Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2001:AB0058

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
01-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
03-008080-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 03/008080-00

Datum uitspraak: 1 februari 2001

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT

VONNIS

op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte],

wonende te [woonplaats verdachte],

thans gedetineerd in PI “Overmaze” te Maastricht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 januari 2001.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 15 juni 2000 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven te beroven, na kalm beraad en rustig overleg met een auto naar/tot (vlak)bij die [naam slachtoffer] is gereden, waarna een mededader meermalen met een vuurwapen op die [naam slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

[naam medeverdachte]op of omstreeks 15 juni 2000 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven te beroven, na kalm beraad en rustig overleg meermalen met een vuurwapen heeft geschoten op die [naam slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen aldaar opzettelijk behulpzaam is geweest, hebbende hij, verdachte, die [naam medeverdachte] met de auto vervoerd naar/tot (vlak)bij die [naam slachtoffer];

2.

hij op of omstreeks 15 juni 2000 in de gemeente Maastricht een of meer vuurwapens van categorie II en/of III, samen met bijbehorende munitie van de categorie II en/of III, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

3.

hij op of omstreeks 15 juni 2000 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/bij een auto, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk (met gebruikmaking van benzine) een auto in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die auto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. primair, 2. en 3. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1. primair

hij op 15 juni 2000 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven te beroven, na kalm beraad en rustig overleg met een auto naar/tot (vlak)bij die [naam slachtoffer] is gereden, waarna een mededader meermalen met een vuurwapen op die [naam slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 15 juni 2000 in de gemeente Maastricht een vuurwapen van categorie III, samen met bijbehorende munitie van de categorie III, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 15 juni 2000 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht in/bij een auto, immers hebben verdachte en zijn mededader toen aldaar opzettelijk met gebruikmaking van benzine een auto in brand gestoken, ten gevolge waarvan die auto geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;.

Partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 2. meer of anders is ten laste gelegd.

Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte de hierboven omschreven feiten heeft begaan, op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:

Feit 1. primair:

Medeplegen van poging tot moord,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289, juncto artikel 45, eerste lid, juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en sub 1°, van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2.:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

strafbaar gesteld bij artikel 55, tweede lid, aanhef en sub a van de Wet wapens en munitie.

Feit 3.:

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 157, aanhef en sub 1°, juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en sub 1° van het Wetboek van Strafrecht.

De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;

de omstandigheid dat het bewezenverklaarde onder 1. primair, zoals uit de processtukken valt af te leiden, een afrekening in het criminele milieu betreft;

de omstandigheid dat het bewezenverklaarde onder 1. primair een koelbloedige daad betreft, waarbij vele malen op het slachtoffer is geschoten vanaf korte afstand, zelfs nadat het slachtoffer ten val was gekomen en volkomen weerloos was;

- de mate waarin het bewezen verklaarde onder 1. primair persoonlijk leed teweeg heeft gebracht;

- het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde onder 1. primair en de maatschappelijke onrust die mede daarvan het gevolg is.

Het in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, blijkens het onderzoek ter terechtzitting toebehorend aan [naam rechthebbende], zal worden teruggegeven aan de rechthebbende.

De op te leggen straf is -behalve op voormelde artikelen- gegrond op de artikelen 10, 27, 57 en 91

van het Wetboek van Strafrecht en artikel 56 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1. primair, 2. en 3. ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 2. meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat verdachte strafbaar is;

- veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van ZES JAREN;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast de teruggave aan [naam rechthebbende], geboren te [geboorteplaats rechthebbende], wonende te [woonplaats rechthebbende]van het inbeslaggenomene, te weten: 1.00 STK Personenauto YH-76-TF, Alfa 33, kleur: groen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. M.J.H.A. Venner-Lijten, voorzitter, mr. A.S. Arnold en mr. P.E.C.M. Dahmen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.C. Dassen-ter Linden, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 februari 2001, zijnde mr. Arnold buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.