplichte verzekering, welk verzoek door verweerder is afgewezen. Eiser heeft daartoe aan-gevoerd, dat hij het aanvraagformulier voor de vrijstelling pas zo laat heeft opgestuurd als gevolg van foute informatie. Eiser heeft in april 2000 bij het kantoor van verweerder in Amstelveen telefonisch om informatie gevraagd over de premie volksverzekeringen. Eiser heeft toen uitgelegd, dat hij eind april gepensioneerd zou worden, uitsluitend in Duitsland gewerkt heeft, Duitser is en een Beamtenpensioen van het Bundeseisenbahnvermögen krijgt. Verweerders medewerker heeft eiser toen naar zijn belastingnummer gevraagd. Daarna verwees hij eiser naar het kantoor in Roermond. Daar heeft eiser dezelfde vraag gesteld aan een medewerkster van de SVB. Volgens haar informatie hoefde eiser niets te doen, alles zou automatisch verlopen. Op eisers vraag of hij geen vrijstelling hoefde aan te vragen, antwoordde zij ontkennend. Toen eiser in juli naar het Belastingkantoor in Heerlen moest, heeft hij daar toch nog eens geïnformeerd. Daar is eiser meegedeeld, dat hij de vrijstelling moest aanvragen, hetgeen eiser vervolgens heeft gedaan.

De rechtbank is van oordeel, dat eiser met zijn betoog, vervat in het beroepschrift en uitvoerig toege-licht ter zitting, heeft aangetoond dat de onderhavige wettelijke bepaling in zijn geval van toepassing is. De rechtbank overweegt daartoe, onder verwijzing naar voormelde Kamerstukken, dat eiser reeds in april 2000, vóórdat hij ophield met zijn werk in Duitsland, de SVB op de hoogte heeft gebracht van gegevens die van belang waren voor zijn eventuele verzekerings- en premieplicht. Dit laatste is door verweerder niet betwist. Eiser heeft daarmee aantoonbaar duidelijkheid verstrekt over zijn verzekeringspositie. Dit heeft hij gedaan, omdat hij zich heeft gerealiseerd dat er ter zake een verandering

zou kunnen gaan plaatsvinden. Hiermee is tevens gebleken dat eiser aantoonbaar heeft getracht duidelijkheid te verkrijgen over zijn verzekeringspositie, zoals in voormelde Nota van Toelichting wordt voorgeschreven. Er is naar het oordeel van de rechtbank ook sprake van de omstandigheid, als omschreven in verweerders beleidsregels, dat de late indiening van het verzoek om vrijstelling een aantoonbaar gevolg is van het verstrekken van onvolledige voorlichting door de SVB. Indien eisers mededelingen niet voldoende duidelijk zouden zijn geweest voor verweerders medewerkers, dan had men dienen door te vragen naar eisers exacte situatie.

Eiser behoefde redelijkerwijs niet te twijfelen aan de mededelingen van verweerders medewerkers. Eiser mocht er namelijk van uitgaan dat de SVB hem tijdig en volledig zou informeren omtrent zijn verzekeringspositie naar aanleiding van zijn telefonische mededelingen.

De rechtbank stelt op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast, dat eiser ter zake voldoende initiatieven heeft ontplooid en zich voldoende actief heeft opgesteld. Hij heeft blijk gegeven van voldoende eigen verantwoordelijkheidsbesef aangaande zijn verzekeringspositie.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat toepassing van artikel 22, tweede lid, van KB 746 in het geval van eiser leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, hetgeen voor de SVB aanleiding had moeten zijn de vrijstelling ingevolge artikel 22, derde lid, van KB 746 met terugwer-kende kracht te verlenen, zulks vanaf 1 mei 2000, de datum waarop eiser recht kreeg op een Duits pensioen.

De rechtbank zal eisers beroep op grond van het voorgaande dan ook gegrond verklaren onder vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank komt in verband daarmee niet meer toe aan bespreking van eisers stelling dat het discriminerend is dat ambtelijke grensarbeiders tegenover niet-ambtelijke grensarbeiders geen informatie krijgen over hun verzekeringspositie.

Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de reiskosten van eiser wegens zijn verschijning ter zitting.

Het bedrag daarvan wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en artikel 6, eerste lid, onderdeel III, van het Besluit tarieven in strafzaken door de rechtbank vastgesteld op het in rubriek III van deze uitspraak vermelde bedrag, zijnde de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 14 september 2000 met inachtneming van deze uitspraak;

3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van ¦ 60,-- wordt vergoed door de Sociale Verzekeringsbank;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op ¦ 19,92, zijnde de reiskosten van eiser, te vergoeden door de Sociale Verzekeringsbank aan eiser.

Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Kavelaars als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2001 door mr. Van Binnebeke voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. C. Kavelaars w.g. M.C. van Binnebeke

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 2 juli 2001

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de President van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.