Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2001:AB0397

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
22-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
62876 + 63613
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Maastricht

ONDERTOEZICHTSTELLING

Zaaknrs. 62876 en 63613

Datum uitspraak 22 februari 2001

BESCHIKKING

Van de kinderrechter in bovenvermelde rechtbank, gegeven in de zaak met betrekking tot de minderjarige:

[K.], geboren te [G.] in 1984,

kind van:

[X.],

wonende te [S.], en

[Z.],

wonende te [G.].

1. Het verloop van de procedure:

De Stichting Welzijns- en Gezondheidszorg, Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening, nader de AJL, van het Leger des Heils, heeft bij een verzoekschrift dat op 17 januari 2001 ter griffie van de rechtbank is ingekomen verzocht om de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van [K.], ingaande 23 februari 2001 voor de termijn van een jaar.

De verlenging van de machtiging uithuisplaatsing is verzocht voor plaatsing in een voorziening voor begeleide kamerbewoning en/of bij de stichting [OH.] te E.

Bij dit verzoek zijn overgelegd:

een evaluatierapport gezinsvoogdij dd. 11 januari 2001;

een hulpverleningsplan dd. april 2000;

een hulpverleningsplan dd. 14 december 2000;

een lijst van belanghebbenden;

de vervolgbeschikking op enige eerdere beschikking van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch nr. R 9900111 KvB van 23 februari 2000.

Op 13 februari 2001 is ter griffie ingekomen een aan de gezinsvoogd gerichte brief van de vader van [K.].

Zijdens de “Stichting ‘[OH.]”, is op 15 februari 2001 een brief met bijlage ter griffie ingekomen waarbij mevrouw [V.] de kinderrechter verzoekt te onderzoeken of zij als belanghebbende in de onderhavige zaak dient te worden aangemerkt.

Tenslotte is nog een fax van mevr. [V.] ter griffie ingekomen, kennelijk ter kennisname van de kinderrechter, inhoudende de kopie van een brief dd. 11 januari 2001 aan de AJL.

Voorts is ter mondelinge behandeling door mevr. [V.] een brief van [K.] overhandigd waarin zij haar mening geeft met betrekking tot het door de AJL en door mevr. [V.] verzochte. Deze brief was reeds per fax op 21 februari 2001 ter griffie ingekomen.

Ambtshalve heeft de kinderrechter kennis genomen van de beschikking van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch welke is voorafgegaan aan de beschikking die de AJL heeft overgelegd, alsmede aan de beschikking van de kinderrechter dd. 15 december 1998 die heeft geleid tot de beide hofbeschikkingen.

Op 22 februari 2001 heeft de Kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

2. Beoordeling:

2.1

De kinderrechter wenst allereerst op te merken dat de hierna aan de orde komende verzoeken van de AJL ruimschoots later zijn ingediend dan in het convenant dat met betrekking tot de behandel-termijnen na de OTS-wetswijziging van 1995 is gesloten en dat heeft geleid tot de instructies opgenomen in de bijlage bij de brief van 7 december 1995 van de Stichting VEDIVO aan de leden van haar algemeen bestuur.

Gelet op het belang van [K.] zal de kinderrechter de onderhavige verzoeken desondanks ontvanke-lijk verklaren.

2.2

De kinderrechter zal allereerst beoordelen of mevr. [V.] in de onderhavige zaak als belanghebbende dient te worden aangemerkt of niet.

De AJL heeft daartegen bezwaar gemaakt bij monde van de gezinsvoogd de heer [Y.].

Hij voert aan dat mevr. [V.] niet door de AJL is gescreend als pleegmoeder en dientengevolge ook niet als zodanig wordt erkend en dat er een of enkele (andere) conflicten bestaan tussen mevr. [V.] en de AJL. Voorts verwijst hij naar de conflictueuze relatie die de voormalige Stichting voor Jeugd-bescherming en Jeugdhulpverlening in Limburg met mevr. [V.] heeft gehad en deelt mede dat de AJL in Limburg niet zou optreden als Voorziening voor Pleegzorg.

Mevr. [V.] heeft onbestreden aangegeven dat [K.] al sinds 30 juni 1997 in haar gezin woont en dat zij heel wat met haar te stellen heeft gehad. Het zou nu goed gaan met het bijna zeventienjarige meisje. Mevr. [V.] geeft er de voorkeur aan als pleegmoeder voor het kind te fungeren; zij stelt bovendien geen kamerverhuurbedrijf te hebben.

In haar eigen brief bevestigt [K.] dat zij bijna vier jaar bij mevr. [V.] woont en dat zij verlenging van de ondertoezichtstelling wenst, zodat zij “wat vastigheid” heeft voor als er iets mis zou gaan; wel verzoekt zij een andere gezinsvoogd dan de heer [Y.].

Uit de brief van de vader van [K.], die evenals [K.]s moeder bekleed is met het ouderlijk gezag, aan de gezinsvoogd blijkt dat hij wegens gezondheidsredenen niet ter mondelinge behandeling aanwezig kan zijn, dat hij zijn dochter niet als kamerbewoonster maar als pleegdochter ten huize van mevr. [V.] wenst omdat [K.] er goed is ingeburgerd en hij constateert dat het kind, wellicht met uitzondering van haar schoolprestaties, goed functioneert.

Zijdens [K.]s moeder heeft de kinderrechter geen reactie ontvangen.

Al het vorenstaand in onderling verband overziende is de kinderrechter van oordeel dat mevr. [V.], gelet op het bepaalde in artikel 798 eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient te worden beschouwd als belanghebbende, temeer nu, gelet op het bepaalde in artikel 8, eerste lid van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gelezen in verband met het bepaalde in artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, het in het belang van [K.] is dat haar jarenlange relatie met mevr. [V.] wordt erkend als een pleegkind - pleegouderrelatie waaraan de pedagogische sturing van [K.] door mevr. [V.] inherent is. Dit schept reeds jaren een aantal rechten en plichten, als bedoeld in het aangehaalde artikel van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De kinderrechter verwijst daarbij, wellicht ten overvloede, nog naar de beide beschikkingen van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch, waarin ruim dertig keer mevr. [V.] als “pleegmoeder” wordt aangeduid en waarin zij - kennelijk wegens haar kwaliteit als “belanghebbende” - als appellante conform artikel 806 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ontvangen is in haar beroep tegen de beschikking van de kinderrechter te Maastricht d.d. 15 december 1998, zaaknr. 44157.

Overigens is het zijn van pleegouder afhankelijk van de relatie met het (pleeg-)kind en niet van enige screening, terwijl conflicten tussen een pleegouder en een gezinsvoogdij-instelling c.q. voorziening van pleegzorg niet de aard van de relatie tussen pleegouder en pleegkind kunnen veranderen.

2.3

De verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling van [K.] is niet bestreden en kan dus zonder meer worden toegewezen.

De kinderrechter merkt hierbij wel op dat hem uit de beschikkingen van het gerechtshof is gebleken dat de eerste ondertoezichtstelling door dit hof is verleend, waarbij de weigering van de, inmiddels voormalige, Stichting voor Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening in Limburg een eventuele ondertoezichtstelling uit te voeren het hof noopte ervoor te kiezen ambtshalve een andere dan de door de Raad voor de Kinderbescherming bedoelde gezinsvoogdij-instelling aan te wijzen.

Merkwaardig is daarbij dat de voormalige stichting, ondanks de reeds jaren bestaande ontvlechting van gezinsvoogdij en pleegzorg, de uitvoering van een ondertoezichtstelling niet wenst te doen omdat er problemen zouden zijn met betrekking tot de plaatsing van een kind in een pleeggezinsituatie.

Gelet op de gevolgen van de wetswijziging terzake van 1995 kan de Kinderrechter het verzoek van [K.] om een andere gezinsvoogd niet toewijzen. De huidige gezinsvoogd zal [K.] met betrekking tot dit verzoek verder moeten helpen.

2.4

De kinderrechter zal thans de bij verzoekschrift van 17 januari 2001 verzochte verlenging machtiging uithuisplaatsing beoordelen.

Hij merkt allereerst op dat de AJL geen (eerdere) machtiging uithuisplaatsing heeft overgelegd, zodat ervan moet worden uitgegaan dat deze er niet is.

Deze visie wordt bevestigd door een eerst op 13 februari 2001 ter griffie ingekomen verzoek van de AJL om een machtiging uithuisplaatsing te verlenen met ingang van 13 februari 2001 tot de expiratie-datum - 23 februari 2001 - van [K.]s ondertoezichtstelling ten behoeve van plaatsing “in een voorziening voor kamerbewoning bij de Stichting [OH.] en/of mevr. [V.]” en die machtiging uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Het verlengingsverzoek van 17 januari 2001 terzake zou, in beginsel, dan ook niet kunnen worden toegewezen.

De kinderrechter verwijst echter ook in dit kader opnieuw nadrukkelijk naar de eerder genoemde verdragsbepalingen, en met name naar artikel 3 van het Verdrag van New York, op grond waarvan hij het in het absolute belang van [K.] oordeelt dat haar woon- en leefsituatie zoveel mogelijk onveranderd blijft voortbestaan, en dat eventuele conflicten tussen gezinsvoogdij en pleegmoeder [K.]s bestaan zo min mogelijk beïnvloeden.

De kinderrechter zal daarom de door de AJL op 17 januari 2001 verzochte verlenging machtiging uithuisplaatsing beschouwen als éérste verzoek om een machtiging en het per 13 februari 2001 ingediende eerste verzoek om een machtiging als verzoek om verlénging van een machtiging uithuisplaatsing.

Voorts overweegt de kinderrechter dat het primair verzochte namelijk een machtiging uithuisplaatsing van de zeventienjarige [K.] in de Stichting [OH.] welke een “Rusthuis” is, zonder dat de AJL daarvoor gegronde redenen heeft aangevoerd, dient te worden afgewezen als onvoldoende onderbouwd.

Met betrekking tot het subsidiair verzochte, namelijk een machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor kamerbewoning bij mevr. [V.], dient ook te worden afgewezen nu mevr. [V.], expliciet aangevend dat zij geen kamerverhuurbedrijf heeft, daarmee niet kan instemmen. Ook de vader van [K.] blijkt hiermee niet akkoord te kunnen gaan.

Het meer subsidiair verzochte, namelijk een machtiging uithuisplaatsing bij mevr. [V.], kan en dient echter te worden toegewezen ondanks de tegenwerpingen van de AJL dat daarmee geen kamerbewoning mogelijk wordt.

Juist dit kamerbewoningsaspect kan naar het oordeel van de kinderrechter in casu niet worden toegewezen.

[K.] is immers een autoriteitsgevoelige jongedame met een sterke persoonlijkheid en zij zou ernstig en negatief beïnvloed kunnen worden door een beslissing van de kinderrechter waarbij haar pleeg-moeder, mevr. [V.], gedegradeerd zou worden tot hospita.

[K.] zal bovendien heel goed kunnen beseffen dat haar veilige woonplek alsnog in gevaar kan komen tengevolge van de mogelijkheid die daardoor de AJL geboden wordt het kennelijk nog te sluiten kamerhuurcontract alsnog niet te sluiten of na sluiting weer op te zeggen.

Nu [K.] al circa vier jaar deel uitmaakt van het gezin van mevr. [V.] kan het belang van het kind er niet mee gediend zijn haar terzake daarvan enige onzekerheid aan te reiken. Administratieve noch technische problemen of conflicten rechtvaardigen in de ogen van de kinderrechter deze jeugdige de bescherming te onthouden waarop zij recht heeft en die de AJL haar behoort te bieden, nu inmiddels tussen [K.] en het gezin van mevr. [V.] en mevr. [V.] een band is ontstaan die als “family life” in de zin van artikel 8 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden moet worden aangemerkt. Zowel [K.] als mevr. [V.] hebben er in casu recht op dat de hier bedoelde band gerespecteerd wordt, ook door de AJL.

Aan deze plaatsing zijn kosten verbonden, in welke kosten de ouders dienen bij te dragen, konform het Besluit Justitiële Kinderbescherming en Vrijwillige Jeugdhulpverlening, tenzij op een andere wijze in de kosten wordt voorzien.

Tenslotte merkt de kinderrechter nog op dat eventuele conflicten tussen de AJL en de pleegmoeder in de onderhavige zaak niet door de AJL aan de orde kunnen worden gesteld door enkele mededeling daaromtrent door de gezinsvoogd tijdens de mondelinge behandeling. De kinderrechter kan en zal daarover dan ook geen beslissing nemen nu terzake geen op de wet gebaseerde verzoeken voorliggen.

3. Beslissing:

Verstaat dat mevr. [V.] in de onderhavige zaak belanghebbende is.

Verleend de AJL machtiging tot uithuisplaatsing van [K.] ten huize van mevrouw [V.], te E. met ingang van 17 januari 2001 tot en met 22 februari 2001.

Verlengt de ondertoezichtstelling van [K.] met ingang van 23 februari 2001 onder gelijktijdige aanwijzing van de AJL als gezinsvoogdij-instelling voor de tijd van een jaar.

Verlengt de machtiging uithuisplaatsing van [K.] ten huize van mevrouw [V.], te E. met ingang van 23 februari 2001 voor de tijd van een jaar.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.T.M. Bröcker, kinderrechter, en in het openbaar op

22 februari 2001 uitgesproken in tegenwoordigheid van L.M.H. Beckers als griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een procureur (advocaat) - hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de Griffier) is verstrekt of verzonden, binnen twee maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen twee maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden.