Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2000:AF2562

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
24-09-2000
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
53012 / 1999
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis : 28 september 2000

Rolnummer: 53012/1999

De arrondissementsrechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgend vonnis gewezen in de zaak van:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [J.C.] B.V.,

gevestigd te Panningen, gemeente Helden,

oorspronkelijk gedaagde, thans opposante,

procureur: mr. P.E.C.M. Dahmen;

tegen:

De naamloze vennootschap NV MAATSCHAPPIJ VOOR ELECTRICITEIT EN GAS LIMBURG,

gevestigd te Maastricht,

oorspronkelijk eiseres, thans geopposeerde,

procureur: mr. H.A.J. Stollenwerck.

1. Het verloop van de procedure in verzet

Bij verzetdagvaarding van 17 november 1999 is opposante, hierna te noemen: "[J.C.]", in verzet gekomen tegen het tussen partijen bij verstek gewezen vonnis van deze rechtbank van 4 november 1999, rolnummer 50915/1999. Op de dienende dag heeft [J.C.] onder verwijzing naar de verzetdagvaarding geconcludeerd voor eis in oppositie.

Geopposeerde, hierna te noemen: "Mega", heeft vervolgens onder overlegging van producties geantwoord in oppositie.

[J.C.] heeft daarna gerepliceerd in oppositie.

Tenslotte hebben partijen de rechtbank verzocht te beslissen op het rechtbankdossier, waarna de uitspraak bij vervroeging is bepaald op heden.

2. Het verloop van de procedure in het oorspronkelijk geding

2.1 Mega heeft bij inleidende dagvaarding van 26 augustus 1999, betekend aan het kantoor van de advocaat en procureur Mr. P.E.C.M. Dahmen, op de daarin vermelde gronden een verklaring voor recht gevorderd, zakelijk weergegeven, dat [J.C.] ter zake van door [J.C.] verrichte betalingen voor energieleveranties in de jaren 1992 tot en met 1997 niets meer van Mega heeft te vorderen, met veroordeling van [J.C.] in de kosten van het geding. Nadat tegen [J.C.] verstek was verleend, heeft Mega geconcludeerd voor eis overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding en voorts, zoals aangekondigd in de dagvaarding, voeging gevorderd met de voor deze rechtbank onder rolnummer 46370/1999 tussen partijen aanhangige zaak.

2.2 Ter onderbouwing van haar vordering stelde Mega - samengevat en voorzover thans van belang - dat [J.C.] in de zaak onder rolnummer 46370/1999 ten onrechte terugbetaling van haar vordert van een vermeend onverschuldigd voor energieleveranties betaald bedrag van f. 93.628,79 en dat het risico bestaat dat zij, Mega, in die zaak ten onrechte wordt veroordeeld, nu de rechtbank haar conclusie van antwoord als tardief heeft geweigerd en de afloop van het door Mega ingestelde hoger beroep tegen het door de rechtbank in die zaak op 10 juni 1999 gewezen tussenvonnis onzeker is.

2.3 Bij voornoemd verstekvonnis van 4 november 1999, waartegen verzet, heeft de rechtbank de incidentele vordering tot voeging toegewezen, met aanhouding van de beslissing ten aanzien van de kosten van de incidentele vordering totdat in de hoofdzaak kan worden beslist. In de hoofdzaak heeft de rechtbank overwogen dat de beslissing op de gevraagde verklaring voor recht dient te worden aangehouden in afwachting van het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch in de zaak no. 46370/1999, zodat na de voeging ten aanzien van de vorderingen in beide zaken kan worden beslist. De zaak is daartoe verwezen naar de rol voor het vragen van vonnis in de hoofdzaak.

2.4 De rechtbank merkt nog op dat in de zaak met rolnummer 46370/1999 inmiddels op 25 mei 2000 eindvonnis is gewezen, zonder dat in de daarmee gevoegde zaak met rolnummer 50915/1999 tevens een beslissing is gegeven. Het volgens de bij de rechtbank ingekomen berichten van het Hof tegen genoemd eindvonnis ingestelde appèl heeft derhalve geen betrekking op laatstgenoemde zaak.

3. De vordering en het verweer in de verzetprocedure

3.1 [J.C.] stelt - samengevat en voor -zover thans van belang - dat de namens Mega uitgebrachte dagvaarding nietig is, nu deze niet aan haar woonplaats in de zin van art. 1:10 van het Burgerlijk Wetboek is uitgebracht, maar aan het kantoor van mr. P.E.C.M. Dahmen, alwaar [J.C.] anders dan in de dagvaarding is gesteld niet uitdrukkelijk domicilie heeft gekozen. Subsidiair stelt [J.C.] zich op het standpunt dat, gelet op haar plaats van vestiging Panningen, niet deze rechtbank maar de rechtbank te Roermond bevoegd is kennis te nemen van de vordering van Mega. Bij conclusie van repliek in oppositie heeft [J.C.] tevens inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vordering van Mega.

3.2 [J.C.] vordert in verzet thans dat de rechtbank bij vonnis, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad, de inleidende dagvaarding d.d. 27 augustus 1999 nietig zal verklaren en zich zonodig onbevoegd zal verklaren, althans, en voor zover nodig, [J.C.] zal ontheffen van de veroordeling, daarin begrepen de veroordeling van [J.C.] in de kosten van de verstekprocedure, tegen haar uitgesproken bij verstekvonnis van de rechtbank van 4 november 1999, althans Mega in haar oorspronkelijke vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans haar deze zal ontzeggen, in alle gevallen met veroordeling van Mega in de kosten van deze verzetprocedure.

3.3 In haar conclusie in oppositie betwist Mega de gestelde nietigheid van de namens haar uitgebrachte dagvaarding, daartoe - samengevat - aanvoerend dat [J.C.] in de zaak onder rolnummer 46370/1999, die het spiegelbeeld vormt van de onderhavige zaak, uitdrukkelijk domicilie heeft gekozen bij mr. Dahmen. Tevens betwist Mega de gestelde onbevoegdheid van de rechtbank.

4. Beoordeling in oppositie

4.1 [J.C.] is tijdig in verzet gekomen tegen voornoemd tussen partijen door deze rechtbank gewezen verstekvonnis.

4.2 Anders dan [J.C.] blijkens het hierboven geciteerde petitum van haar verzetdagvaarding tot uitgangspunt lijkt te nemen, heeft de rechtbank bij het vonnis waarvan verzet geen veroordeling, ook niet in de kosten, tegen haar uitgesproken. Nu de rechtbank bij dat vonnis evenwel de incidentele vordering van Mega tot voeging heeft toegewezen, heeft [J.C.] niettemin belang bij haar verzet en kan zij daarin worden ontvangen.

4.3 Met [J.C.] is de rechtbank van oordeel dat de namens Mega uitgebrachte dagvaarding van 26 augustus 1999 (en niet 27 augustus 1999, zoals [J.C.] in het petitum van haar verzetdagvaarding kennelijk abusievelijk stelt) nietig dient te worden verklaard.

4.5 Daartoe is in de eerste plaats redengevend dat niet is voldaan aan het voorschrift van art. 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv), welk voorschrift ingevolge art. 91 Rv op straffe van nietigheid in acht moet worden genomen, dat een exploit van dagvaarding aan de persoon of aan de woonplaats van de gedaagde wordt betekend. De dagvaarding is immers uitgebracht aan het kantoor van mr. Dahmen, terwijl niet is gebleken en door [J.C.] is betwist dat zij voor de betekening van de inleidende dagvaarding aldaar domicilie heeft gekozen. De omstandigheid dat [J.C.] in de zaak onder rolnummer 46370/1999 als eiseres (mede) woonplaats heeft gekozen bij mr. Dahmen, maakt niet dat de inleidende dagvaarding in de onderhavige zaak aldaar zonder nadere domiciliekeuze of partijafspraak rechtsgeldig kon worden betekend. Het betreft hier immers een nieuwe, afzonderlijke zaak, waaraan niet afdoet dat deze samenhangt met de andere zaak.

4.6 Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat [J.C.] niet is verschenen ten gevolge van de foutieve betekening. [J.C.] mocht ervan uitgaan dat aan de aan een verkeerd adres aan een ander betekende dagvaarding geen gevolg behoefde te worden gegeven. Gelet op de aard van dit gebrek kon niet van [J.C.] gevergd worden dat zij op de dagvaarding, zo die haar tijdig heeft bereikt, verscheen. De rechtbank had gelet daarop en gelet op het bepaalde in art. 93, tweede lid, Rv dan ook de nietigheid van de dagvaarding dienen uit te spreken.

4.7. Ingevolge art. 94, eerste lid, Rv zal de rechter een beroep van een in verzet gekomen gedaagde op nietigheid van de dagvaarding verwerpen, indien het gebrek van dien aard wordt bevonden dat de gedaagde daardoor in zijn verdediging niet is benadeeld. Daargelaten de vraag of van dergelijke benadeling in het onderhavige geval sprake is, is de rechtbank van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 94, eerste lid, Rv, meebrengt dat in een geval als het onderhavige, waarin het verstekvonnis is gewezen mede op basis van de onjuiste, niet op een kennelijke vergissing berustende mededeling in de inleidende dagvaarding dat deze is betekend aan een adres waaraan de gedaagde uitdrukkelijk woonplaats heeft gekozen, de nietigheid van de dagvaarding niettegenstaande het verzet door [J.C.] niet als gedekt wordt aangemerkt.

4.8 Het bovenstaande leidt ertoe dat de rechtbank [J.C.] goed opposante zal verklaren en haar zal ontheffen van de beslissing bij het door deze rechtbank tus-sen partijen gewezen verstekvonnis, onder nietigverklaring van de inleidende dagvaarding. Mega zal als de in het onge-lijk ge-stelde partij de kosten van dit geding dienen te dragen.

5. Uitspraak

In oppositie:

De rechtbank:

verklaart [J.C.] te zijn goed opposante;

ontheft [J.C.] van het vonnis door deze rechtbank op 4 november 1999 onder rolnummer 50915/1999 gewezen;

verklaart nietig de namens Mega op 26 augustus 1999 uitgebrachte inleidende dagvaarding;

veroordeelt Mega in de kosten van dit geding, aan de zijde van [J.C.] tot deze uitspraak begroot op fl. 59,20 aan kosten dagvaarding, fl. 400,- aan griffierecht en fl. 1.720,- voor salaris procureur;

verklaart dit vonnis wat betreft vorenstaande proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Kort, rechter-plaatsvervanger, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.