Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2000:AA7895

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
24-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
03/005853/99; 03/005431/00
Formele relaties
Herziening: ECLI:NL:HR:2016:1332, Afwijzing
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummers: 03/005853-99; 03/005431-00

Datum uitspraak: 24 oktober 2000

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT

VONNIS

op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

verblijvende: Psycho Medisch Streekcentrum "Vijverdal"

Vijverdalseweg 1, 6226 NB Maastricht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 februari 2000, 30 mei 2000 en 10 oktober 2000.

De tenlastelegging

Aan verdachte is bij dagvaarding met parketnummer

03/005853-99 ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 1999 tot en met 17 november 1999 in de gemeente Maastricht, op de openbare weg het Miserecordeplein, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer1] heeft gedwongen tot de afgifte van f.50,--, in elk geval een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer1] heeft/hebben geslagen en/of een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, tegen de buik van die [slachtoffer1] heeft/hebben gedrukt, in elk geval dat mes in de richting van die [slachtoffer1] heeft/hebben gehouden;

2.

hij op of omstreeks 15 juni 1999 in de gemeente Maastricht aan een persoon genaamd [slachtoffer2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht, door deze opzettelijk met gebalde vuist (met daarin een boksbeugel, in elk geval een hard voorwerp) in het gezicht te slaan en/of te stompen en/of die [slachtoffer2] te schoppen;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 15 juni 1999 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer2] met gebalde vuist (met daarin een boksbeugel, in elk geval een hard voorwerp), in het gezicht heeft geslagen en/of gestompt en/of die [slachtoffer2] heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 15 juni 1999 in de gemeente Maastricht opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer2]), met gebalde vuist (met daarin een boksbeugel, in elk geval een hard voorwerp), in het gezicht te slaan en/of te stompen en/of die [slachtoffer2] te schoppen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 15 juni 1999 in de gemeente Maastricht [slachtoffer2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend meermalen, althans eenmaal, met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, stekende bewegingen (van korte afstand) naar het lichaam van die [slachtoffer2] gemaakt;

en bij dagvaarding met parketnummer

03/005431-00, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 7 juli 2000 in de gemeente Maastricht opzettelijk [slachtoffer3] van het leven heeft beroofd, door opzettelijk een luik van een toren (van de Helpoort) los te maken en/of (vervolgens) tegen dat luik te duwen, te slaan en/of te trappen waarna dat luik naar beneden is gevallen op voornoemde [slachtoffer3], tengevolge waarvan die [slachtoffer3] is overleden;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, - na herstel van kennelijk schrijffouten in de 4e en 5e regel - dat:

hij op of omstreeks 07 juli 2000 in de gemeente Maastricht grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig een luik van een toren (van de Helpoort) heeft losgemaakt en/of (vervolgens) tegen dat luik heeft geduwd, heeft geslagen en/of heeft getrapt, tengevolge waarvan dat luik naar beneden op het hoofd van [slachtoffer3] is gevallen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer3] zodanig letsel, heeft bekomen, dat zij aan de gevolgen daarvan is overleden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij dagvaarding met parketnummer 03/005853-99 onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij in de periode van 1 oktober 1999 tot en met 17 november 1999 in de gemeente Maastricht, op de openbare weg het Miserecordeplein, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan [slachtoffer1], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, die [slachtoffer1] heeft geslagen en een mes in de richting van die [slachtoffer1] heeft gehouden;

2 primair.

hij op 15 juni 1999 in de gemeente Maastricht aan een persoon genaamd [slachtoffer2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht door deze opzettelijk met gebalde vuist met daarin een boksbeugel in het gezicht te slaan of te stompen;

3.

hij op 15 juni 1999 in de gemeente Maastricht [slachtoffer2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte (vanaf korte afstand) opzettelijk dreigend meermalen met een mes stekende bewegingen naar het lichaam van die [slachtoffer2] gemaakt.

De rechtbank acht eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij dagvaarding met parketnummer 03/005431-00 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 7 juli 2000 in de gemeente Maastricht opzettelijk [slachtoffer3] van het leven heeft beroofd door opzettelijk een luik van een toren (van de Helpoort) los te maken en vervolgens tegen dat luik te trappen waarna dat luik naar beneden is gevallen op voornoemde [slachtoffer3], tengevolge waarvan die [slachtoffer3] is overleden.

Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte de hierboven omschreven feiten heeft begaan, op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bijzondere overwegingen ten aanzien van het bewijs van het bij dagvaarding met parketnummer 03/005431-00 primair ten laste gelegde feit;

In tegenstelling tot de conclusie van de officier van justitie en de conclusie van de raadsman heeft de rechtbank het primair ten laste gelegde feit bewezen verklaard.

Ten aanzien van de interpretatie van de bewijsmiddelen, waarnaar op de eerste plaats wordt verwezen, heeft de rechtbank het navolgende overwogen:

Bij herhaling is door de verdachte verklaard, dat het betreffende luik is losgeschoten en vervolgens naar beneden gevallen doordat hij krachtig met zijn handen tegen dat luik heeft geslagen.

Deze verklaring is naar het oordeel van de rechtbank niet geloofwaardig.

Voor dat oordeel heeft de rechtbank op de eerste plaats in aanmerking genomen het gewicht van het betreffende luik, te weten: circa 20 kilogram, en de constructie van het luik en van het dak van het gebouw.

Op fotografische opnamen is waarneembaar, dat het dak van het gebouw, bij de opening van het luik, alsmede het betreffende luik rondom zijn voorzien van een opstaande rand.

In gesloten toestand sluiten deze beide randen zodanig over elkaar, dat het luik over enige afstand moet worden getild om het uit zijn positie te krijgen.

Op de tweede plaats heeft de rechtbank in aanmerking genomen, dat op het betreffende luik een afdruk van een schoenzool is aangetroffen, welke afdruk grote gelijkenis vertoont met het patroon van de zolen van de door de verdachte op 7 juli 2000 gedragen schoenen.

Gelet op de plaats waar deze afdruk is aangetroffen, te weten: de binnenzijde van het luik, en gelet op de tamelijk duidelijke aftekening van deze afdruk, komt de rechtbank tot het oordeel, dat de mogelijkheid, dat deze afdruk van de schoenzool op het luik is gekomen, doordat de verdachte tegen dit luik heeft geschopt nadat het reeds van het dak was gestort, als niet aannemelijk van de hand moet worden gewezen.

Tenslotte heeft de rechtbank in aanmerking genomen, dat op de fotografische opnamen, welke zijn vervaardigd van de handen en de armen van de verdachte, kort na diens aanhouding, niet blijkt van enig letsel.

Gelet op het vorenomschreven gewicht en constructie van het luik is het aannemelijk, dat tegen dat luik dermate krachtig moet worden geslagen om het uit positie te krijgen, dat daarvan, mede gelet op het materiaal waarvan dit luik is vervaardigd, enig letsel aan handen of armen in redelijkheid kan worden verwacht.

Door de verdachte is verklaard, dat hij niet bekend is met de constructie van het luik in dit uit de dertiende eeuw stammende gebouw en dat hij de zichtbare moer van het draadeinde van het luik heeft gedraaid, de dwarsbalk, welke dit luik aan het dak ankerde, heeft verwijderd en vervolgens tegen het luik heeft geduwd maar dat het daarop niet openging op de wijze als door hem voorzien.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard, dat hij niet uitsluit, dat vervolgens door hem tegen dit luik is getrapt.

Gelet op deze verklaring van de verdachte en gelet op de hiervoor overwogen aspecten met betrekking tot het openen van het luik met de hand of handen, oordeelt de rechtbank dat, dat het luik -toen het door duwen niet bleek te openen op de wijze zoals de verdachte zich voorstelde dat dit luik zou openen- tenslotte door de verdachte is geopend door daartegen een krachtige trap te geven.

De verdachte moet op de hoogte zijn geweest van het feit, dat direct rondom het gebouw van De Helpoort er zich diverse personen bevonden.

Het terrein rondom De Helpoort is vrij toegankelijk en de verdachte heeft zich daar, alvorens De Helpoort te betreden, enige tijd opgehouden.

Gelet op alle hiervoor in aanmerking genomen omstandigheden heeft de verdachte, door het betreffende luik aldus te openen, welbewust de kans, dat het luik uit het dak zou storten 'op de koop toegenomen' en daarmee tevens de aanmerkelijke kans, dat het luik een zich aan de voet van het gebouw bevindende persoon dodelijk zou treffen.

Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 03/005853-99:

feit 1:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg,

voorzien en strafbaar gesteld bij 317, 1e lid, juncto 312, 2e lid aanhef onder 1° , van het Wetboek van Strafrecht.

feit 2 primair:

zware mishandeling,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 302, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

feit 3 primair:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van de dagvaarding met parketnummer 03/005431-00:

primair:

doodslag,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De strafbaarheid van verdachte

Met betrekking tot de dagvaarding met parketnummer 03/005853-99 ten aanzien van de feiten 1, 2 primair en 3:

Ten aanzien van verdachte is door drs A.F.J.M. Zwegers, psycholoog, vast gerechtelijk deskundige tweemaal een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte ingesteld. Over het eerste onderzoek - naar aanleiding de feiten 2 en 3 is gerapporteerd op 13 september 1999, welke rapportage vermeldt -zakelijk weergegeven- als conclusie:

Betrokkenen lijdt aan het ADHD-syndroom. Hij is daardoor belemmerd in zijn mogelijkheden om motieven tot handelen af te wegen en de gevolgen van zijn handelen te overzien. Deze factoren alsmede zijn persoonlijkheidsstructuur, met name de kinderlijk wijze waarop hij emoties reguleert, zijn eigenzinnigheid en gebrek aan plooibaarheid, zijn van invloed geweest op mishandeling en de bedreiging van een leraar. Daarom zijn deze feiten verdachte verminderd toe te rekenen.

Over het tweede onderzoek - naar aanleiding van onder meer feit 1- heeft de heer Zwegers gerapporteerd op 22 mei 2000, welke rapportage vermeldt -zakelijk weergegeven - als conclusie:

Het gaat bij de afpersing niet om een moment van impulsief of ondoordacht handelen, zodat dit feit niet door de ADHD-problematiek kan worden verklaard. Zijn gedrag werd bepaald door drugs en alcohol. Het gebruik hiervan kan in een functionele verwevenheid worden gezien met ADHD-problematiek. Derhalve adviseer ik om deze feiten slechts in licht verminderde mate aan betrokkene toe te rekenen.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in de rapportages gegeven conclusie en maakt deze mitsdien tot de hare.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid geheel uitsluit.

Verdachte is voor de feiten 1. 2 primair en 3 van de dagvaarding met parketnummer 03/005853-99 derhalve strafbaar.

Met betrekking tot de dagvaarding met parketnummer 03/005431-00 ten aanzien van het primaire feit:

Ten aanzien van verdachte is door drs. A.F.J. M. Zwegers, psycholoog en dr. P.J.A. van Panhuis, psychiater, vast gerechtelijk deskundigen, een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte ingesteld en van die onderzoeken hebben beiden elk een rapport opgemaakt, gedateerd respectievelijk 11 september 2000 en 28 september 2000, welke rapporten -zakelijk weergegeven- vermelden als conclusie:

dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit lijdende was aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en dat dit feit -indien bewezen- hem niet kan worden toegerekend.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in de rapportages gegeven conclusies en maakt mitsdien deze tot de hare.

De verdachte is derhalve met betrekking tot dit feit niet strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf en maatregel

Toepassing meerderjarigenstrafrecht.

Verdachte was 17 jaar oud ten tijde van het begaan van de feiten 2 en 3 van de dagvaarding met parketnummer 03/005853-99. De rechtbank is echter van oordeel dat ook voor deze feiten het meerderjarigenstrafrecht toepassing moet vinden en de artikelen 77g tot en met 77gg buiten toepassing moeten blijven. Zij vindt daartoe grond in de ernst en het karakter van deze feiten, de persoonlijkheid van de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten, alsmede zoals deze tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met schuldigverklaring zonder oplegging van straf als door de officier van justitie gevorderd omdat daarin onvoldoende tot uitdrukking komt:

- de ernst van het bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;

- de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht;

- het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke onrust die mede daarvan het gevolg is.

Om deze redenen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Hierbij heeft de rechtbank verder rekening gehouden met:

- de leeftijd van verdachte;

- de omstandigheid dat de verdachte bij vonnis van de rechtbank d.d. 3 september 1999, gewezen in de zaak met het parketnummer 03/201436-99 is veroordeeld tot straf en nu opnieuw schuldig is verklaard aan een strafbaar feit dat voor die datum is gepleegd.

De maatregel.

Het vermelde rapport van drs Zwegers d.d. 16 september 2000 houdt verder in - zakelijk weergegeven- dat:

Betrokkene is lijdende aan een psychotische stoornis met wanen en mogelijk ook met hallucinaties. Het verdere verloop van deze stoornis is niet voorspelbaar, maar de kans op spontaan herstel op korte termijn is gering. Er moet rekening gehouden worden met een chronisch beeld, hetgeen impliceert dat het niet te verwachten is dat er binnen 3 tot 5 jaar van stabiliteit binnen de psychose gesproken kan worden. Er is een verhoogde kans dat betrokkene na een herstel opnieuw psychotisch wordt en daarmee ook gevaarlijk. Betrokkene was reeds voordat hij psychotisch werd, bekend met gewelddadig gedrag. Dit verhoogt sterk het risico dat er op floride psychotische momenten ernstig gewelddadig gedrag ontstaat. Behandeling met medicatie alleen biedt onvoldoende garantie om het gevaar af te wenden. Het gevaar dat voortkomt uit de stoornis kan slechts worden afgewend door een (gedwongen) plaatsing in een kliniek. Een regulier psychiatrisch ziekenhuis kan ook op een gesloten afdeling onvoldoende de veiligheid waarborgen. Rapporteur adviseert de betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging op te leggen.

Het vermelde rapport van dr. van Panhuis d.d. 28 september 2000 houdt verder -zakelijke weergegeven in dat:

Betrokkene is lijdende aan een ziekelijke stoornis, zijnde een manische psychose, en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, zijnde een persoonlijkheidsstoornis met vooral narcistische en in minder mate antisociale trekken.

Zowel de persoonlijkheidsstoornis, de vulnerabiliteit voor psychose, als de voorgeschiedenis leren dat de kans dat de betrokkene andermaal psychotisch decompenseert, wanneer hij bijvoorbeeld stopt met medicatie of enige vorm van drugs gebruikt, zeer reëel is. De kans op zeer gevaarlijk of gewelddadig gedrag is in die conditie zeer groot.

Het is niet aannemelijk dat het kader van de BOPZ voldoende en voldoende langdurig is om betrokkenes risicofactoren in gunstige zin te beïnvloeden. Ook de ervaringen van de behandelaars van Vijverdal met betrokkene, geven aanleiding te adviseren tot het opleggen van terbeschikkingstelling met verpleging.

Gezien de inhoud van deze rapportages en het beeld dat de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van de verdachte heeft gekregen acht de rechtbank termen aanwezig het advies op te volgen.

De rechtbank zal de verdachte ter beschikking stellen om van overheidswege te worden verpleegd, nu het door verdachte begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht en de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist, waarbij de rechtbank mede in aanmerking neemt de ernst van het begane feit vermeld op de dagvaarding met het parketnummer 03/005431-00 en het leed doordat het leven van de jonge vrouw abrupt is beëindigd en dat van haar familie onherstelbaar is beschadigd.

De rechtbank zal bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd, nu zij, op grond van het vorenoverwogene, van oordeel is dat de algemene veiligheid van personen de verpleging eist.

Verbeurdverklaring

Het in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, volgens eigen opgave aan verdachte toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het voorwerp betreft:

- met behulp waarvan het bij dagvaarding met parketnummer 03/005853-99 onder feit 3 bewezen verklaarde is begaan of voorbereid.

Nu verdachte onder meer ter zake van het onder feit 2 primair van de dagvaarding met parketnummer 03/005853-99 bewezen verklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer, zijnde de hierna te noemen benadeelde partij, [slachtoffer2], aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

De vordering van de benadeelde partij

Ter terechtzitting is tevens het formulier, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [slachtoffer2] zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd.

De rechtbank heeft bij deze beslissing rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De vordering van de benadeelde partij is, voor zover die hierna zal worden toegewezen, van zodanig eenvoudige aard gebleken dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het hiervoor onder feit 2 primair van de dagvaarding met parketnummer 03/005853-99 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van ¦ 577,- en nu aan verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet van zodanig eenvoudige aard dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent, reden waarom zij zal bepalen dat deze benadeelde partij in haar vordering in zoverre niet-ontvankelijk is en die vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De op te leggen straf en maatregel zijn -behalve op voormelde artikelen- gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24, 27, 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 57, 63 en 77b van het Wetboek van Strafrecht.

Voorlopige hechtenis.

De rechtbank heeft bij beslissing van 3 februari 2000 de gevangenhouding van verdachte ter zake van feit 1 van de dagvaarding met parketnummer 03/005853-99 geschorst onder meer onder oplegging van de voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig zal maken aan een misdrijf. Verdachte heeft echter op 7 juli 2000 opnieuw een misdrijf gepleegd. Dit geeft de rechtbank aanleiding de schorsing van de gevangenhouding op te heffen.

BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding met parketnummer 03/005853-99 onder feiten 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde en het bij dagvaarding met parketnummer 03/005431-00 primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder de feiten 1, 2 primair en 3 op de dagvaarding met parketnummer 03/05853-99 en het primaire feit op de dagvaarding met parketnummer 03/005431-00 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart dat verdachte strafbaar is ten aanzien van de feiten 1, 2 primair en 3 op de dagvaarding met parketnummer 03/05853-99;

- verklaart dat verdachte niet strafbaar is ten aanzien van het primaire feit op de dagvaarding met parketnummer 03/005431-00;

- veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van NEGEN maanden;

- beveelt, dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot DRIE maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op de grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- gelast dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld, en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer2], per adres [adres slachtoffer2], te betalen een bedrag ad. ¦ 577,00, (vijfhonderdzevenenzeventig gulden), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 11 dagen;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer2], per adres [adres slachtoffer2], te betalen een bedrag van Fl. 577,00;

- verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2] voornoemd voor het overige niet ontvankelijk en verstaat dat deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanhangig kan worden gemaakt;

- Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer2] voornoemd in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze

uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat, indien verdachte aan meergenoemde benadeelde partij [slachtoffer2] voormeld bedrag ad. ¦ 577,00, (vijfhonderdzevenenzeventig gulden), heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag ad. ¦ 577,00 (vijfhonderdzevenenzeventig gulden), heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan meergenoemde benadeelde partij [slachtoffer2] komt te vervallen;

- verklaart verbeurd het volgende inbeslaggenomen voorwerp: -een mes, kleur zilver met een zwart lemmet;

- heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van heden;

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. A. Schutte, voorzitter (tevens plaatsvervangend kinderrechter), mr. F.M. van Maanen Winters en mr. P.H.J. Frénay, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.G.M. Liedekerken, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 oktober 2000.