Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2001:AB2397

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-06-2001
Datum publicatie
06-07-2001
Zaaknummer
03-005236-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 03/005236-00

Datum uitspraak: 29 juni 2001

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT

VONNIS

op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte],

wonende te [woonplaats verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting voor Vrouwen "Breda" te Breda, Kloosterlaan 172.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 april 2001 en 15 juni 2001.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 1 april 2000 in de gemeente Sittard opzettelijk en met voorbedachten rade, te weten opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, [naam slachtoffer] heeft doodgestoken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 1 april 2000 in de gemeente Sittard opzettelijk [naam slachtoffer] heeft doodgestoken.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het hierboven omschreven feit heeft begaan, op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het strafbare feit dat moet worden gekwalificeerd als volgt:

Doodslag,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van verdachte is door drs. A.F.J.M. Zwegers, psycholoog, en door dr. L.H. Dams, psychiater, een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte ingesteld en van dat onderzoek hebben genoemde psycholoog en psychiater elk een rapport, gedateerd respectievelijk 5 november 2000 en 14 maart 2001, opgemaakt, welke rapporten vermelden -zakelijk weergegeven - als conclusie dat onderzochte ten tijde van het plegen van het haar ten laste gelegde feit lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling harer geestvermogens, dat dit feit - indien bewezen - haar niet kan worden toegerekend.

Het rapport van drs. Zwegers voornoemd houdt daartoe in - zakelijk weergegeven:

Er werd gevraagd om op grond van de onderzoeksgegevens de volgende vragen te beantwoorden:

1. Is de onderzochte lijdende aan een ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en zo ja, hoe is dit in diagnostische zin te omschrijven?

2. Hoe was dit ten tijde van het ten laste gelegde?

3. Beïnvloedde de eventuele ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geest- vermogens onderzochtes gedragskeuzen c.q. zijn gedragingen ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde (zodanig dat het tenlastegelegde daaruit verklaard kan worden)?

4. Zo ja, kan er gemotiveerd aangegeven worden:

a. op welke manier dat geschiedde en

b. in welke mate dat geschiedde?

c. welke conclusie met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid op grond hiervan te adviseren is.

5. Kan er gemotiveerd aangegeven worden in welke mate en op welke wijze de eventuele ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling bij voortbestaan ervan opnieuw aanleiding kan geven tot soortgelijke of andere strafbare feiten als waarvan de onderzochte nu wordt verdacht?

1. De betrokkene is lijdende aan een ziekelijke stoornis èn een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens. Er is sprake van een (vermoedelijk chronisch) psychotisch beeld, alsmede van een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. Bovendien is er sprake van misbruik van heroïne.

2. De ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling bestonden evenzo ten tijde van het tenlastegelegde.

3. De ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling waren van invloed op betrokkenes gedrag ten tijde van het tenlastegelegde, zodanig dat het tenlastegelegde, indien bewezen, daaruit verklaard zou kunnen worden.

4. De ziekelijke stoornis is waarschijnlijk ontstaan vanuit betrokkenes gebrekkige ontwikkeling, mogelijk in samenhang met een bepaalde hersenorganische predispositie en geluxeerd door een verstoring van de stabiliteit in de symbiotische relatie met haar echtgenoot.

Het is aan te nemen dat betrokkenes handelen ten tijde van het tenlastegelegde volledig werd aangestuurd vanuit waandenken en volledig verstoken was van realiteitstoetsing. Van enige wilsvrijheid kon derhalve geen sprake zijn en er is te adviseren om de betrokkene te beschouwen als ontoerekeningsvatbaar.

5. De kans op herhaling lijkt gering, mits de stoornis adequaat behandeld wordt. De betrokkene lijkt goed op medicatie te reageren.

Drs. Zwegers heeft hiertoe ter terechtzitting nader verklaard - zakelijk weergegeven:

Betrokkene lijdt aan een psychotische stoornis (waanstoornis).

Ik heb de waanstoornis zelf bij [verdachte] ervaren. Mijn oordeel is dat de stoornis chronisch is. Dit betekent dat de stoornis wel onderdrukt kan worden, maar niet over gaat.

Het rapport van dr. Dams voornoemd houdt daartoe in - zakelijk weergegeven:

De bevindingen van het psychiatrisch onderzoek naar de persoonlijkheid van [verdachte] zijn neergelegd in een rapport teneinde de navolgende vraagpunten te beantwoorden:

1. Is onderzochte lijdende aan een ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van haar geestesvermogens en zo ja, hoe is dit in diagnostische zin te omschrijven ?

2. Hoe was dit ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde ?

3. Beïnvloedde de eventuele ziekelijke stoomis/gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens onderzochte's gedragskeuzen c.q. haar gedragingen ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde (zodanig dat het tenlastegelegde daaruit verklaard kan worden) ?

4. Zo ja, kan de deskundige dan gemotiveerd aangeven:

a. op welke manier dat geschiedde, en

b. in welke mate dat geschiedde ?

c. welke conclusie met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid op grond hiervan te adviseren is?

1. Onderzochte is lijdende aan een ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van haar geestesvermogens welke in diagnostische zin als volgt omschreven kunnen worden: Betrokkene lijdt aan een psychotische stoornis (waanstoornis), misbruikt heroïne en alcohol en vertoont kenmerken van een persoonlijkheidsstoornis die gekenmerkt wordt door schizoïde en narcistische trekken.

2. Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde waren de kenmerken van hoger vernoemde stoornissen ook aanwezig.

3. De ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens van onderzochte beïnvloedde haar gedragingen ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde in die mate dat het tenlastegelegde volledig vanuit pathologie verantwoord verklaard kan worden.

4. a. Door de aanwezigheid van de psychotische stoornis (waanstoornis) ten tijde van het delict verloor onderzochte volledig het contact met de realiteit. Er was geen sprake meer van realtiteitstoetsing. Het gebruik van 1/4gram heroïne en alcohol de dag voor het plegen van het tenlastegelegde heeft er waarschijnlijk in lichte mate toe bijgedragen dat de reeds bestaande psychotische stoornis luxeerde in grensoverschrijdend gedrag en is als voortkomend uit de psychotische stoornis in de persoonlijkheidsstoornis niet aan onderzochte verwijtbaar. b. Het gebruik van ¼ gram heroïne en alcohol de dag voor het plegen van het haar tenlastegelegde heeft waarschijnlijk een te verwaarlozen rol gespeeld. De stoornis in de persoonlijkheidssstructuur van onderzochte heeft in beperkte mate een rol gespeeld. De psychotische stoornis waaraan onderzochte lijdt, heeft in grote mate een rol gespeeld.

c. Op grond hiervan is, op basis van de factor psychotische stoornis (waanstoornis), een volledige ontoerekeningsvatbaarheid te adviseren.

Dr. Dams heeft daartoe ter terechtzitting nader verklaard:

"Toen ik met [verdachte] sprak was het me duidelijk dat haar waanstoornissen nog aanwezig waren.

[verdachte] was op het moment van het delict helemaal in de ban van de duivel. Zij werd helemaal door de waanstoornis geleid. Deze waanstoornis was voor haar op dat moment de realiteit. Zij was zich op dat moment niet bewust van een "gevecht tussen goed en kwaad". Achteraf heeft zij dat zo geconstrueerd. De twintig minuten dat zij heeft zitten te wachten hebben geleid tot een climax."

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in de rapporten gegeven conclusie en maakt deze mitsdien tot de hare.

De verdachte is derhalve niet strafbaar, zodat zij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De redengeving van de op te leggen maatregel

De deskundigen adviseren de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis te plaatsten voor een termijn van een jaar op de voet van het bepaalde in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht.

De voormelde rapporten van drs. Zwegers en dr. Dams en hun verklaringen ter terechtzitting houden in - zakelijk weergegeven:

- dat de waanstoornis van verdachte chronisch is, dat zij adequaat te behandelen is, doch dat de behandeling tot op heden nog niet is aangevangen;

- dat er van de kant van de verdachte, op dit moment zelfs, nog geen sprake is van enig ziekteïnzicht;

- dat verdachte na de behandeling nazorg nodig heeft op het punt van het innemen van medicatie, het opbouwen van een sociale omgeving en het voorkomen van een terugval in haar verslaving.

Gelet op de inhoud van vorenbedoelde rapporten, de verklaringen van de deskundigen ter terechtzitting en op het beeld dat de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van de verdachte heeft gekregen is de rechtbank van oordeel dat verdachte - op dit moment - een gevaar voor anderen vormt. De rechtbank acht daarom termen aanwezig om het advies van de deskundigen op te volgen.

De rechtbank zal gelasten dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van een jaar.

De rechtbank zal het hierna in de beslissing te noemen voorwerp verbeurd verklaren, nu de verdachte heeft verklaard dat het voorwerp aan haar toebehoorde en ter terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van dat voorwerp is begaan.

De op te leggen straf en maatregel is - behalve op het voormelde artikel - gegrond op de artikelen 33, 33a en 37 van het Wetboek van Strafrecht.

Voorlopige hechtenis

De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht dat de rechtbank de voorlopige hechtenis zal opheffen dan wel schorsen in het geval zij mocht kiezen voor behandeling van verdachte.

Hij heeft hiertoe aangevoerd - zakelijk weergegeven:

Uit de rapporten en de verklaringen ter terechtzitting van de deskundigen blijkt dat het gevaar voor herhaling op korte termijn niet aanwezig is. Zij moet dan weer als het ware in een dergelijke situatie groeien. Dat heeft tijd nodig en die is er niet als zij opgenomen wordt. Ik wil hierbij nadrukkelijk meenemen de omstandigheid dat de verdachte zich reeds vanaf april 2000 in voorlopige hechtenis bevindt.

De rechtbank overweegt dienaangaande:

Ten aanzien van het verzoek tot opheffing is de rechtbank van oordeel dat de verdenking, bezwaren en grond, die tot het bevel tweede verlenging voorlopige hechtenis hebben geleid nog steeds aanwezig zijn. Op grond van hetgeen hierboven ten aanzien van de oplegging van de maatregel is overwogen is de rechtbank van oordeel dat er nog steeds gevaar voor herhaling aanwezig is.

Het verzoek wordt derhalve afgewezen.

Ook het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis zal de rechtbank afwijzen, nu zij daartoe geen termen aanwezig acht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte niet strafbaar;

ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

gelast de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van een jaar;

verstaat dat er naar wordt gestreefd deze plaatsing op zo kort mogelijke termijn te realiseren;

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomene, te weten;

een uitbeenmes, merk VICTORINOX;

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomene, te weten:

drie schriften,

twee schrijfblokken,

twee beschreven A4-vellen,

een beschreven A6-vel,

een vel papier met aantekeningen van verdachte en

een vel papier met aantekeningen van verdachte.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. W.J.J. Beurskens, voorzitter, mrs. W.E. Elzinga en F.A.G.M. Vluggen, rechters, in tegenwoordigheid van J.M.A. Haanen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juni 2001.