Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2000:AA9587

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
30-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/1889 NABW Z SCC
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Reg.nr.: 98/1889 NABW Z SCC

Inzake : [eiser], eiser,

tegen : het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Sittard, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

- het met een besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb gelijk te stellen niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 30 juli 1998;

- het besluit van verweerder van 21 december 1998, kenmerk 128;

- het besluit van verweerder van 24 maart 1999, kenmerk 3655.

Datum van behandeling ter zitting: 4 april 2000.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij brief van 2 juni 1998 heeft de directeur van de Dienst Sociale Zaken en Welzijn van de gemeente Sittard aan GAK Nederland BV in verband met de verrekening van een aan eiser toegekende uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) een specificatie doen toekomen van de aan eiser over de periode van 26 december 1997 tot en met 30 april 1998 verstrekte uitkering krachtens de Algemene bijstandswet (Abw).

Tegen deze brief is namens eiser bij brief van 30 juli 1998 bezwaar gemaakt door mr. A.C.S. Grégoire, advocaat te Sittard.

Bij brief van 17 december 1998 is namens eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 30 juli 1998.

Bij besluit van 21 december 1998 heeft verweerder het bezwaarschrift van 30 juli 1998 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 14 januari 1999 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank meegedeeld dat eiser zich niet met dit besluit kan verenigen.

Inmiddels had verweerder bij besluit van 7 december 1998 de aan eiser over de periode van 26 december 1997 tot 1 mei 1998 verstrekte uitkering ten bedrage van f 9.801,70 van eiser teruggevorderd. Daarbij is aangegeven dat dit bedrag reeds werd verrekend met het GAK.

Bij brief van 21 januari 1999 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank meegedeeld van mening te zijn dat het besluit van 7 december 1998 dient te worden meegenomen in de reeds bij de rechtbank aanhangige procedure.

Bij brief van 20 januari 1999 heeft verweerder ter zake van het namens eiser tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 30 juli 1998 ingestelde beroep een verweerschrift ingediend. Voorts heeft verweerder de op deze procedure betrekking hebbende stukken ingediend. Deze stukken zijn op 9 februari 1999 in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Bij brief van 18 maart 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend ter zake van de inhoudelijke beoordeling van eisers beroep. Voorts heeft verweerder de op deze beoordeling betrekking hebbende stukken ingediend. Deze stukken zijn op 25 maart 1999 in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Bij besluit van 24 maart 1999 heeft verweerder beslist op de door verweerder als bezwaarschrift aangemerkte brief van 21 januari 1999.

Na de uitnodiging voor de zitting heeft verweerder bij brief van 4 april 2000 nog een aantal stukken ingediend. Hierop is namens eiser bij brief van 13 april 2000 gereageerd.

Op verzoek van de gemachtigde van eiser is het onderhavige beroep gevoegd behandeld met het beroep geregistreerd onder nummer 98/1696.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op

4 april 2000. Eiser is bij voornoemde gemachtigde verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. S.E.H.M. Sniekers, werkzaam bij de gemeente Sittard.

II. OVERWEGINGEN.

II.1. Namens eiser is beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift van 30 juli 1998.

Bij besluit van 21 december 1998, aan de gemachtigde van eiser verzonden op 6 januari 1999, heeft verweerder alsnog op dit bezwaarschrift beslist.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de door artikel 7:10 van de Awb voorgeschreven termijn voor het beslissen op bezwaar ruimschoots heeft overschreden. Hieraan kan niet afdoen dat, zoals door verweerder in het verweerschrift van

20 januari 1999 is aangevoerd, verweerder aanvankelijk van oordeel was dat de brief van 30 juli 1998 niet als bezwaarschrift kon worden aangemerkt en evenmin dat, naar door verweerder is gesteld, de behandeling van het bezwaar in overeenstemming met eiser gedurende ongeveer anderhalve maand is aangehouden.

Namens eiser is dan ook terecht het standpunt ingenomen dat er sprake is van een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, waartegen beroep bij de rechtbank openstaat.

Nu door verweerder bij besluit van 21 december 1998 alsnog op het bezwaarschrift van 30 juli 1998 is beslist, dient dit beroep, wegens het ontbreken van procesbelang, echter niet-ontvankelijk te worden verklaard.

II.2. De rechtbank zal thans overgaan tot de beoordeling van het bestreden besluit van 21 december 1998.

De rechtbank stelt voorop dat de inzet van de onderhavige beroepsprocedure, alsmede van de met deze zaak gevoegd behandelde procedure onder registratienummer url('98/1696',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=23258), voor eiser is gelegen in het veiligstellen van de mogelijkheid om in rechte op te komen tegen het verrekenen van een aan eiser alsnog over de periode van 26 december 1997 tot en met 30 april 1998 toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering met de door verweerder aan eiser over deze periode verstrekte bijstand. Deze verrekening dient te worden voorafgegaan door een met toepassing van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw genomen terugvorderingsbesluit. Hieraan kan niet afdoen dat eiser op 16 januari 1998 een machtiging heeft ondertekend, op grond waarvan de door hem eventueel in de toekomst te ontvangen gelden ingevolge de WAO aan de Dienst Sociale Zaken en Welzijn van de gemeente Sittard betaalbaar gesteld worden. Het rechtszekerheidsbeginsel brengt immers mee dat verweerder eiser, voordat verweerder tot de feitelijke verrekening overgaat, van het hiertoe strekkende terugvorderingsbesluit op de hoogte stelt, en hem daarmee in de gelegenheid stelt desgewenst een rechtsmiddel tegen dit besluit aan te wenden.

II.3. In casu heeft de feitelijke verrekening van eisers Abw-uitkering met de hem alsnog toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsgevonden in de maand juni 1998. Deze verrekening is voorafgegaan door de in rubriek I vermelde brief van 2 juni 1998 van de directeur van de Dienst Sociale Zaken en Welzijn van de gemeente Sittard aan GAK Nederland BV. Eiser heeft deze brief via GAK Nederland BV ontvangen. Van een aan eiser gericht, aan de feitelijke verrekening voorafgaand, terugvorderingsbesluit is de rechtbank niet gebleken.

II.4. Bij het bestreden besluit van 21 december 1998 heeft verweerder het bezwaarschrift van 30 juli 1998 niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft verweerder overwogen dat de brief van 2 juni 1998 kennelijk niet aan eiser was gericht, aangezien deze geen nieuw besluit betrof, maar een nadere uitwerking van de beschikking van 5 februari 1998, waarbij aan eiser met ingang van 25 december 1997 bijstand werd verleend onder cessie van de aan eiser nog toe te kennen arbeidsongeschiktheidsuitkering. Verweerder is op grond hiervan van oordeel dat de brief van 2 juni 1998 niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, zodat het tegen deze brief gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is.

II.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aldus miskend dat de brief van 2 juni 1998 weliswaar als zodanig niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt, maar dat eiser naar aanleiding van deze brief redelijkerwijs kon menen dat door verweerder reeds een besluit tot terugvordering van de aan hem verleende bijstand was genomen, te meer nu, naar hiervoor is aangegeven, de thans in geding zijnde terugvordering reeds in juni 1998 feitelijk is gerealiseerd. De omstandigheid dat eiser tegen de verrekening bezwaar heeft gemaakt, ruim voordat verweerder bij brief van 7 januari 1999 eiser op de hoogte heeft gesteld van het met de verrekening samenhangende terugvorderingsbesluit, kan dan ook op grond van het bepaalde in artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb niet tot de niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschrift van 30 juli 1998 leiden.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het besluit van 21 december 1998 niet in rechte kan worden gehandhaafd.

II.6. Zoals in rubriek I is aangegeven heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 21 januari 1999 de rechtbank op de hoogte gesteld van het besluit van 7 december 1998, waarbij verweerder de aan eiser over de periode van 26 december 1997 tot en met 30 april 1998 verstrekte bijstandsuitkering alsnog met toepassing van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw heeft teruggevorderd. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat deze beslissing dient te worden meegenomen in de bij de rechtbank al lopende procedure, die haar oorsprong vindt in het namens eiser ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op het bezwaarschrift van 30 juli 1998.

Bij brief van 9 februari 1999 heeft de rechtbank verweerder, onder verwijzing naar de in rubriek I vermelde brief van eisers gemachtigde van 14 januari 1999, verzocht een verweerschrift in te dienen terzake van het besluit van 21 december 1998. De rechtbank heeft daarbij miskend dat verweerder terzake reeds bij brief van 20 januari 1999 een verweerschrift had ingediend.

Voor verweerder is de brief van de rechtbank echter aanleiding geweest om bij brief van 18 maart 1999 een verweerschrift in te dienen met betrekking tot de inhoudelijke beoordeling van het namens eiser ingestelde beroep.

Bovendien heeft verweerder bij besluit van 24 maart 1999 een beslissing genomen op het namens eiser tegen het besluit van 7 december 1998 ingediend bezwaarschrift van 21 januari 1999. Daarbij wordt een en ander nog verder gecompliceerd door het feit dat de gemachtigde van eiser zich bij brief van dezelfde datum bovendien tot de rechtbank heeft gewend met het verzoek het besluit van 7 december 1998 te betrekken in de lopende beroepsprocedure.

Dienaangaande overweegt de rechtbank dat, wat er ook zij van de procesrechtelijke verwarring die uit deze gang van zaken spreekt, partijen kennelijk de bedoeling hebben gehad om ook de inhoudelijke besluitvorming met betrekking tot de jegens eiser toegepaste verrekening aan de rechtbank voor te leggen. Ook de rechtbank acht het om proceseconomische redenen aangewezen het besluit op bezwaar van 24 maart 1999 in de beoordeling te betrekken. De rechtbank acht dit met het oog op artikel 6:20 van de Awb verantwoord, nu bij dit besluit het inhoudelijk oordeel is gegeven, tegen het uitblijven waarvan het inleidende beroepschrift van 17 december 1998 was gericht.

II.7. De rechtbank staat dan ook thans voor de vraag of het bestreden besluit van 24 maart 1999 in rechte kan worden gehandhaafd. De rechtbank overweegt als volgt.

Gelet op het bepaalde in de artikel 82, aanhef en onder a, juncto de artikelen 42 en 47, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw is de rechtbank van oordeel dat verweerder de aan eiser over de periode van 26 december 1997 tot 1 mei 1998 toegekende bijstand terecht van eiser heeft teruggevorderd, nu achteraf aan eiser over deze periode een WAO-uitkering is toegekend.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder en het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) terecht toepassing hebben gegeven aan de Circulaire van de SVR van 18 april 1994, nr. 982. Zoals in de aan deze uitspraak gehechte uitspraak van heden met registratienummer url('98/1696',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=23258)is overwogen is het Lisv terecht overgegaan tot een bruto verrekening van de aan eiser toegekende WAO-uitkering met de aan eiser door verweerder verleende bijstand.

De rechtbank heeft in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de hoogte van het terug te vorderen bedrag niet juist zou zijn vastgesteld. Voor zover namens eiser is aangevoerd dat in het teruggevorderde bedrag ten onrechte een bedrag van f 350,-- aan voorschotten is opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit bedrag ziet op een aan eiser bij besluit van 20 januari 1998 verstrekt voorschot, dat reeds in februari 1998 bij de uitbetaling van de Abw-uitkering over de maand december 1997 is verrekend, zodat dit bedrag niet meer betrokken is bij de verrekening met de arbeidsongeschiktheidsuitkering van eiser.

Op grond van het voorgaande is het beroep tegen het besluit van 24 maart 1999 ongegrond.

II.8. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van

30 juli 1998, alsmede tegen het besluit van 21 december 1998 redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 2,5 punten met een waarde van ¦ 710,-- toe (0,5 punt voor de indiening van het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 30 juli 1999, 1 punt terzake van het beroep tegen het besluit van 21 december 1998 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).

Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2,5 x ¦ 710,-- x 1 = ¦ 1.775,--.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1. verklaart het beroep tegen het als een besluit in de zin van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb aan te merken niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 30 juli 1998 niet-ontvankelijk;

2. verklaart het beroep tegen het besluit van 21 december 1998 gegrond en vernietigt dit besluit;

3. verklaart het beroep tegen het besluit van 24 maart 1999 ongegrond;

4. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van ¦ 55,-- wordt vergoed door de gemeente Sittard;

5. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op ¦ 1.775,--, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door de gemeente Sittard aan eiser.

Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van

mr. C.A.M. Kavelaars als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2000 door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. C. Kavelaars w.g. R.E. Bakker

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op:

TJ

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de President van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.