Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2000:AA6383

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
18-05-2000
Datum publicatie
22-08-2001
Zaaknummer
00/469 GEMWT VV KLR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Conform jurisprudentie onder Woningwet 1962, mag sloop slechts worden geëist in een alternatief gestelde aanschrijving.

Dwangsomaanschrijving op grond van art. 19 Woningwet tot sloop van pand op de grond dat als gevolg van ontploffing pand het bouwwerk in ernstige mate strijdig is met de redelijke eisen van welstand. Uit de hierboven weergegeven artt. van de Woningwet, in onderlinge samenhang bezien, vloeit voort dat een aanschrijving ingevolge art. 19 primair gericht dient te zijn op het (doen) treffen van voorzieningen ten einde de strijdigheid met redelijke eisen van welstand op te heffen. Eerst wanneer de kosten van deze voorzieningen niet meer in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten opbrengsten, kan de keuze tussen het treffen van voorzieningen of sloop worden gelaten. Deze keuzemogelijkheid impliceert dat het slopen van een bouwwerk niet kan worden begrepen onder het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 19. Daarnaast moet worden geoordeeld dat, gelet op de bewoordingen van art. 23.4 Woningwet en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan, B&W bij de toepassing van deze bepaling verplicht zijn de daarbedoelde keuze te laten; zij mogen zich niet om praktische redenen, zoals de bouwkundige toestand van een pand, ontslagen achten van de verplichting om één van beide keuzen te laten. Art. 19 Woningwet biedt derhalve niet de mogelijkheid om in gevallen als i.c. uitsluitend tot sloop aan te schrijven: het - enkel- slopen van een bouwwerk, derhalve zonder de keuze te laten tussen het treffen van voorzieningen en sloop, kan dan ook slechts worden geëist in een alternatief gestelde aanschrijving.

Litigieuze aanschrijving is ten onrechte gegrond op art. 19 Woningwet dan wel is, voor zover de aanschrijving geacht moet worden te zijn gegrond op art. 19, nagelaten de keuze als bedoeld in art. 23.4 Woningwet te laten aan degene tot wie de aanschrijving is gericht.

Tijdelijke schorsing bestreden besluit.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stein, verweerder.

mr. A.G.M. Jansberg (president)

Wetsverwijzingen
Woningwet 19, geldigheid: 2000-05-18
Woningwet 21, geldigheid: 2000-05-18
Woningwet 23, geldigheid: 2000-05-18
Woningwet 23, geldigheid: 2000-05-18
Woningwet 26, geldigheid: 2000-05-18
Woningwet 26, geldigheid: 2000-05-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK MAASTRICHT

Reg. nr:00/469 GEMWT VV KLR

Uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

[verzoekster] B.V., gevestigd te Maastricht, verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stein, verweerder.

Toepassing van artikel 8:81 van de Awb wordt verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 23 februari 2000.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 23 februari 2000 heeft verweerder mw. X, wonende te Y, op de voet van het bepaalde in artikel 19 van de Woningwet aangeschreven het pand kadastraal bekend gemeente Y, sectie [..], nummer […], plaatselijk gelegen aan de [...]straat 51, binnen twee maanden na dagtekening van dit besluit te slopen, een en ander zoals nader in dit besluit omschreven. Tevens heeft verweerder bij dit besluit op grond van artikel 125 van de Gemeentewet juncto artikel 5:32 e.v. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan X, voornoemd, een last onder dwangsom opgelegd van f 3000,00 voor elke week dat niet aan voormelde aanschrijving wordt voldaan, tot een maximum van f 300.000,00.

Tegen dit besluit is namens verzoekster bij schrijven van 5 april 2000 een bezwaarschrift ingevolge de Awb ingediend bij verweerder. Bij schrijven van 20 april 2000 heeft de gemachtigde van verzoekster zich tevens gewend tot de president van deze rechtbank met het verzoek terzake een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb te treffen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van verzoekster gezonden.

De inhoud van de gedingstukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de president van de rechtbank op 15 mei 2000, alwaar voor verzoekster is verschenen haar commercieel manager P. Smeets, bijgestaan door de gemachtigde van verzoekster, mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. I.G.J. van Kempen-van Leeuwen en G.J.A. Verheijen, ambtenaren der gemeente.

II. OVERWEGINGEN.

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

De president ziet geen beletselen verzoekster in haar verzoek ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen. Voorts acht de president ook de onverwijlde spoed in genoegzame mate aangetoond.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor verzoekster uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Nu de president aan de zijde van verzoekster een bepaald spoedeisend belang aanwezig acht en derhalve niet reeds op voorhand kan worden geconcludeerd dat zij zonder enig nadeel een beslissing op bezwaar kan afwachten, is het antwoord op de vraag of sprake is van enig nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening in belangrijke mate mede afhankelijk van een voorlopig oordeel omtrent de vraag of het bestreden besluit als zodanig in een eventuele hoofdzaak zal kunnen worden gehandhaafd.

Dienaangaande wordt overwogen als volgt.

Op 17 augustus 1998 heeft zich in het bedrijfspand gelegen op het perceel aan de [...]straat 51 te Y een ontploffing voorgedaan. Als gevolg van deze ontploffing is zowel aan, als in het pand aanzienlijke schade aangericht. Behoudens een enkele uitzondering zijn de ruimten in het pand, dat gebruikt werd als garagewerkplaats, niet meer bruikbaar.

Verweerder heeft geoordeeld dat als gevolg van de ontploffing van het pand dit bouwwerk in ernstige mate strijdig is met de redelijke eisen van welstand. Dientengevolge is -aldus verweerder- ook de omgeving rond het pand ernstig ontsierd.

Bij het thans bestreden besluit van 23 februari 2000 heeft verweerder dan ook de (toenmalige) eigenaresse van het pand, mw.X, op de voet van het bepaalde in artikel 19 van de Woningwet aangeschreven, onder gelijktijdige oplegging van een last onder dwangsom, tot sloop van het gehele pand, met dien verstande dat de mogelijkheid is geboden een -nader in het besluit omschreven- ruimte te behouden, mits aan enkele -eveneens nader in het besluit omschreven- voorwaarden wordt voldaan. Aan dit besluit heeft verweerder mede ten grondslag gelegd het oordeel van de gemeentelijke welstandscommissie dat de huidige verschijningsvorm van het pand -kort gezegd- onaanvaardbaar is. Voorts heeft verweerder bij het besluit onder meer het volgende overwogen:

In het belang van het uiterlijk van de omgeving alsmede het bouwwerk zelf dienen voorzieningen te worden getroffen. De mate van ontsiering van het bouwwerk is van dien aard dat het bouwwerk (...) dient te worden gesloopt. Uit de bouwkundige onderzoeken blijkt dat ruimte 3 niet is beschadigd en deze ruimte kan worden hergebruikt met toepassing van constructieve voorzieningen. Na sloop van het bouwwerk kan herbouw worden overwogen en kan in dat geval ruimte 3 worden behouden. Wel dient deze ruimte dan in een herbouwplan te worden ingepast. Wordt herbouw niet overwogen dan dient ook deze ruimte, gelet op de welstandscriteria, te worden gesloopt (...).

Dat het pand verhuurd c.q. onderverhuurd is doet niets af aan het feit dat [mw.X] in ieder geval als eigenaresse kan worden aangeschreven. Zij heeft namelijk de juridische macht, dat wil zeggen zij heeft privaatrechtelijk bezien zeggenschap over het beëindigen van de illegale situatie. Het ligt dan ook op haar weg om in dat verband actie te ondernemen met betrekking tot de huurovereenkomsten (..).

[Mw. X] wordt door ons de meest gerede partij geacht om voorzieningen te treffen om de strijdigheid met de redelijke eisen van welstand op te heffen.

Verzoekster heeft op 5 april 2000 de juridische eigendom van het litigieuze pand verkregen. Zij heeft zich met het besluit van 23 februari 2000 niet kunnen verenigen en heeft derhalve hiertegen een bezwaarschrift doen indienen bij verweerder, alsook de president van de rechtbank doen verzoeken terzake een voorlopige voorziening te treffen, (primair) strekkende tot schorsing van het besluit.

Ten aanzien van dit verzoek wordt overwogen als volgt.

Ingevolge artikel 19 van de Woningwet -voorzover in dezen relevant- kunnen burgemeester en wethouders indien het uiterlijk van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is verleend, in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van die wet, degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het opheffen van die strijdigheid bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de doorhen aan te geven daartoe strekkende voorzieningen te treffen. In artikel 21, eerste lid, van de Woningwet is bepaald dat degene, tot wie een aanschrijving is gericht, of zijn rechtsopvolger, verplicht is daaraan te voldoen.

Voorts vloeit uit artikel 23, vierde lid, van de Woningwet, bezien in samenhang met artikel 19 juncto artikel 23, derde lid, van die wet, voort dat burgemeester en wethouders indien zij van oordeel zijn dat de kosten, verbonden aan de uitvoering van een aanschrijving, niet in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten opbrengsten en de aanschrijving geschiedt met het oog op ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Woningwet, bij die aanschrijving de keuze kunnen laten tussen enerzijds het uitvoeren van de aanschrijving en anderzijds het binnen een door hen in de aanschrijving te bepalen termijn slopen van het bouwwerk, met dien verstande dat indien het slopen krachtens enig wettelijk voorschrift verboden is, zij slechts aanschrijven tot het treffen van de voorzieningen. Daarnaast is in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet bepaald dat, spoedeisende gevallen uitgezonderd, burgemeester en wethouders niet overgaan tot toepassing van bestuursdwang in geval van strijd met redelijke eisen vanwelstand als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Woningwet, dan nadat zij de aanschrijving hebben uitgevaardigd, de termijn, bedoeld in artikel 6:7 van de Awb is verstreken of, indien gedurende die termijn op grond van artikel 8:81 van die wet een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, dat verzoek is afgewezen, en de in die aanschrijving bepaalde termijn is verstreken. Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de beschikking tot toepassing van bestuursdwang gelijktijdig met de desbetreffende aanschrijving bekendmaken. Deze beschikking tot toepassing van bestuursdwang wordt geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Awb deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft.

In het onderhavige geval heeft verweerder de in het besluit van 23 februari 2000 vervatte aanschrijving tot sloop gegrond op artikel 19 van de Woningwet. Uit de hierboven aangehaalde bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, vloeit evenwel voort dat een aanschrijving ingevolge artikel 19 van de Woningwet primair gericht dient te zijn op het (doen) treffen van voorzieningen teneinde de strijdigheid met redelijke eisen van welstand op te heffen. Eerst wanneer de kosten van (het treffen van) deze voorzieningen niet meer in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten opbrengsten, kan de keuze tussen het treffen van voorzieningen of sloop worden gelaten. Deze keuzemogelijkheid impliceert dat, anders dan aan de zijde van verweerder wellicht wordt verondersteld, het slopen van een bouwwerk niet kan worden begrepen onder het treffen van voorzieningen als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet. Daarnaast moet worden geoordeeld dat, gelet op de bewoordingen van artikel 23, vierde lid, van de Woningwet en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan, burgemeester en wethouders bij toepassing van deze bepaling verplicht zijn de daarbedoelde keuze te laten; zij mogen zich niet om praktische redenen, zoals de bouwkundige toestand van een pand, ontslagen achten van de verplichting om één van beide keuzen te laten. Artikel 19 van de Woningwet biedt derhalve niet de mogelijkheid om in gevallen als het onderhavige uitsluitend tot sloop aan te schrijven: het -enkel- slopen van een bouwwerk, derhalve zonder de keuze te laten tussen het treffen van voorzieningen en sloop, kan dan ook slechts worden geëist in een alternatief gestelde aanschrijving. De president verwijst in dit kader naar de uitspraken van de (voormalige) Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 16 april 1986 (nr. R03.84.3819) en 4 maart 1988 (nr. R03.86.3831).

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder de litigieuze aanschrijving tot sloop ten onrechte heeft gegrond op artikel 19 van de Woningwet, dan wel bij deze aanschrijving, voorzover deze geacht moet worden te zijn gegrond op voormeld artikel, heeft nagelaten de keuze als bedoeld in artikel 23, vierde lid, van de Woningwet te laten aan degene tot wie de aanschrijving is gericht (casu quo: diens rechtsopvolger). Deze aanschrijving ontbeert derhalve een juiste juridische grondslag, zodat zij in een eventuele hoofdzaak reeds hierom niet in stand zal kunnen blijven. Het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening ligt derhalve voor toewijzing gereed. Daar voormelde gebreken (mogelijk) kunnen worden geheeld bij verweerders heroverweging van het bestreden besluit, als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb, naar aanleiding van het namens verzoekster ingediende bezwaarschrift, zal de president bij wijze van voorlopige voorziening dit besluit te schorsen tot en met zes weken na de datum van verzending van de beslissing op bezwaar. Volledigheidshalve zij daarbij nog opgemerkt dat, gelet op de samenhang -als verwoord in artikel 26 van de Woningwet- tussen de aanschrijving en de oplegging van een last onder dwangsom, deze voorziening zich ook over laatstgenoemd deel van het bestreden besluit, wat daar verder ook van zij, uitstrekt.

De president acht verder termen aanwezig om verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, welk artikel in artikel 8:84, vierde lid, van die wet van overeenkomstige toepassing is verklaard, te veroordelen in de door verzoekster in verband met dit verzoek redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op het in rubriek III vermelde bedrag, waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van verzoekster twee punten zijn toegekend (voor het indienen van het verzoekschrift en het verschijnen ter zitting) en het gewicht van de zaak is bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1,0). Van andere ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende kosten is, gelet op de opgave aan de zijde van verzoekster, niet kunnen blijken.

Mitsdien wordt, mede gelet op artikel 8:84 van de Awb, beslist als aangegeven in rubriek III.

III. BESLISSING.

De president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in dier voege dat het bestreden besluit wordt geschorst tot en met zes weken na de datum van verzending van de beslissing op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de onderhavige procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op f 1420,00 (zijnde kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door de gemeente Stein aan verzoekster;

- bepaalt dat voormelde rechtspersoon aan verzoekster het door haar voor de onderhavige procedure gestorte griffierecht (ad f 450,00) volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. A.G.M. Jansberg in tegenwoordigheid van mr. R.M.M. Kleijkers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2000 door mr. Jansberg voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. R. Kleijkers . w.g. A.G.M. Jansberg

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 23 mei 2000

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Reg. nr: 00 / 469