Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2000:AB0556

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
14-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
41094
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis: 14 december 2000

Rolnummer: 41094/98

De arrondissementsrechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[X], wonende te B.,

eiser,

procureur mr. P.R.J.M. Douffet (toevoeging);

tegen

[Y], wonende te H.,

gedaagde,

procureur mr. Ch.M.E.M. Paulussen.

Wederom gezien de stukken, waaronder het tussenvonnis d.d.

16 december 1999 door deze rechtbank in de onderhavige zaak gewezen.

1. Het verdere verloop van de procedure

Ter uitvoering van voornoemd tussenvonnis heeft op 21 maart 2000 ten woonhuize van [Y] een comparitie van partijen plaatsgevonden welke op 29 juni 2000 is voortgezet. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.

Ter voortgezette comparitie is door [Y] een nadere conclusie genomen waarop [X] bij antwoordconclusie heeft gereageerd.

Tenslotte hebben partijen de rechtbank verzocht te beslissen op het rechtbankdossier, waarna de uitspraak van het vonnis nader is bepaald op heden.

2. Verdere beoordeling

2.1 Als eerste verweer tegen de vordering van [X] voert [Y] aan dat hij de ten processe bedoelde ladder aan [X] in bruikleen heeft gegeven, zodat zijn mogelijke aansprakelijkheid moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 7A:1790 Burgerlijk Wetboek (BW). In dat kader stelt [Y] dat de ladder geen gebrek vertoonde en, zo dat al anders mocht zijn, dat hij het gebrek niet kende.

2.2 De rechtbank is van oordeel dat van een bruikleenovereenkomst in de zin van artikel 7A:1777 BW te dezen geen sprake is geweest, waartoe als volgt wordt overwogen. Uit de relevante feiten, te weten dat [Y] met de bedoeling om [X] het afdalen van het dak te vergemakkelijken zijn ladder in door hem, [Y], (verder) uitgeklapte toestand aan [X] ten gebruik heeft aangeboden waarna [X] op het perceel van [Y], in diens bijzijn en met diens bemoeienis van die ladder gebruik heeft gemaakt, kan niet worden afgeleid dat bij partijen de wil aanwezig is geweest om terzake van de ladder een bruikleenovereenkomst tot stand te brengen.

Daarbij overweegt de rechtbank nog dat uit tekst en strekking van artikel 7A:1777 BW, mede in relatie met artikel 7A:1778 BW volgt dat in bruikleen geven moet leiden tot houderschap van de betrokken zaak bij de bruikleennemer en dientengevolge tot middellijk bezit bij de bruikleengever. Houderschap veronderstelt dat sprake is van een feitelijke machtsuitoefening ten aanzien van de zaak door de bruikleennemer in verband waarmee immers op deze een teruggaveverplichting rust. Op de voet van artikel 3:108 BW kan in casu niet worden geoordeeld dat [X] naar verkeersopvatting houder werd van de bewuste ladder voor [Y]. Het enkele en korte gebruik dat [X] in bijzijn en met hulp van [Y] van de ladder heeft gemaakt door deze te betreden teneinde van het dak af te komen is onvoldoende om te concluderen dat hij toen als houder feitelijke macht daarover uitoefende met het gevolg dat [Y]s bezit middellijk werd. Daaraan doet niet af dat [X], zoals [Y] stelt maar door [X] wordt betwist, mogelijk ook van die ladder gebruik heeft gemaakt om op het dak te geraken.

2.3 Tegen de primaire grondslag van de vordering, gebaseerd op artikel 6:173 BW, voert [Y] allereerst aan dat niet vaststaat dat de ladder gebrekkig was in de zin van dat artikel.

In die zienswijze kan [Y] niet worden gevolgd.

Vooropgesteld moet worden dat het begrip 'niet voldoen aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden aan de zaak mag stellen' in bedoeld artikel (hierna kortheidshalve te noemen: gebrek) ruim moet worden uitgelegd. Dat brengt met zich dat een roerende zaak (onder meer) ook gebrekkig is als deze op zich genomen geen onvolkomenheden vertoont maar ten gebruik wordt gepresenteerd in een toestand waarbij die zaak niet beantwoordt aan de eigenschappen die men daarvan redelijkerwijs mag verwachten. Ter comparitie ten huize van [Y] op 21 maart 2000 is door de rechtbank vastgesteld dat de bewuste ladder, indien deugdelijk vergrendeld, niet kan inklappen c.q. inzakken. Nu voldoende is vast komen te staan dat de ladder in uitgeklapte toestand door [Y] aan [X] werd gepresenteerd teneinde deze in staat te stellen het dak van de woning van [Y] te verlaten en vervolgens is ingezakt toen [X] zijn volle gewicht daarop plaatste, moet ervan worden uitgegaan dat de ladder gebrekkig was in de zin van artikel 6:173 BW zoals hiervoor weergegeven.

Naast het vorenstaande overweegt de rechtbank nog als volgt. Uit de brief van [Y]s verzekeringsmaatschappij E. aan de procureur van [X] d.d. 22 januari 1998 blijkt dat de ladder gebrekkig is geweest doordat deze ondeugdelijk was vergrendeld door [Y]. [Y] betoogt weliswaar dat [X] uit dat schrijven niet mocht afleiden dat de daar gestelde toedracht van het ongeval door [Y] wordt erkend, maar daarin kan de rechtbank [Y] niet volgen. In die brief, waarnaar de rechtbank hier verwijst, schrijft E. dat zij allereerst opmerkt bekend te zijn met wat er is gebeurd. Vervolgens geeft zij, als reactie op een schrijven van [X]s procureur waarin de ongevalstoedracht werd beschreven, te kennen dat die toedracht grotendeels juist is behoudens dat [X] de ladder ook heeft gebruikt om het dak op te komen. In dat kader stelt E. dat de ladder in elkaar zakte omdat [Y] deze niet geheel had doorgeknikt tot in de vergrendeling. Met verwijzing naar de omstandigheden van het geval wordt aansprakelijkheid door E. echter afgewezen. Gezien de bewoordingen waarin het schrijven van E. is vervat kan in redelijkheid niet anders worden geoordeeld dan dat E., met betwisting van de aansprakelijkheid van [Y], namens haar verzekerde de oorzaak van het ongeval zoals hierboven vermeld heeft erkend. Dat E. daarbij namens [Y] handelde volgt eveneens uit de opmerking van [Y] ter comparitie, waar hij heeft gesteld dat hij de aansprakelijkstelling aan E. heeft doorgegeven en dat E. de behandeling heeft overgenomen. Uit voormeld feitencomplex volgt eveneens dat de gebrekkigheid van de ladder terug te voeren is op een persoonlijk falen van [Y] dat aan hem, temeer gezien het feit dat hij verzekerd is, naar verkeersopvatting toegerekend moet worden, zodat tevens sprake is van een onrechtmatige daad aan zijn zijde.

2.4 Ook voert [Y] aan dat, zo de ladder al gebrekkig mocht worden geoordeeld, het bepaalde bij artikel 6:181, lid 1 BW met zich brengt dat niet hij maar F. B.V. als werkgever van [X] aansprakelijk zou zijn.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Op grond van de onder 2.2 weergegeven feiten kan niet worden geoordeeld dat de bewuste ladder werd gebruikt in de uitoefening van een bedrijf zoals in voornoemd artikel bedoeld. Naar het oordeel van de rechtbank zou zulks tenminste vereisen dat van de betrokken werkgever op enigerlei wijze gezegd kan worden dat hij de ladder aan zijn werknemer ter beschikking heeft gesteld, hetgeen volgt uit het gestelde in lid 2 van bedoeld artikel. Dat is hier echter niet het geval geweest en kan ook niet - anders dan [Y] stelt - aangenomen worden gezien het bepaalde bij artikel 6:76 BW. Dat artikel ziet immers op de aansprakelijkheid van de werkgever voor gedragingen van hulppersonen, zoals in casu [X], jegens derden. Die situatie doet zich hier echter niet voor. Ook kan niet worden geoordeeld dat [X], gezien zijn functie, bevoegd was om ten behoeve van F. de bewuste ladder tot bedrijfsmiddel van F. te maken noch dat [Y], gezien de hoedanigheid van [X], daarvan mocht uitgaan.

2.5 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de vordering van [X] moet worden toegewezen. Als in het ongelijk gestelde partij zal [Y] worden verwezen in de kosten van het geding met uitzondering van de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten. De verbintenis tot betaling van die kosten ontstaat eerst door een veroordelend vonnis en is derhalve toekomstig van aard. Daarmee verdraagt zich niet thans reeds wettelijke rente toe te wijzen, die eerst verschuldigd zal zijn indien [Y] in verzuim mocht geraken met zijn verplichting tot betaling uit hoofde van voornoemde verbintenis.

3. Uitspraak

De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

veroordeelt [Y] om aan [X] de materiƫle en immateriƫle schade te vergoeden geleden als gevolg van het ongeval op

30 juli 1997, nader op te maken bij staat en te vereffenen als volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juli 1997 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [Y] in de kosten van het geding aan de zijde van [X] gevallen, tot aan deze uitspraak begroot op f 91,71 aan kosten dagvaarding, f 370,- aan kosten griffierecht en

f 3.440,- voor salaris procureur, het een en ander op de voet van artikel 57b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te voldoen aan de griffier van deze rechtbank;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Laumen, rechter, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

MC