Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2001:AB0179

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
03-005502-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 03/005502-00

Datum uitspraak: 20 februari 2001

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT

VONNIS

op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte],

wonende te [woonplaats verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “Overmaze” te Maastricht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 februari 2001.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 5 augustus 2000 in Hoensbroek, gemeente Heerlen, opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een of meerdere malen met een vuurwapen voornoemde [naam slachtoffer] in en/of door het hoofd en/of de borst geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden.

De geldigheid van de dagvaarding

Ter terechtzitting is door de raadsman betoogd, dat de dagvaarding nietig is, inzoverre naast het delikt van moord tevens wordt beoogd het delikt van doodslag ten laste te leggen.

De raadsman heeft daartoe gesteld, dat uit de tekst van de tenlastelegging niet blijkt, dat de verdachte door het uitbrengen van de onderhavige dagvaarding subsidiar wordt vervolgd wegens de verdenking het delikt van doodslag te hebben begaan.

De raadsman heeft bovendat verwezen naar de in de dagvaarding opgenomen aanduiding van het wettelijk voorschrift, waarbij het feit is strafbaar gesteld; in de dagvaarding is niet opgenomen artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Het in artikel 289 van het WvSr omschreven delikt moord behelst dezelfde bestanddelen als het in artikel 287 WvSr omschreven delikt doodslag, zij het dat voor een veroordeling terzake van moord daarenboven nog als vereiste is gesteld, dat komt vast te staan, dat de doodslag is gepleegd ‘met voorbedachten rade’.

In de verhouding tussen deze delikten staat het daarom in beginsel vrij te veroordelen voor het mindere, waar het meerdere is tenlastegelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de wet zelf, noch uit de geschiedenis van de totstandkoming daarvan worden afgeleid, dat deze vrijheid niet bestaat waar dat mindere niet tot uitdrukking is gebracht in de aanduiding van het wettelijk voorschrift, waarbij het feit strafbaar is gesteld.

Geheel in overeenstemming met het voorgaande is door de officier van justitie, direkt na het voordragen van de telastelegging, ter terechtzitting medegedeeld, dat het telastegelegde tevens ziet op het delikt van doodslag, namelijk indien het in de telastelegging opgenomen ‘kalm beraad en rustig overleg’ niet bewezen zal blijken te zijn.

Aldus is het niet goed denkbaar dat omtrent het telastegelegde de door de raadsman bedoelde twijfel zou kunnen voortbestaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 5 augustus 2000 in Hoensbroek, gemeente Heerlen, opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meerdere malen met een vuurwapen voornoemde [naam slachtoffer] in of door het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden.

Partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd.

Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het hierboven omschreven feit heeft begaan, op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit dat als volgt moet worden gekwalificeerd:

doodslag,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft aangevoerd, dat de verdachte heeft gehandeld door overmacht, zoals dat is te begrijpen in artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht en geconcludeerd, dat de verdachte op grond daarvan niet strafbaar is.

De raadsman heeft dat beroep op overmacht gemotiveerd door ondermeer te verwijzen naar de inhoud van de rapporten, opgesteld door de gedragsdeskundigen.

Dat betreft enerzijds het rapport van de forensisch psychiatrische observatiekliniek ‘Pieter Baan Centrum’, opgesteld door onder anderen H.E.W. Koornstra, psycholoog, A.A.R. de Kom, psychiater, en M.D. van Ekeren, psychiater, en anderzijds een rapport van Drs. B.N.V. Hoogeveen naar aanleiding van zijn op verzoek van de verdachte door hem ingesteld onderzoek.

De rechtbank deelt de voormelde zienswijze van de raadsman.

De rechtbank doet dit oordeel steunen op het navolgende:

Onder het kopje ‘Huwelijk en gezinsleven’ wordt door G.J. Ploeg, maatschappelijk werkster, in de milieurapportage van het PBC een beschrijving gegeven van het leven in het gezin, waartoe de verdachte behoort.

Gelet op de inhoud van de verklaringen van diverse door de politie in het vooronderzoek gehoorde getuigen, moet worden aangenomen, dat deze beschrijving aansluit bij de werkelijkheid.

Uit deze beschrijving blijkt, dat de verdachte is opgegroeid in een gezin waar de vader, vermoedelijk mede onder invloed van een psychiatrische stoornis, vanaf verdachtes vroegste jeugd zich agressief heeft gedragen.

Deze agressie, zowel verbaal als ook fysiek van karakter, nam mettertijd in intensiteit toe.

Met name in het jaar voorafgaande aan het telastegelegde nam de agressie, kennelijk mede als gevolg van toegenomen alcohol en cocaïne consumptie, ernstig toe.

Of de vader agressief zou worden liet zich niet gemakkelijk voorzien.

Weliswaar was deze agressie in het bijzonder gericht jegens zijn vrouw, doch verdachte is daarvan niet zelden getuige geweest.

De vader was -naar algemeen bekend- reeds jaren in het bezit van vuurwapens en munitie waarmee hij reeds meerdere malen, in het bijzijn van de verdachte, zijn vrouw bedreigde.

Verdachtes moeder heeft meerder pogingen ondernomen tot een scheiding te komen, doch na ernstige bedreigingen door haar echtgenoot heeft zij telkens deze pogingen moeten staken.

De moeder voelde zich tegenover de agressie van haar echtgenoot niet gesteund door de politie en ondermeer daardoor tegenover haar echtgenoot volledig machteloos.

Steun zocht de moeder vervolgens bij haar zoons, met name bij verdachte.

In diens rapportage wordt door M.D. van Ekeren, naar het oordeel van de rechtbank terecht, deze gezinssituatie gekenschetst als extreem pathologisch en traumatiserend, waar deze immers in toenemende mate beheerst werd door de onvoorspelbare en vrijwel dagelijks aanwezige agressie van verdachtes vader.

Gelet op deze gezinssituatie, de inhoud van de verklaringen van de diverse in het vooronderzoek door de politie gehoorde getuigen en de inhoud van de verklaring van de verdachte acht de rechtbank zondermeer aannemelijk, dat verdachte bij het verlaten van het cafe, genaamd [S.], op 5 augustus 2000 boos was op diens vader.

Deze boosheid is immers verklaarbaar tegen de achtergrond van de hiervoor geschetste positie van de vader in het gezin en de voorafgaande mishandeling en bedreiging van de moeder, welke door het publiek karakter daarvan tevens een vernedering voor haar moet zijn geweest.

Aannemelijk is voorts, dat de verdachte angst had om bij thuiskomst slachtoffer of getuige te zullen zijn van een nieuwe geweldsuitbarsting van zijn vader en dat deze angst in regelrechte paniek is omgeslagen toen vervolgens bleek, dat zijn vader -hoewel kennelijk slapende- met een onmiddellijk schotgereed pistool in zijn hand in bed lag.

Twijfels aan het waarheidsgehalte van de verklaringen van verdachte en de getuige M.M.F. van Raukema zijn er niet zodat de rechtbank, voor wat betreft de vaststelling van het verdere verloop van de gebeurtenissen, zich kan baseren op die verklaringen.

Uit deze verklaringen blijkt, dat verdachtes moeder het pistool uit de hand van haar echtgenoot heeft genomen en vervolgens heeft afgegeven aan de verdachte.

Voorts blijkt uit deze verklaringen, dat zich van zowel van de verdachte en diens moeder een zekere radeloosheid meester maakte: de verdachte en zijn moeder begeven zich onmiddellijk naar de benedenverdieping van de woning; verdachte constateert, dat het wapen voor direkt gebruik gereed was waarna zijn moeder een poging doet enkele, uit dit wapen afkomstige patronen, te verbergen.

De verdachte heeft verklaard, dat het naar zijn idee zinloos was om het wapen te verbergen; naar hij meende beschikte zijn vader over andere wapens en zou bewustheid bij zijn vader, dat dit wapen verdwenen zou zijn enkel de woede van zijn vader tot gevolg hebben gehad.

Na de constatering, dat het pistool onmiddellijk schotgereed was heeft de verdachte zich opnieuw naar de slaapkamer van zijn vader begeven -naar zijn zeggen- om te controleren of zijn vader niet inmiddels was wakker geworden.

Daar ziet verdachte, dat zijn vader dan inmiddels wakker wordt en hem aankijkt, waarna vervolgens de verdachte de fatale schoten afvuurt.

Door M.D. van Ekeren is in diens rapport gesteld, dat de extreme angsttoestand, waarin de verdachte op dat moment moet hebben verkeerd, hem heeft gebracht in een toestand van depersonalisatie door een vernauwing van het bewustzijn waarin uitsluitend nog de angst, opgeroepen door de doodsdreiging van vader, kon worden waargenomen.

Volgens Van Ekeren is door de verdachte in deze situatie niet meer bewust gehandeld doordat de door adrenaline gestuurde angstreactie, gericht op overleven, de loop der dingen heeft bepaald.

H.E.W. Koornstra komt in soortgelijke bewoordingen tot een overeenkomstige conclusie terwijl B.N.V. Hoogeveen de angststoornis, waarvan de kenmerken bij de verdachte op het moment dat Hoogeveen zijn onderzoek deed nog voor hem waarneembaar waren, op het moment van diens fatale handelen, duidt als een paniekstoornis met een kortdurende doorbraak van agitatie.

Deze conclusies komen overeen met de ervaringen van de verdachte; door hem werd immers verklaard, dat hij op het moment van het fatale handelen angst ervoer, in zodanige mate, zoals hij dat nog nooit eerder had ervaren.

De rechtbank onderstreept, dat de afloop van de gebeurtenissen in die fatale nacht van de 5de augustus 2000, waarbij een persoon het leven heeft verloren, ernstig valt te betreuren.

De rechtbank constateert, dat de verdachte deze afloop eveneens in ernstige mate betreurt.

Aldus is het handelen door de verdachte niet goed anders te begrijpen, dan langs de lijnen welke door de rapporterende deskundigen daarvoor zijn gegeven en waaruit blijkt, dat er voor de verdachte -gelet op de instinctmatigheid waarmede dat heeft plaats gevonden- een bewuste keuze voor een alternatieve handelwijze kennelijk niet meer openstond.

Naar het oordeel van de rechtbank moet het handelen van de verdachte aldus worden begrepen, dat hij daartoe door overmacht, in dit geval in psychische zin, is gedrongen.

Gelet op het bepaalde in artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht is de verdachte om die reden niet strafbaar.

De verdachte zal daarom van alle rechtsvervolging moeten worden ontslagen.

BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart verdachte deswege niet strafbaar en ontslaat hem dientengevolge van alle rechtsvervolging;

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

1) 1 cassetteband, TDK D60, (geluidsopnamen meldkamer);

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. F.M. van Maanen Winters, voorzitter, mr. W.E. Elzinga en mr. L. Jansen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.W.C.M. Frings, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 februari 2001.