Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2001:AB0049

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/1347 GEMWT Z KLR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2001/84 met annotatie van C.L.G.F.H. A

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 00/1347 GEMWT Z KLR

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

In den Ouden Vogelstruys BV, gevestigd te Maastricht, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder.

Datum bestreden besluit: 12 september 2000.

Kenmerk: SBF 2000-19662.

Behandeling ter zitting: 1 februari 2001.

I. Procesverloop.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 12 september 2000 (verzonden op 25 september 2000) heeft verweerder het namens eiseres op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediende bezwaarschrift tegen zijn -hieronder nader te duiden- besluit van 3 mei 2000 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd.

Tegen het besluit van 12 september 2000 is namens eiseres bij schrijven van 23 oktober 2000 (ter griffie ontvangen op 24 oktober 2000) beroep ingesteld bij deze rechtbank. Daarbij is verzocht het beroep met toepassing van artikel 8:52 van de Awb versneld te behandelen. Bij beschikking van 26 oktober 2000 heeft de rechtbank het verzoek om versnelde behandeling toegewezen.

Verweerder heeft op 22 november 2000 een verweerschrift ingezonden.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn op 23 november 2000 aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

De in de loop van de procedure aan het dossier toegevoegde stukken zijn in afschrift aan partijen gezonden.

De inhoud van de gedingstukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 1 februari 2001, alwaar voor eiseres zijn verschenen haar bestuurders B.H.A. Schiffeleers en A.A.M. Schiffeleers-Daemen, bijgestaan door de gemachtigde van eiseres, mr. P.I.M. Houniet, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. J.J.A. de Jonge en mw. mr. A.M. Ciechorski, ambtenaren der gemeente.

II. Overwegingen.

Eiseres exploiteert een cafébedrijf, gelegen op de hoek van het Vrijthof en de Platielstraat te Maastricht. Bij het bedrijf behoort een terras dat aan de Vrijthofzijde van het pand is gesitueerd. Voor (het exploiteren van) dit terras is ingevolge het bepaalde in artikel 2.1.5.1. van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Maastricht (verder te noemen: de APV) een vergunning van verweerder vereist.

Verweerder heeft bij besluit van 1 februari 2000 (verzonden 2 februari 2000) aan eiseres (dan wel haar bestuurder B.H.A. Schiffeleers) een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.5.1 van de APV verleend voor het plaatsen van 74 stoelen, 17 tafels, 2 parasols en 1 serveermeubel voor het pand gelegen aan het Vrijthof 15. In deze vergunning, die geldig is van 15 februari 2000 tot 16 november 2002, elk jaar in de periode van 15 februari tot 16 november, is onder meer vermeld dat geen statafels op het terras mogen worden geplaatst.

Tegen het besluit van 1 februari 2000 zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

Bij schrijven van 9 maart 2000 (ook op die datum verzonden) heeft verweerder eiseres (casu quo B.H.A. Schiffeleers, voornoemd) onder meer het volgende medegedeeld:

Op zondag 27 februari 2000 is door een met het toezicht en de handhaving belaste ambtenaar (…) geconstateerd dat u statafels had geplaatst op het terras van het pand Vrijthof 15, café In den Ouden Vogelstruys.

Op grond van het in de terrassennota neergelegde terrassenbeleid is het plaatsen van statafels op terrassen niet toegestaan. Dit wordt ook in de terrasvergunningen expliciet vermeld.

Middels brieven van 22 juli, 9 augustus en 23 september 1999 bent u reeds aangesproken op het plaatsen van statafels. In onze brief van 10 december 1999 bent u bovendien op de hoogte gebracht van ons standpunt dat uw terras niet bij een mogelijk experiment met statafels in de Platielstraat wordt betrokken.

Hoewel het plaatsen van statafels in het verleden wellicht niet altijd even consequent is gehandhaafd, is dit geen argument om dit te blijven gedogen. Wij zijn van mening dat het terrassenbeleid (…) niet geloofwaardig is, indien dit beleid niet daadwerkelijk wordt gehandhaafd.

Daarom, en mede gelet op het feit dat u zich al vaker schuldig heeft gemaakt aan overtreding van het statafel-verbod, zien wij ons genoodzaakt handhavend op te treden. Wij zijn dan ook voornemens u een dwangsom op te leggen van f. 1000,- per dag dat geconstateerd wordt, dat u 1 of meerdere statafels op het terras van Vrijthof 15, café In den Ouden Vogelstruys, plaatst, tot een maximum van f. 50.000,--.

Echter voordat wij hiertoe overgaan. wordt u in de gelegenheid gesteld uw zienswijze binnen 14 dagen na ontvangst van dit schrijven kenbaar te maken.

Van de mogelijkheid een zienswijze in te dienen ter zake van voormeld voornemen is namens eiseres gebruik gemaakt. Bij schrijven van 3 mei 2000 (verzonden op 4 mei 2000) heeft verweerder medegedeeld dat deze zienswijze voor hem geen aanleiding vormt zijn standpunt, als verwoord in het schrijven van 9 maart 2000, te wijzigen. Bij voormeld schrijven heeft verweerder dan ook medegedeeld te hebben besloten aan B.H.A. Schiffeleers, in zijn hoedanigheid van houder van de terrasvergunning voor het pand Vrijthof 15, café In den Ouden Vogelstruys, een dwangsom op te leggen van ¦ 1000,00 per dag dat één of meer statafels op het terras van genoemd pand dan wel op de openbare weg worden geplaatst, zulks tot een maximum van ¦ 50.000,00.

Eiseres heeft zich met dit besluit niet kunnen verenigen en heeft hiertegen een bezwaarschrift doen indienen bij verweerder.

Verweerder heeft eiseres in de gelegenheid gesteld haar bezwaarschrift tijdens een op 10 augustus 2000 gehouden hoorzitting als bedoeld in artikel 7:5 van de Awb nader te doen toelichten, van welke gelegenheid namens eiseres gebruik is gemaakt.

Vervolgens heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen.

Eiseres heeft zich ook met dit besluit niet kunnen verenigen en heeft hiertegen beroep doen instellen bij de rechtbank. Op de daartoe aangevoerde gronden is gevorderd het bestreden besluit te vernietigen.

In dit geding zal de rechtbank hebben te beoordelen of verweerder het besluit van 12 september 2000 terecht en op goede gronden heeft genomen. Daarbij ligt eerst de vraag voor of verweerder met juistheid heeft geoordeeld dat aan eiseres (casu quo haar bestuurder B.H.A. Schiffeleers) een dwangsom kon worden opgelegd.

Deze vraag wordt door de rechtbank ontkennend beantwoord, waartoe wordt overwogen als volgt.

Gelet op de bewoordingen van het (bij het thans bestreden besluit gehandhaafde) besluit van 3 mei 2000 is bij dit besluit aan eiseres (casu quo haar bestuurder Schiffeleers) een preventieve dwangsom opgelegd, nu de daarbij gegeven last ziet op toekomstige overtredingen van het verbod statafels op een terras te plaatsen; de dwangsom heeft uitdrukkelijk geen betrekking op de eerder geconstateerde -vermeende- overtredingen van vorenbedoeld verbod. Dit is ter zitting van de zijde van verweerder ook erkend. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 4 september 1997 (onder meer gepubliceerd in JB 1997, 251 en AB 1997, 396) moet evenwel worden geoordeeld dat een dergelijk, op het voorkomen van een daadwerkelijke overtreding gericht besluit slechts dan kan worden genomen, indien sprake is van een klaarblijkelijk gevaar van een op zeer korte termijn te verwachten overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld voorschrift waardoor ernstige schade zal ontstaan, en indien die overtreding in het besluit kan worden omschreven met die mate van duidelijkheid die uit een oogpunt van rechtszekerheid ten aanzien van handhavingsbesluiten is vereist.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de rechtbank het in het onderhavige geval niet uitgesloten dat, gezien de handelswijze in het verleden en het bedrijfsbeleid ten aanzien van het plaatsen van statafels, eiseres, in weerwil van het daartoe strekkend verbod in de terrasvergunning statafels op het terras van het pand Vrijthof 15 zal (doen) plaatsen. Daargelaten de vraag of -en in hoeverre- daarmee is voldaan aan het vereiste dat de overtreding ter zake waarvan de preventieve dwangsom is opgelegd op zeer korte termijn kan worden verwacht en nog afgezien van de overigens ter beschikking staande, in het onderhavige geval mogelijk meer geëigende handhavingsmiddelen (zoals strafrechtelijke sancties, intrekking van de verleende vergunning of toepassing van bestuursdwang op de voet van artikel 5:24, zesde lid, van de Awb), acht de rechtbank in ieder geval niet aangetoond dat de schade die daardoor zal worden teweeggebracht in het onderhavige geval zodanig ernstig is dat onverwijld moet kunnen worden opgetreden. Ter zitting is ook van de zijde van verweerder erkend dat in het onderhavige geval niet kan worden gesproken van (gevaar voor het ontstaan van) ernstige schade, al heeft verweerder wel volhardt in zijn standpunt dat de plaatsing van statafels tot overlast leidt. Dienaangaande is de rechtbank echter van oordeel dat, nog afgezien van de omstandigheid dat overlast niet gelijk is te stellen aan ernstige schade, hetgeen in dat verband van de zijde van verweerder is aangevoerd met onvoldoende concrete gegevens is onderbouwd. Zoals ook aan de zijde van eiseres terecht is gesteld, is het bestaan van overlast door de plaatsing van statafels met geen enkel schriftelijk stuk gestaafd.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het preventieve dwangsombesluit in strijd met de wet is genomen. Nu verweerder dit, ook na heroverweging als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb van dit besluit, heeft miskend, moet het beroep van eiseres reeds hierom gegrond worden geacht en dient het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking te komen. Daar tevens moet worden geconcludeerd dat voormeld gebrek niet zal kunnen worden hersteld bij een eventueel opnieuw te nemen beslissing op bezwaar, zal de rechtbank volstaan met vernietiging van het bestreden besluit en voorts, gebruikmakend van de haar in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid, doen wat verweerder bij zijn beslissing op bezwaar had behoren te doen en het primaire besluit van 3 mei 2000 herroepen.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig om verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres in verband met de onderhavige procedure redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op het in rubriek III vermelde bedrag, waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eiseres twee punten zijn toegekend (voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting) en het gewicht van de zaak is bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1,0). Van andere ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende kosten is, gelet ook op het ontbreken van een opgave aan de zijde van eiseres, niet kunnen blijken.

Mitsdien wordt, mede gelet op de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75, van de Awb, beslist als volgt.

III. Beslissing.

De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 3 mei 2000;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de onderhavige procedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op ¦ 1420,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door de gemeente Maastricht aan eiseres;

- bepaalt dat voormelde gemeente aan eiseres het door haar gestorte griffierecht (ad ¦ 450,00) volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke in tegenwoordigheid van mr. R.M.M. Kleijkers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2001 door mr. van Binnebeke voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. R. Kleijkers w.g. M.C. van Binnebeke

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op:

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.