Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2000:AA7127

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
31-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
52645
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 672
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2000/204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 31 augustus 2000

Rolnummer : 52645/1999

De arrondissementsrechtbank te Maastricht, meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

1. [appellant 1],

gevestigd te [A.],

appellante,

procureur mr. E.J.J.M. Kneepkens;

2. [appellant 2],

wonende te [H.],

appellant,

procureur mr. E.J.J.M. Kneepkens;

tegen:

[geïntimeerde],

gevestigd te [N.],

geïntimeerde,

procureur mr. J.L.J.E. Koster,

op het bij exploit van dagvaarding van 9 november 1999 ingeleide hoger beroep van het de door de kantonrechter te Heerlen op 22 september 1999 tussen [appellant 2], als eiser en geïntimeerde, hierna te noemen "[geïntimeerde]", als gedaagde onder rolnummer 57272 cv 1168/99 gewezen vonnis.

Het verloop van de procedure bij de kantonrechter

Voor het verloop van de procedure bij de kantonrechter verwijst de rechtbank naar voornoemd vonnis.

De inhoud van voornoemd vonnis, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht, wordt geacht op deze plaats te zijn ingelast.

Het verloop van de procedure in hoger beroep

In voornoemd vonnis heeft de Kantonrechter [appellant 1] niet aangemerkt als eisende partij. De rechtbank beschouwt dit als een kennelijke omissie en zal [appellant 1] aanmerken als appellante. [appellant 2] en [appellant 1] zullen hierna samen worden genoemd "[appellanten]"

Van voormeld vonnis bij eerder genoemd exploit -tijdig- in hoger beroep gekomen, hebben [appellanten] bij memorie van grieven, twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis.

Voorts hebben [appellanten] geconcludeerd dat de rechtbank alsnog voor recht verklaart dat de verkorting van de opzegtermijn met één maand als bedoeld in artikel 7:672 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is voor de opzegtermijn die de werkgever in acht dient te nemen voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst met werknemers op wie de opzegtermijn van artikel XXI van toepassing is.

Kosten rechtens.

Bij memorie van antwoord met overlegging van zeven producties heeft [geïntimeerde] de grieven van [appellanten] bestreden en geconcludeerd dat de rechtbank het vonnis zal bekrachtigen, desnodig onder aanvulling van de gronden.

Kosten rechtens.

[appellanten] hebben daarna om pleidooi verzocht. Partijen hebben daarop de zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnotities. Van die zitting is een audiëntieblad opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.

Tenslotte hebben partijen vonnis gevraagd waarvan de uitspraak bij vervroeging is bepaald op heden.

De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst de rechtbank naar de onder 2 vermelde memorie van grieven.

De tussen partijen vaststaande feiten

Tegen de vaststelling van de feiten zoals door de kantonrechter in zijn beroepen vonnis gedaan, zijn geen grieven gericht, zodat de rechtbank ook in hoger beroep daarvan zal uitgaan.

Beoordeling

De voorgestelde grieven leggen het geschil tussen partijen in zijn volle omvang aan de rechtbank ter beoordeling voor en de rechtbank zal die grieven daarom gezamenlijk bespreken en alleen indien en voorzover nodig afzonderlijk ingaan op hetgeen bij enige grief is gesteld.

De kern van het onderhavige geschil is de vraag of op een vastgestelde opzegtermijn, waarop artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid (wet van 14 mei 1998, Stb. 1998,300) van toepassing is, de korting zoals gesteld in artikel 7:672 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek mag worden toegepast.

5.3 Nu een zuiver taalkundige uitleg van de betrokken wettelijke bepalingen naar het oordeel van de rechtbank geen antwoord kan geven op de onderhavige vraag dient naar het oordeel van de rechtbank aansluiting te worden gezocht bij de bedoeling van de wetgever bij de invoering van de Wet Flexibiliteit en zekerheid.

De Wet Flexibiliteit en zekerheid wetsvoorstel nummer (25263) is in werking getreden op 1 januari 1999. Onderdeel van deze wet was artikel 7:672 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek. De redactie van dit artikel luidde:

"Indien de toestemming bedoeld in artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 is verleend, wordt de termijn van opzegging, bedoeld in lid 2, verkort met één maand, met dien verstande dat de resterende termijn van opzegging, tenminste één maand bedraagt".

Blijkens de Memorie van Toelichting is het doel van de in dit artikel genoemde verkorting verkorting van de totale beëindigingsduur van de arbeidsovereenkomst door opzegging.

In de Nota naar aanleiding van het verslag II, wetsvoorstel nummer 25263 merkt de Minister het navolgende op:

" Het overheidsontslagbeleid is er dan ook mede op gericht te voorkomen, dat ouderen bij voorrang voor ontslag in aanmerking worden gebracht...... Gelet op de noodzaak om een verkorting van de beëindigingsprocedure bij ontslag te realiseren en het draagvlak bij sociale partners voor de voorgestelde wijziging, achten wij deze aanvaardbaar. Wel wijzen wij in dit verband nog op de voorgestelde regeling van overgangsrecht (artikel XVII) die ertoe leidt, dat voor werknemers van 45 jaar of ouder, die ten tijde van de inwerkingtreding van de regeling reeds een opzegtermijn hebben opgebouwd die langer is dan die welke voor hen geldt volgens de nieuwe regeling, hun reeds opgebouwde opzegtermijn blijft gelden zolang zij bij dezelfde werkgever in dienst blijven".

Artikel XVII van de overgangsbepalingen is door vernummering geworden artikel XXI.

In de Memorie van toelichting wetsvoorstel nummer 25263, nr. 3 merkt de Minister het navolgende op over deze overgangsbepaling:

"Deze overgangsbepaling strekt ertoe dat de oudere werknemer op het tijdstip van het in werking treden van deze wet, recht blijft houden op een opzegtermijn die berekend is volgens het oude recht indien deze termijn langer is dan onder het nieuwe recht".

Deze overgangsregeling beperkt derhalve de onmiddellijke werking van het nieuwe recht voor werknemers die op het tijdstip van in werking treden van de wet 45 jaar of ouder zijn en voor wie op dat tijdstip een langere opzegtermijn gold dan volgens het nieuwe recht (de wet Flexibiliteit en zekerheid).

Tot het door de Minister genoemde "nieuwe recht" behoorde artikel 7:672 lid 4 met de vorenomschreven redactie, waarvan de verkorting van de opzegtermijn met een maand na verkregen toestemming van de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening deel uitmaakte.

Nadat de wet Flexibiliteit en zekerheid door de Tweede Kamer der Staten Generaal is aangenomen zijn in de Eerste Kamer der Staten Generaal vragen gesteld over de betekenis van de passage "...termijn van opzegging als bedoeld in lid 2..." in artikel 7:672 lid 4.

Onduidelijk was of onder termijn van opzegging de wettelijke- of contractuele opzegtermijn moest worden verstaan.

Tengevolge van de door leden van de Eerste Kamer gestelde vragen heeft de regering de redactie van dit artikel gewijzigd bij wet van 24 december 1998, Stb. 1998. Na wijziging is de passage "...termijn van opzegging als bedoel in lid 2..." vervangen door: de door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging.

De wijziging van artikel 7:672 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek had enkel als doel verduidelijking van de redactie van deze bepaling en heeft derhalve naar het oordeel van de rechtbank het bepaalde in artikel 7:672 lid 4 zoals dat luidde voor de wijziging niet wezenlijk veranderd. Evenmin had deze wijziging -anders dan [geïntimeerde] betoogt- iets van doen met de reeds onderdeel van deze bepaling uitmakende verkorting van de opzegtermijn.

5.4 De bedoeling van de wetgever was derhalve kennelijk dat verworven opzegtermijnen door werknemers die op het tijdstip van de inwerkingtreding van de wet Flexibiliteit en zekerheid 45 jaar of ouder waren in stand zouden worden gehouden indien deze langer zijn dan de opzegtermijnen zoals die zouden gelden indien vastgesteld op grond van de wet Flexibiliteit en zekerheid. Verkorting van de krachtens het oude recht verworven opzegtermijn door toepassing van artikel 7:672 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de bedoeling van de wetgever en kan daarom niet als juist worden aanvaard.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat haar oordeel bevestiging vindt in het antwoord van de Minister op een vraag vanuit de Tweede Kamer der Staten Generaal die betrekking had op de verhouding tussen artikel 7:672 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel XVII (thans artikel XXI) van de overgangsbepalingen.

In de Nota naar aanleiding van het verslag II, 25263 heeft de Minister het navolgende antwoord gegeven:

"De...aan de orde gestelde verkorting van de opzegtermijnen zal ingevolge artikel XVII niet gelden voor werknemers van 45 jaar of ouder zolang zij bij dezelfde werkgever in dienst blijven".

5.5 Al het vorenstaande brengt met zich mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven en de rechtbank opnieuw zal beslissen.

5.6 In de aard van de onderhavige procedure ziet de rechtbank aanleiding de kosten van de procedure tussen partijen te compenseren zodat iedere partij haar eigen kosten zal dienen te dragen.

6. Uitspraak

De rechtbank:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Heerlen d.d. 22 september 1999, tussen partijen onder rolnummer 57272 cv 1168/99 gewezen;

verklaart voor recht dat de verkorting van de opzegtermijn met één maand als bedoeld in artikel 7:672 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is voor de opzegtermijn die de werkgever in acht dient te nemen voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst met werknemers op wie de opzegtermijn van artikel XXI van toepassing is;

compenseert de proceskosten tussen partijen des dat iedere partij haar eigen kosten zal dienen te dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Huinen coördinerend vice-president, mr. Bergmans vice-president en mr. Douffet-Evertz, rechter, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

MG