Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2001:AB3049

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
13-07-2001
Datum publicatie
06-08-2001
Zaaknummer
AWB 01/ 835 WRO19 VV VOM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vaals, verweerder.

Geen goede ruimtelijke onderbouwing. Nu het gaat om een bouwplan met een grote ruimtelijke uitstraling voor de omgeving is onderzoek naar de gevolgen daarvan voor de omgeving noodzakelijk.

Vergunning en vrijstelling (19.1 WRO nieuw) voor de bouw van een grand-café en uitvoeringszaal. Het bestreden besluit is niet voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Er ligt geen structuurplan of bestemmingsplan aan ten grondslag. Evenmin is in het bestreden besluit ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan (uit 1957!) noch is gemotiveerd aangegeven waarom het bouwplan past binnen de toekomstige bestemming van het gebied.

Nu geen (relevant) structuurplan of bestemmingsplan voorhanden is, zal op andere wijze duidelijk moeten zijn dat de ontwikkeling past binnen het toekomstig (afgewogen) beleid. Weliswaar is met enige stukken een beeld gegeven van de plannen die de gemeente met het betreffende gebied heeft doch uit de stukken blijkt niet dat een onderzoek is verricht naar alle belangen die in het betreffende gebied een rol spelen noch dat deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

Zo is bijvoorbeeld niet voldoende onderzocht welke gevolgen de ontwikkeling heeft voor de (woon)omgeving. Zeker nu het om een bouwplan gaat dat grote ruimtelijke uitstraling heeft voor de omgeving is dit onderzoek naar het oordeel van de president noodzakelijk.

Tjdelijke schorsing bestreden besluit.

Wet op de Ruimtelijke Ordening 19.1 (nieuw)

mr. J.N.F. Sleddens (president)

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2001, 225
Module Ruimtelijke ordening 2001/1938
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 01/835 WRO19 VV VOM

UITSPRAAK van de president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

A te B,

C te B,

D te B, verzoekers,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Vaals, gevestigd te Vaals, verweerder.

Toepassing van artikel 8:81 van de Awb wordt verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 24 april 2001.

Kenmerk: TE013701 No.: B/1.

Behandeling ter zitting: woensdag 11 juli 2001.

I. PROCESVERLOOP.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 24 april 2001 heeft verweerder aan Complan BV te Eindhoven vrijstelling ex artikel 19 lid 1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend voor de bouw van een grand-café en uitvoeringszaal op het perceel kadastraal bekend […] [….] te B.

Tegen dit besluit is namens verzoekers bij brief van 19 juni 2001 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Verzoekers hebben bij brief van 26 juni 2001 de president van de rechtbank verzocht ter zake van dit besluit een voorlopige voorziening ex artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te treffen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:26 van de Awb zijn vergunninghouder en Gedeputeerde Staten van Limburg in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid evenwel geen gebruik is gemaakt.

De door verweerder ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van verzoekers en aan gemachtigde van partij ex artikel 8:26 van de Awb verzonden.

De inhoud van de gedingstukken wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de president op 11 juli 2001. Namens verzoekers is verschenen de heer A bijgestaan door gemachtigde mr. R.M.M.M. Schreuders, advocaat te Voerendaal. Namens verweerder en vergunninghouder is verschenen mevrouw ing. T. Franssen- Slenter.

II. OVERWEGINGEN

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

De president concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan nu verzoekers een bezwaarschrift hebben ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank te Maastricht bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.

De president ziet geen beletselen verzoekers in hun verzoek ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen. Ook acht de president de onverwijlde spoed genoegzaam aangetoond.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor verzoekers uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Nu de president aan de zijde van verzoekers een spoedeisend belang aanwezig acht en derhalve niet reeds op voorhand kan worden geconcludeerd dat zij zonder enig nadeel een beslissing op bezwaar kunnen afwachten, is het antwoord op de vraag of sprake is van enig nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening in belangrijke mate mede afhankelijk van een voorlopig oordeel omtrent de vraag of het bestreden besluit als zodanig in een eventuele hoofdzaak (ongewijzigd) zal kunnen worden gehandhaafd.

Dienaangaande overweegt de president het volgende. De president neemt daarbij de navolgende enerzijds gestelde en anderzijds niet ontkende dan wel niet of onvoldoende weerlegde, alsmede uit de gedingstukken en ter zitting gebleken feiten en omstandigheden in aanmerking.

Op 20 juli 2000 heeft vergunninghouder bij verweerder een vergunning aangevraagd voor het bouwen van een grand-café en uitvoeringszaal aan het […] [….] te B.

Niet bestreden is dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan aanwijzende de bestemmingen in hoofdzaak". Ten behoeve van het bouwplan is de procedure van artikel 19 juncto 19a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) gevolgd.

Nadat door Gedeputeerde Staten van Limburg op 10 april 2001 de vereiste verklaring van geen bezwaar is verleend heeft verweerder bij besluit van 24 april 2001 vrijstelling op grond van artikel 19 lid 1 van de WRO en bouwvergunning verleend.

Tegen dit besluit is namens verzoekers bij brief van 19 juni 2001 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Verzoekers motiveren hun bezwaar met onder andere de navolgende argumenten:

1. verzoekers zijn ernstig bevreesd dat zij onvoldoende daglicht zullen behouden bij de realisering van het project. De berekeningen zijn onjuist. In het voorliggende plan zijn geen maatstaven genoemd. De normen van daglicht van de 3 woningen die in eigendom aan verzoekers toebehoren zijn niet berekend. Bij een juiste toepassing van deze daglichtbepalingen had het onderhavige besluit wegens strijd met artikel 39 van het Bouwbesluit niet mogen worden genomen;

2. aantasting privacy en woongenot;

3. verzoekers vrezen voor grote verkeersoverlast omdat er te weinig parkeerplaatsen in het plan voorzien zijn.

Ten aanzien van de bezwaren van verzoekers en het bestreden besluit overweegt de president het volgende.

Artikel 19 lid 1 WRO luidt als volgt:

"De gemeenteraad kan, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders."

De MvT (pag. 6 en 7) zegt over de "goede ruimtelijke onderbouwing":

"De onderbouwing houdt in dat het vrijstellingsbesluit de visie moet bevatten op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het betrokken gebied, waarbinnen het project moet passen, en de ruimtelijke effecten van het project op de omgeving. (..) (D)e ruimtelijke onderbouwing (hoeft) niet in alle gevallen even omvangrijk te zijn. In algemene zin zal deze afhankelijk zijn van de aard en de omvang van de voorgenomen activiteit, de mate van ingrijpendheid, de actualiteit van het gemeentelijk ruimtelijk beleid, de relevantie voor het ruimtelijk beleid van de andere overheden en de aard van de eventueel tegen de voorgenomen activiteit ingebrachte bedenkingen."

De president is van oordeel dat het bestreden besluit niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Hij overweegt daartoe het volgende.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de ruimtelijke onderbouwing is gelegen in drie stukken die zich ook in het dossier bevinden, te weten:

. een tekening van het plan "MUVA terrein en omgeving" Stedebouwkundig streefbeeld d.d. maart 1999

. verslag van de vergadering van de raad van de gemeente Vaals gehouden op dinsdag 17 september 1999. Tijdens deze vergadering zijn de plannen met betrekking tot de ontwikkeling van het MUVA gebied gepresenteerd. Het concept plan met daarin twee varianten is besproken;

. raadsvoorstel voor de raadsvergadering van 28 augustus 2000 waarbij de raad is gevraagd in te stemmen met enkele wijzingen van de d.d. 13 september 1999 vastgelegde contouren.

Aan verweerders besluit ligt derhalve geen structuurplan of bestemmingsplan ten grondslag. In het bestreden besluit is ook niet ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan (uit 1957!) noch is gemotiveerd aangegeven waarom het grand-café en de uitvoeringszaal passen binnen de toekomstige bestemming van het gebied.

Nu geen (relevant) structuurplan of bestemmingsplan voorhanden is, zal op andere wijze duidelijk moeten zijn dat de ontwikkeling past binnen het toekomstig (afgewogen) beleid. Weliswaar is met bovengenoemde stukken een beeld gegeven van de plannen die de gemeente met het betreffende gebied heeft doch uit de stukken blijkt niet dat een onderzoek is verricht naar alle belangen die in het betreffende gebied een rol spelen noch dat deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen. Zo is bijvoorbeeld niet voldoende onderzocht welke gevolgen de ontwikkeling heeft voor de (woon)omgeving. Zeker nu het om een bouwplan gaat dat grote ruimtelijke uitstraling heeft voor de omgeving is dit onderzoek naar het oordeel van de president noodzakelijk.

Nu reeds vanwege het ontbreken van een ruimtelijke onderbouwing het bestreden besluit voor schorsing in aanmerking komt, komt de president niet toe aan een beoordeling van de door verzoekers aangehaalde grieven. De president merkt ten overvloede wel op dat een vermindering van de lichttoetreding in verzoekers woningen voor het onderhavige bouwplan weliswaar geen strijd oplevert met artikel 39 van de Bouwverordening doch dat verweerder bij de in het kader van artikel 19 van de WRO vereiste belangenafweging hier wel aandacht aan dient te besteden.

De president acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van de artikelen 8:75 en 8:84, vierde lid, van de Awb te veroordelen in de kosten, die verzoekers in verband met de behandeling van dit verzoek redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De president kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 2 punten met elk een waarde van ƒ 710,-- toe voor de indiening van het verzoekschrift en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).

Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x ƒ 710,-- x 1 = ƒ 1.420,--.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:75, 8:82 en 8:84 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1. wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

2. bepaalt dat het bestreden besluit wordt geschorst tot en met zes weken na datum verzending van de beslissing op het bezwaarschrift;

3. bepaalt dat aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van ƒ 225,-- wordt vergoed door de gemeente Vaals;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekers begroot op ƒ 1.420,--, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door de gemeente Vaals aan verzoekers.

Aldus gedaan door mr. J.N.F. Sleddens in tegenwoordigheid van mr. M.E.J.M. Vorstermans-Rompelberg als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2001 door mr. J.N.F. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. M. Vorstermans w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 20 juli 2001

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.