Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2001:AB0396

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 01/155 WET en AWB 01/156 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT

PROCES-VERBAAL van de met toepassing van artikel 8:67 juncto artikel 8:84, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedane MONDELINGE UITSPRAAK van de president van de rechtbank, sector bestuursrecht, in het openbaar uitgesproken te Maastricht op 2 februari 2001, in de zaak met registratienummer AWB 01/155 WET en AWB 01/156 WET van

Air Foyle Ltd, gevestigd te Luton (Engeland), verzoekster

en

de Directeur-generaal van de Rijksluchtvaartdienst, gevestigd te Schiphol, verweerder.

Namens verzoekster is verschenen de heer B. Bird, bijgestaan door mr. F.G. Vreede, advocaat te Amsterdam. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag.

De zaak is gevoegd behandeld met het verzoek om een voorlopige voorziening van de NV Luchthaven Maastricht jegens verweerder. Gelijktijdig is aan de orde geweest het kort geding (civiele procedure) van verzoekster als eiseres tegen de Staat der Nederlanden, het zelfstandig bestuursorgaan Luchtverkeersleiding Nederland en de NV Luchthaven Maastricht.

De gedingstukken van deze zaken zijn ad informandum over en weer in de verschillende zaken als ingelast beschouwd.

Tegenwoordig zijn:

als president: mr. A.G.M. Jansberg

als griffier: mr. D.H.J. Laeven.

Nadat de gemachtigde van verzoekster in de gelegenheid is gesteld het standpunt van verzoekster nader toe te lichten, heeft de president het onderzoek ter zitting gesloten en onder de mededeling dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat, heeft hij onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Vervolgens zijn door respectieve partijen - met volledige instemming van partijen - de overige zaken ingetrokken onder volledige compensatie van alle kosten.

Met in achtneming van het bepaalde in de artikelen 8:67 juncto 8:84 van de Awb heeft hij als volgt beslist.

I. BESLISSING.

Wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en heft het verbod zoals bedoeld in het besluit van 1 februari 2001 van de Directeur-generaal van de Rijksluchtvaartdienst - waaronder begrepen het nagenoeg identiek luidende besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat, ter bevestiging ervan, van eveneens 1 februari 2001 - op tot 6 februari 2001.

II. DE GRONDEN.

Ten aanzien van de relatieve competentie van de president van de rechtbank:

In de Memorie van Toelichting (PG Awb II, p. 506) bij artikel 8:81 van de Awb wordt in geval van voorlopige voorzieningen de bevoegdheid van de president afgeleid van de bevoegdheid van het rechterlijk college dat in eerste aanleg bevoegd is om van de zaak kennis te nemen.

Verzoekster is een niet in Nederland gevestigde rechtspersoon. Ingevolge artikel 8:7, tweede lid, tweede volzin, van de Awb is dan de rechtbank bevoegd binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft. In het geval van verzoekster zou dit de rechtbank van Haarlem zijn, aangezien verweerder zetel heeft binnen dit arrondissement.

Artikel 8:8 van de Awb geeft vervolgens een regeling voor relatieve competentie indien beroep bij meerdere rechtbanken tot de mogelijkheden behoort. Het eerste lid van voornoemd artikel geeft als basisregel dat de rechtbank die als eerste geadieerd is, beide beroepen aan zich trekt.

Nu in het onderhavige geval reeds eerder door NV Luchthaven Maastricht - gevestigd binnen het rechtsgebied van deze rechtbank - een voorziening is aangevraagd tegen hetzelfde besluit, is de president van oordeel dat hij op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de Awb, bevoegd kan worden in de hoofdzaak, waarmee ook de bevoegdheid van de president is gegeven.

Ten aanzien van de inhoud van het geschil:

Uit de voorhanden zijnde gedingstukken en het verhandelde ter zitting, is de president gebleken dat de dubbele registratie van het vliegtuig wordt veroorzaakt door een geschil over de eigendom van de Antonov AN 124-100.

Naar Nederlands recht staat vast dat verzoekster eigenaar is, nu ze gekocht heeft op een openbare veiling die door de rechter is goedgekeurd, omdat niemand - ook de pretense Russische eigenaar - de kosten van de bewaring wilde voldoen.

Uit het Verdrag van Chicago (1944) blijkt dat de eigenaar van een vliegtuig kan laten registreren, hetgeen betekent dat het aan verzoekster toekomt om bedoeld vliegtuig te laten registreren.

In de Russische Federatie staat de Antonov AN 124-100 op naam van een andere pretense eigenaar en uit de ter zitting overgelegde stukken blijkt dat “the Director Department of State oversight On flight safety” zich op het standpunt stelt dat het aan de aldaar geregistreerde eigenaar is om te bepalen of de Antonov AN 124-100 uit het Russische register wordt uitgeschreven. Nu die eigenaar in de Russische Federatie weigert te de-registreren, kan daar door verzoekster het litigieuze vliegtuig niet worden ingeschreven en evenmin worden overgeschreven. Daarbij is ter zitting onbestreden naar voren gebracht dat verzoekster tevergeefs heeft getracht het vliegtuig aldaar te laten registreren.

In de visie van de president is het verbod van dubbele registratie niet gegeven ter bescherming van eigendomsrechten en kan in redelijkheid in het onderhavige geval de thans door verzoekster gedane registratie niet anders worden gezien als een overschrijving als bedoeld in artikel 19 van het Verdrag van Chicago, waarbij in aanmerking wordt genomen dat de Oekraïne, waar het toestel thans staat geregistreerd, eveneens aan het Verdrag van Chicago is verbonden en gehouden.

Gelet op hetgeen hiervoor overwogen is en gelet op de betrokken belangen, is de president van oordeel dat tot toewijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening moet worden overgegaan, terwijl ook aan de andere overige vereisten - ook naar de mening van partijen - voldaan is.

Waarvan door de griffier is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de president en door de griffier is ondertekend.

w.g. D. Laeven wg. A.G.M. Jansberg

Voor eensluidend afschrift:

De griffier,

verzonden op:

15 februari 2001