Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2000:ZF1318

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-11-2000
Datum publicatie
16-07-2001
Zaaknummer
AWB 97/1405 BELEI Z
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 97 / 1405 BELEI Z

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

A te B, eiser,

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties -Binnenlandse Veiligheidsdienst-, gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Datum bestreden besluit: 15 april 1997.

Kenmerk: 2.238.959-89.

Behandeling ter zitting: dinsdag 10 oktober 2000.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij besluit van 15 april 1997 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van verweerder van 16 augustus 1996 deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is door de gemachtigde van eiser, de heer R. Vleugels, voorzitter van de Vereniging Voorkom Vernietiging, bij brief van 26 mei 1997 een beroepschrift ingediend.

Onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bepaald dat beperking van de kennisneming van de gedingstukken is gerechtvaardigd. Eiser heeft ingevolge het bepaalde in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, toestemming gegeven om mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen.

De overige door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 10 oktober 2000, waar eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Namens verweerder is mr. I.M.P. Quist – van Verseveld verschenen, ambtenaar der departemente.

Met toestemming van eiser heeft een gedeelte van de behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van eiser en zijn gemachtigde plaatsgevonden. Het onderzoek ter zitting is geschorst waarbij verweerder in de gelegenheid is gesteld -eveneens onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb- het besluit van 15 april 1997 nader te motiveren. Verweerder heeft bij brief van 17 november 2000 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven een nadere zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN.

II.1. Eiser is lid van de Vereniging Voorkom Vernietiging (VVV), een vereniging die zich tot doel heeft gesteld het behartigen van belangen van leden, personen en organisaties die vermoeden op enigerlei wijze object te zijn geweest van inlichtingendiensten, waaronder de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD). De vereniging is opgericht naar aanleiding van een voorgenomen schoning en vernietiging van de archieven van de BVD.

In 1991 heeft de VVV onder meer voor eiser een verzoek ingediend om informatie ten aanzien van de persoonsregistratie en de archieven bij de BVD. Het verzoek van onder andere eiser is aangehouden totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 16 juni 1994 besliste dat artikel 16 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) in strijd was met het bepaalde in artikel 8 en artikel 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Deze uitspraak brengt met zich mee dat een verzoek om informatie van degene die meende onderwerp te zijn geweest van onderzoek door de BVD, aan de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) dient te worden getoetst.

Bij brief van 3 februari 1995 heeft eiser zijn verzoek om informatie nader toegelicht, waarna verweerder het verzoek bij besluit van 16 augustus 1996 heeft afgewezen. Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 26 september 1996 een bezwaarschrift ingediend.

II.2. Standpunt van verweerder.

Bij het thans bestreden besluit van 15 april 1997 heeft verweerder de bezwaren van eiser, voor zover die zich richten tegen de overschrijding van de in artikel 6 van de Wob genoemde termijn, gegrond verklaard. Voorts heeft verweerder eiser in het bezit gesteld van een fotokopie van de over hem bij de BVD berustende gegevens in relatie tot de context 'Komitee de 148 van Breda, 1981'. Voor het overige heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Verweerder heeft daarbij het standpunt ingenomen dat artikel 10, eerste lid, onder b, van de Wob aan openbaarmaking in de weg staat.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder de Afdeling) van 1 augustus 1997, NJB 1997, p. 1768, nr. 57, heeft verweerder ter toelichting op het bestreden besluit meegedeeld dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het zogenaamde contextbeleid werd gehanteerd dat eruit bestond dat een verzoek om informatie diende te vermelden binnen welke context de verzoeker meende in de belangstelling van de BVD te hebben gestaan. Dit beleid is door verweerder inmiddels verlaten. Eiser is volgens verweerder bij het nemen van het thans bestreden besluit door deze beleidswijziging niet in zijn belangen geschaad. Volgens verweerder zijn in de beoordeling van eisers verzoek alle over hem aangetroffen niet-actuele gegevens betrokken, ongeacht of deze waren verzameld in het kader van de aandacht van de BVD voor de door hem aangegeven maatschappelijke contexten dan wel daarbuiten. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 14 december 1998, AB 1999/93, is verweerder van mening dat voor zover het beroep zich richt tegen het hanteren van het contextbeleid, dit buiten beschouwing dient te worden gelaten.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 november 1998, AB 1999/92, is volgens verweerder gebleken dat het verweerder is toegestaan een algemeen en ongeclausuleerd verzoek ambtshalve te beperken tot een verzoek om inzage in niet-actuele gegevens. Voorts heeft verweerder het standpunt ingenomen dat hij volgens de heersende jurisprudentie geen informatie hoeft te verstrekken over gegevens die zicht kunnen bieden op het actuele kennisniveau van de BVD. Ten aanzien van niet-actuele zaken kan in beginsel informatie worden verstrekt. Volgens verweerder mag hij met een beroep op de veiligheid van de staat het verstrekken van informatie die zicht geeft op bronnen en werkwijzen van de BVD, achterwege laten.

Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat een gegeven nog actueel is wanneer het nog relevant is voor enig lopend onderzoek, waarbij niet van belang is of er sprake is van maatschappelijke of politieke actualiteit. Verder heeft verweerder aangevoerd dat, nu het terrein van het anti-militarisme voor (kwaadwillende) personen of groepen nog steeds actueel is, informatie ten aanzien van dat terrein voor de taakuitvoering van de BVD eveneens nog altijd actueel is. Daarbij heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting te kennen gegeven dat verweerder thans van mening is dat anti-militaristische onderwerpen niet permanent actueel hoeven te blijven.

II.3. Standpunt van eiser.

Eiser bestrijdt de visie van verweerder dat een algemeen verzoek om inzage, zonder een inperking tot niet-actuele delen niet in behandeling genomen kan worden.

Eiser heeft het standpunt ingenomen dat het thans bestreden besluit in strijd is met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel, nu eiser, onder protest, zijn verzoek in een aantal contexten heeft geplaatst maar verweerder in zijn besluit niet ingaat op de diverse contexten.

Eiser is verder van mening dat het besluit is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, nu verweerder begrippen als actueel en anti-militaristisch niet of onvoldoende definieert.

Voorts heeft eiser het standpunt ingenomen dat het ondenkbaar is dat er zich bij de BVD niet meer niet-actuele gegevens over eiser bevinden.

II.4. In dit geschil dient de rechtbank te beoordelen of het thans bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Daartoe overweegt zij als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

In artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wob is bepaald dat het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege blijft voor zover dit de veiligheid van de staat zou kunnen schaden.

Niet in geschil is dat de bepalingen van de Wob op het verzoek van eiser om informatie van toepassing is.

II.4.1. Gelet op het bepaalde in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wob en onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 november 1998, AB 1999/92 is de rechtbank met verweerder van oordeel dat verweerder geen informatie hoeft te verstrekken over gegevens die zicht kunnen bieden op het actuele kennisniveau van de BVD.

Voorts is de rechtbank, gelet op de laatstgenoemde uitspraak, van oordeel dat het verweerder is toegestaan om een verzoek om informatie ambtshalve te beperken tot een verzoek om het verstrekken van niet-actuele informatie.

Hetgeen namens eiser is aangevoerd omtrent het voeren van het contextbeleid in de onderhavige zaak treft geen doel, nu blijkens de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling, verweerder zich heeft mogen beperken tot het beoordelen van de niet-actuele informatie.

Het vorenstaande neemt niet weg dat in het onderhavige geval door eiser een aantal contexten zijn genoemd ten aanzien waarvan verweerder heeft geweigerd informatie te verstrekken omdat deze contexten in verband worden gebracht met anti-militaristische activiteiten die volgens verweerder nog steeds actueel zijn.

Verweerder heeft herhaalde malen verklaard dat een gegeven voor de BVD nog actueel is wanneer het nog relevant is voor enig lopend onderzoek. Daarbij is opgemerkt dat de actualiteit van de context niet alleen wordt bepaald door de politieke of maatschappelijke actualiteit van de desbetreffende kwestie, maar dat zaken actueel zijn voor de BVD zolang zij aanleiding kunnen geven tot bedreiging van de Staat. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder dienaangaande opgemerkt dat verweerder thans van mening is dat onderwerpen die als anti-militaristisch worden aangemerkt niet permanent actueel hoeven te zijn. Naar aanleiding van dit standpunt van verweerder heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om de weigering het resterende deel van het desbetreffende BVD-dossier openbaar te maken, nader te motiveren. Daarbij diende verweerder per document de reden aan te geven van de weigering om openbaarmaking en, indien de openbaarmaking is geweigerd vanwege de actualiteit van de desbetreffende context, aan te geven op welk punt die context nog actueel is.

Bij brief van 17 november 2000 heeft verweerder de rechtbank –onder toepassing van artikel 8:29 van de Awb- deze nadere motivering doen toekomen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerder een nadere onderverdeling heeft gemaakt in de weigeringsgrond van artikel 10, eerste lid, onder b, van de Wob en ieder document uit het dossier heeft beoordeeld op:

-actueel kennisniveau van de BVD -bronbescherming -werkwijze van de BVD -persoonsgegevens van derden in het gehele document -persoonsgegevens van derden in een deel van het document.

De rechtbank begrijpt deze nadere onderverdeling aldus dat bij een beroep op artikel 10, eerste lid, onder b, van de Wob niet slechts het actueel kennisniveau van de BVD een rol speelt bij de weigering om informatie over te leggen, maar dat tevens informatie wordt geweigerd wanneer de gevraagde informatie zicht biedt op de bronnen en werkwijze van de BVD en op persoonsgegevens. Onder verwijzing naar de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 27 november 1998 acht de rechtbank dit uitgangspunt niet onredelijk of onjuist.

Blijkens de nadere motivering is verweerder van mening, met uitzondering van negentien documenten in onderdeel 4 van het dossier, dat ieder document dat zich in het BVD-dossier bevindt niet voor openbaarmaking in aanmerking komt. Verweerder is van oordeel dat deze documenten allemaal als actueel zijn aan te merken en dat daarnaast tevens een of meerdere van de andere hiervoor genoemde nadere weigeringsgronden op die documenten van toepassing zijn. Na kennisname en bestudering van deze documenten is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat deze documenten zonder uitzondering namen van personen bevatten en/of beschrijvingen van omstandigheden en/of situaties die inzicht geven in de werkwijze en bronnen van de BVD. Verweerder heeft ten aanzien van die documenten om deze reden dan ook terecht toepassing gegeven aan het bepaalde onder artikel 10, eerste lid, onder b, van de Wob. Dat verweerder heeft nagelaten aan te geven op welke punten deze documenten nog actuele informatie bevatten, doet hier niet aan af. Gelet op het vorenoverwogene komt de rechtbank aan de toets of verweerder de in deze documenten vermelde gegevens terecht als actueel heeft aangemerkt immers niet toe.

In het dossier bevinden zich in onderdeel 4 negentien documenten waarop verweerder slechts de weigeringsgrond actueel van toepassing acht en geen van de andere weigeringsgronden.Verweerder heeft ook ten aanzien van deze documenten niet aangegeven op welk punt de gegevens die in deze stukken worden genoemd nog actueel zijn. De rechtbank kan derhalve niet toetsen of verweerder het onderscheid tussen actueel en niet-actueel ten aanzien van deze documenten op juiste wijze heeft aangebracht. Dit klemt temeer nu zich onder deze negentien documenten een aantal zogenoemde 'uittreksels' bevinden waarvan de rechtbank in het licht van de betekenis van de term actueel zoals gehanteerd door verweerder vooralsnog niet de reden van weigering van openbaarmaking inziet, temeer nu het verweerder vrij staat de op deze uittreksels vermelde nummers en dergelijke weg te lakken. Daar komt bij dat zich bij de documenten een kopie bevindt van een krantenartikel, gedateerd 11 mei 1984 en een, destijds, alom bekende affiche tegen plaatsing van kruisraketten waarvan de rechtbank zich afvraagt in hoeverre deze documenten voor de BVD nog actueel zijn.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het thans bestreden besluit van 15 april 1997 wegens strijd met het motiveringsbeginsel als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb in rechte geen stand kan houden. Mitsdien komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking en dient het voorliggend beroep voor gegrond te worden gehouden.

II.4.2. Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 2 punten met elk een waarde van 710,-- toe voor de indiening van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x 710,-- x 1 = 1.420,--.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 26 september 1996 met inachtneming van deze uitspraak;

3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van 210,-- wordt vergoed door de Staat der Nederlanden;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op 1.420,--, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door de Staat der Nederlanden aan eiser.

Aldus gedaan door mr. W.L.J. Voogt in tegenwoordigheid van mr. M.J.H.T. Peters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2000 door mr. W.L.J. Voogt voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. M. Peters w.g. W.L.J. Voogt

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 18 januari 2001

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

.