Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2001:AB2026

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-02-2001
Datum publicatie
11-06-2001
Zaaknummer
AWB 0/245 AKW Z
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In casu sprake van dringende redenen zodat van terugvordering moet worden afgezien, aangezien het stilzitten van de SVB, ondanks meerdere mededelingen van eiseres, als onzorgvuldig en nalatig bestempeld kan worden.

Eiseres ontving kinderbijslag voor X, de zoon uit het eerste huwelijk van haar echtgenoot. X woont bij zijn moeder in Duitsland. Met terugwerkende kracht is per 1 juli 1997 aan de moeder van X Duitse kinderbijslag toegekend. Van eiseres is per dezelfde datum te veel betaalde kinderbijslag ad fl. 3.597,- teruggevorderd.

Rechtbank: Verweerder heeft blijkens de SVB Beleidsregels 2000 (paragraaf 5.3.2.2) beleid ontwikkeld ten aanzien van verlaging of intrekking met terugwerkende kracht wegens wijziging van de omstandigheden.

Het kan voorkomen dat verlaging of intrekking van een uitkering wegens wijziging van de omstandigheden niet tijdig plaatsvindt, omdat verweerder niet tijdig van de wijziging op de hoogte was of omdat een wijziging, waarvan verweerder wel tijdig op de hoogte was, niet tijdig is verwerkt. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan verweerder besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien (art. 14a.2 AKW). Ook kunnen de abbb, zoals het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, ertoe nopen dat verweerder geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afziet. Verweerder heeft in verband daarmee een aantal beleidsregels vastgelegd.

De rechtbank stelt vast dat deze beleidsregels in casu aan de orde zijn, omdat gewijzigde omstandigheden (X's moeder ontvangt Duitse kinderbijslag) niet tijdig door verweerder zijn verwerkt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn die wijzigingen geheel en al door toedoen van verweerder niet tijdig verwerkt. Vaststaat namelijk dat eiseres jaarlijks verweerders vragenformulieren ingevuld retourneerde met de mededeling niet op de hoogte te zijn van de gezinssituatie in Duitsland en met het verzoek aan verweerder een en ander uit te zoeken; tevens staat vast dat verweerder telkens per kwartaal uitkeerde en dat eiseres verweerder meermalen heeft verzocht onderzoek te verrichten naar de situatie in Duitsland en dat verweerder daarin heeft toegestemd. Tenslotte staat vast dat verweerder pas in 1999 op herhaaldelijk aandringen van eiseres onderzoek heeft verricht naar de thuissituatie van X, waarna bleek dat per 1 juli 1997 geen recht meer op kinderbijslag bestond.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte aangenomen dat er geen sprake is van dringende redenen om van de intrekking per 1 juli 1997 geheel of gedeeltelijk af te zien. En daarmee heeft verweerder ten onrechte ook niet onderzocht of de beleidsregels op dit punt aan de orde zijn. De eerste beleidsregel die verweerder in dit verband heeft geformuleerd, is - voor zover hier van belang - deze: De SVB gaat niet tot herziening met volledig terugwerkende kracht over als de uitkeringsgerechtigde al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen begrijpen dat de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verleend. In een dergelijk geval wordt de uitkering in beginsel zonder terugwerkende kracht herzien.

Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder deze beleidsregel moeten toepassen, omdat voldaan is aan beide voorwaarden. Gelet op bovengenoemd, niet weerlegd en betwist, feitenrelaas kan eiseres niet worden verweten dat zij haar verplichtingen niet of niet goed is nagekomen.

Zij heeft immers de informatie die zij had aan verweerder verstrekt en er bij verweerder steeds op aangedrongen nader onderzoek te verrichten in een, alleen al nu het mede om Europese regelgeving gaat, complexe materie. Het is verweerder die in dezen heeft stilgezeten en door dit stilzitten is het bedrag dat onverschuldigd is betaald, nodeloos opgelopen.

De rechtbank kan niet anders dan dit gedrag als onzorgvuldig en nalatig bestempelen. Dat het om een louter administratieve vergissing zou gaan, daarvan is, gelet op de feiten, geen sprake. Onder deze bijzondere omstandigheden heeft eiseres er dan ook terecht op vertrouwd dat zij steeds recht op kinderbijslag voor X had en kon en hoefde zij niet te begrijpen dat zij geen recht op kinderbijslag had. Intrekking met volledig terugwerkende kracht behoort naar het oordeel van de rechtbank op grond van de eigen beleidsregels van verweerder niet tot de mogelijkheden.

Dit betekent dat er geen grond bestaat voor de intrekking met terugwerkende kracht en de daaraan verbonden terugvordering.

Beroep gegrond.

Sociale Verzekeringsbank, verweerder.

mr. M.C.A.E. van Binnebeke

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 0/245 AKW Z

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

A e/v B te C, eiseres,

en

Sociale Verzekeringsbank -Vestiging Roermond-, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 17 januari 2000.

Kenmerk: 407020152.

Behandeling ter zitting: dinsdag 16 januari 2001.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

In het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder de door gemachtigde van eiseres ingediende bezwaarschriften van 14 oktober 1999 en 2 november 1999 gedeeltelijk gegrond verklaard.

Tegen bovengenoemd besluit heeft eiseres bij schrijven van 22 februari 2000 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij schrijven van 23 maart 2000 een verweerschrift ingediend.

De door verweerder ter voldoening aan artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede voornoemd verweerschrift zijn op 27 maart 2000 in kopie aan eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 16 januari 2001, alwaar de heer B, de echtgenoot van eiseres, als haar gemachtigde is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. K.C.M. van Engelenhoven-Eijkelkamp.

II. OVERWEGINGEN.

II.1. Eiseres ontving kinderbijslag voor X, geboren op […] 1982 uit het eerste huwelijk van haar echtgenoot. X woont bij zijn moeder in Duitsland.

Aan X’s moeder, mevrouw Y, die in Duitsland in loondienst werkzaam is en het thuiswonende kind verzorgt, is met terugwerkende kracht per 1 juli 1997 Duitse kinderbijslag toegekend.

Bij besluit van 7 september 1999 is aan eiseres meegedeeld dat met ingang van 1 juli 1997 geen recht meer op Nederlandse kinderbijslag voor X bestaat, nu is gebleken dat mevrouw Y vanaf deze datum Duitse kinderbijslag voor X heeft genoten en Duitsland in het onderhavige geval op grond van de EG-verordening met voorrang de kinderbijslag moet betalen.

Voorts wordt aangegeven dat eiseres ten gevolge van bovengenoemde wijziging in het recht op kinderbijslag te veel kinderbijslag ad f 3.597,-- heeft ontvangen, welk bedrag in elf maandelijkse termijnen van f 300,-- en één termijn van f 297,-- teruggevorderd zal worden.

Bij besluit van 28 oktober 1999 is voorts meegedeeld dat de ten onrechte betaalde kinderbijslag ad f 3.597,-- op vooromschreven wijze wordt teruggevorderd.

Tegen eerdergenoemde besluiten heeft eiseres bij schrijven van respectievelijk 14 oktober 1999 en 2 november 1999 bezwaarschriften ingediend, waarna op 13 januari 2000 een hoorzitting heeft plaatsgevonden.

Bij het thans bestreden besluit van 17 januari 2000 is het bezwaar ongegrond verklaard met betrekking tot de bezwaren tegen de terugvordering en gegrond ter zake van de bezwaren tegen de terugbetalingsregeling.

In het bestreden besluit heeft verweerder uiteengezet dat

- de Nederlandse kinderbijslag ingaande 1 juli 1997 niet meer tot uitbetaling kan komen, omdat de Duitse kinderbijslag, welke voorrang geniet, hoger is dan de Nederlandse;

- dat er ƒ 3.597,-- ten onrechte aan kinderbijslag is betaald over de periode 1 juli 1997 tot 1 oktober 1998 en dat dit bedrag teruggevorderd dient te worden;

- verweerder bevoegd is geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, bijvoorbeeld wanneer sociale of financiële omstandigheden zich tegen volledige terugvordering verzetten;

- verweerder de door de jurisprudentie ondersteunde lijn hanteert dat met dergelijke omstandigheden pas rekening wordt gehouden bij de beslissing inzake de wijze van terugbetaling;

- het besluit is gebaseerd op de artikelen 14a en 24 van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) alsmede de artikelen 13, 73, 75 en 76 van de EG verordening 1408/71.

In beroep heeft eiseres - kort samengevat - aangevoerd dat zij er steeds op heeft vertrouwd en er ook op mocht vertrouwen dat zij recht op kinderbijslag voor X had. Eiseres, die al jaren Nederlandse kinderbijslag voor X ontvangt, heeft namelijk steeds de jaarlijkse vragenformulieren van verweerder ingevuld en aangegeven niet op de hoogte te zijn van de gezinssituatie van X en zijn moeder, omdat elk contact is verbroken. Steeds is daarbij aan verweerder gevraagd een en ander uit te zoeken, hetgeen van de zijde van verweerder, ondanks toezeggingen, niet is gebeurd. Wel betaalde verweerder elk kwartaal kinderbijslag voor X. Eiseres stelt dat zij er onder die omstandigheden in goed vertrouwen vanuit mocht gaan dat er terecht aanspraak op kinderbijslag voor X bestond.

Eiseres heeft het vragenformulier 1999 op dezelfde manier als andere jaren ingevuld en geretourneerd en heeft verweerder tot drie keer toe gevraagd onderzoek naar de situatie in Duitsland te plegen. Pas toen is verweerder in actie gekomen. Onder deze omstandigheden kinderbijslag vanaf 1997 terugvorderen is, zo stelt eiseres, zonder meer onbehoorlijk bestuur te noemen, hetgeen tijdens de hoorzitting met zoveel woorden door een medewerker van verweerder is toegegeven.

In het verweerschrift is - kort samengevat - aangevoerd dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden geen dringende reden vormen om van de wettelijke verplichting tot terugvordering af te zien.

II.2. De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of verweerder het bestreden besluit terecht en op goede gronden heeft genomen.

De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat verweerder over de periode van 1 juli 1997 tot 1 oktober 1998 ƒ 3.597,-- te veel aan kinderbijslag aan eiseres heeft uitbetaald, omdat de vanaf 1 juli 1997 uitbetaalde Duitse kinderbijslag, gelet op de toepasselijke regelgeving, bij voorrang op de Nederlandse kinderbijslag dient te worden uitbetaald.

De rechtbank stelt voorts vast dat het in het onderhavige geval gaat om de intrekking van een uitkering ingevolge de AKW met terugwerkende kracht en een daaraan gekoppelde terugvordering van hetgeen onverschuldigd is betaald.

Het geschil spitst zich naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de standpunten van partijen zoals neergelegd in het dossier en ter zitting behandeld, toe op de vraag of verweerder heeft kunnen overgaan tot intrekking met terugwerkende kracht en aansluitende terugvordering. Volgens eiseres mag verweerder dat niet, omdat, zo begrijpt de rechtbank eiseresses stelling, verweerder het vertrouwensbeginsel heeft geschonden door steeds kinderbijslag te betalen zonder onderzoek te doen naar de gezinssituatie in Duitsland en pas in 1999, en ook nog eens op duidelijk aandringen zijdens eiseres, over te gaan tot dat onderzoek.

Verweerder stelt zich daarentegen op het standpunt dat er vanaf 1 juli 1997 geen recht meer op kinderbijslag bestaat, dat er, gelet op het bepaalde in artikel 24 van de AKW, een verplichting tot terugvordering bestaat en dat slechts van terugvordering kan worden afgezien in geval van dringende redenen. Daarvan is slechts sprake in zeer uitzonderlijke situaties, welke zich hier niet voordoen. Met bijzondere sociale of financiële situaties kan wel rekening worden gehouden bij de invordering, maar die kwestie is hier niet aan de orde.

De rechtbank kan zich niet verenigen met dit standpunt van verweerder en overweegt daartoe het volgende.

Verweerder heeft blijkens de SVB Beleidsregels 2000 (paragraaf 5.3.2.2) beleid ontwikkeld ten aanzien van verlaging of intrekking met terugwerkende kracht wegens wijziging van de omstandigheden. Het kan voorkomen dat verlaging of intrekking van een uitkering wegens wijziging van de omstandigheden niet tijdig plaatsvindt, omdat verweerder niet tijdig van de wijziging op de hoogte was of omdat een wijziging, waarvan verweerder wel tijdig op de hoogte was, niet tijdig is verwerkt. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan verweerder besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien (artikel 14a, tweede lid, van de AKW). Ook kunnen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, ertoe nopen dat verweerder geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afziet. Verweerder heeft in verband daarmee een aantal beleidsregels vastgelegd.

De rechtbank stelt vast dat deze beleidsregels in casu aan de orde zijn, omdat gewijzigde omstandigheden (X’s moeder ontvangt Duitse kinderbijslag) niet tijdig door verweerder zijn verwerkt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn die wijzigingen geheel en al door toedoen van verweerder niet tijdig verwerkt. Als niet betwist en weerlegd staat naar het oordeel van de rechtbank namelijk vast

- dat eiseres jaarlijks de vragenformulieren van verweerder ingevuld retourneerde met de mededeling niet op de hoogte te zijn van de gezinssituatie in Duitsland en met het verzoek aan verweerder een en ander uit te zoeken,

- dat verweerder telkens per kwartaal kinderbijslag uitkeerde,

- dat eiseres verweerder meermalen heeft verzocht genoemd onderzoek te verrichten en dat verweerder daarin heeft toegestemd,

- dat verweerder pas in 1999 op herhaaldelijk aandringen van eiseres onderzoek heeft verricht naar de thuissituatie van X, waarna bleek dat er vanaf 1 juli 1997 geen recht meer op kinderbijslag bestond.

Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte aangenomen dat er geen sprake is van dringende redenen om van de intrekking per 1 juli 1997 geheel of gedeeltelijk af te zien. En daarmee heeft verweerder ten onrechte ook niet onderzocht of de beleidsregels op dit punt aan de orde zijn.

De eerste beleidsregel die verweerder in dit verband heeft geformuleerd, is - voor zover hier van belang - deze:

De SVB gaat niet tot herziening met volledig terugwerkende kracht over als de uitkeringsgerechtigde al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen begrijpen dat de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verleend. In een dergelijk geval wordt de uitkering in beginsel zonder terugwerkende kracht herzien.

Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder deze beleidsregel moeten toepassen, omdat voldaan is aan beide voorwaarden. Gelet op bovengenoemd, niet weerlegd en betwist, feitenrelaas kan eiseres niet worden verweten dat zij haar verplichtingen niet of niet goed is nagekomen. Zij heeft immers de informatie die zij had aan verweerder verstrekt en er bij verweerder steeds op aangedrongen nader onderzoek te verrichten in een, alleen al nu het mede om Europese regelgeving gaat, complexe materie. Het is verweerder die in dezen heeft stilgezeten en door dit stilzitten is het bedrag dat onverschuldigd is betaald, nodeloos opgelopen. De rechtbank kan niet anders dan dit gedrag als onzorgvuldig en nalatig bestempelen. Dat het om een louter administratieve vergissing zou gaan, daarvan is, gelet op de feiten, geen sprake. Onder deze bijzondere omstandigheden heeft eiseres er dan ook terecht op vertrouwd dat zij steeds recht op kinderbijslag voor X had en kon en hoefde zij niet te begrijpen dat zij geen recht op kinderbijslag had. Intrekking met volledig terugwerkende kracht behoort naar het oordeel van de rechtbank op grond van de eigen beleidsregels van verweerder niet tot de mogelijkheden. Dit betekent dat er geen grond bestaat voor de intrekking met terugwerkende kracht en de daaraan verbonden terugvordering. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren. Omdat, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, het geconstateerde niet kan worden geheeld in een eventueel opnieuw te nemen beslissing op bezwaar, zal de rechtbank volstaan met vernietiging van het bestreden besluit en voorts, gebruikmakend van de haar in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid, doen wat verweerder had behoren te doen en de primaire besluiten van 7 september 1999 en 28 oktober 1999 herroepen.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. herroept de besluiten van 7 september 1999 en 28 oktober 1999;

3. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van ƒ 60,-- wordt vergoed door verweerder.

Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Kavelaars als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2001 door mr. Van Binnebeke voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. C. Kavelaars w.g. M.C. van Binnebeke

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 20 februari 2001

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de President van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.