Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2000:AA5829

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99 / 1063 GEMWT Z DAL
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Reg.nr.: 99 / 1063 GEMWT Z DAL

Inzake : [eiser], eiser,

tegen : het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Born, gevestigd te Born, verweerder.

Datum van het bestreden besluit: 8 juli 1999

Kenmerk: 99-321.

Datum zitting: 12 april 2000.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef genoemde besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit d.d. 8 februari 1999 om vóór 1 april 1999 de antennemast van het perceel […] af te breken en te verwijderen van betreffende perceel, zulks op straffe van een dwangsom van f 500,-- per dag dat de antennemast niet is verwijderd met een maximum van f 10.000,--, gegrond verklaard en voormeld primair besluit van 8 februari 1999, onder verwijzing naar de in het thans bestreden besluit gehanteerde motivering in stand gelaten.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep doen instellen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is [derde-partij] in de gelegenheid gesteld aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid gebruik is gemaakt.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser en gemachtigde van [derde-partij] gezonden.

De inhoud van deze stukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

De stukken uit de procedure met het registratienummer 99/1064 zijn ad informandum gevoegd bij de op het onderhavige beroep betrekking hebbende stukken. Partijen zijn hiervan is kennis gesteld.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 12 april 2000, alwaar eiser in persoon is verschenen bijgestaan door mr. J. in 't Ven, advocaat te Echt. Verweerder is verschenen bij gemachtigde dhr M.G.W. Rutten. Voorts is verschenen [derde-partij], vergezeld van zijn echtgenote en bijgestaan door mr. C. van Heugten, advocaat te Sittard.

II. OVERWEGINGEN.

Voor de ten deze relevante feiten verwijst de rechtbank naar de overwegingen in de tussen partijen gewezen en bij hen bekend veronderstelde uitspraak van de president in de voorzieningen procedure d.d. 26 augustus 1999. De aldaar als vaststaand aangenomen feiten en omstandigheden zijn door partijen in deze procedure niet bestreden.

Voorzover nodig en dienstig dienen deze overwegingen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

In dit geding ligt thans met in achtname van artikel 8:69, tweede lid Awb de vraag voor of verweerder terecht en op goede gronden de last onder dwangsom heeft gehandhaafd.

Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

Op grond van artikel 125 Gemeentewet juncto de artikelen 5:21 en 5:32 Awb is het college van burgemeester en wethouders bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom indien wordt gehandeld in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichting.

Onbestreden is gebleven en ook de rechtbank heeft geconstateerd dat de onderhavige aanschrijving niet in strijd is met enig in artikel 5:24 van de Awb neergelegd vereiste.

Voorts is onbestreden gebleven dat de thans opgerichte antennemast is opgericht zonder, dan wel in strijd met een daartoe op grond van artikel 40 van de Woningwet vereiste vergunning.

Verweerder was derhalve bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom.

Ten aanzien van de vraag of verweerder ook van deze bevoegdheid gebruik had moeten c.q. mogen maken, geldt in beginsel dat tegen het oprichten van bouwwerken zonder de vereiste vergunning behoort te worden opgetreden door handhaving.

Indien, zoals in casu, door een belanghebbende derde uitdrukkelijk is verzocht om tegen de illegale situatie op te treden, kan alleen in bijzondere gevallen van handhavend optreden worden afgezien. Een bijzonder geval kan worden aangenomen indien er concreet uitzicht bestaat op legalisering van de illegale situatie (ABRS 8 januari 1999, Gstm 7105, nr 4).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht en op goede gronden aangenomen dat legalisatie ter plaatse, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 8 september 1998, niet tot de mogelijkheden behoort.

De feiten en standpunten in aanmerking nemend, doet zich naar dezerzijds oordeel in het onderhavige geval vervolgens nog de vraag voor of verweerder desondanks in redelijkheid van de bestuursdwang had behoren af te zien, omdat indien zou komen vast te staan dat de oorspronkelijke vergunning uit 1989 na vernietiging van de wijziging in 1992 is herleeft en nog vigeert, de belangen van eisers buurman, op wiens verzoek verweerder tot de oplegging van de onderhavige last is overgegaan, niet beter worden gediend, terwijl de verplaatsing voor eiser een schadepost van zo'n f 13.000,-- met zich brengt.

In afwijking van het advies van de Commissie van advies voor de bezwaar-en beroepschriften van verweerders gemeente, die naar aanleiding van eisers stelling terzake op dit punt onderzoek heeft verricht en advies heeft ingewonnen bij de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG), heeft verweerder bij het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat de oorspronkelijke bouwvergunning niet meer in stand is. Verweerder heeft ter onderbouwing van dit standpunt aangevoerd de eerste bouwvergunning als ingetrokken te beschouwen en van mening te zijn dat de eerste bouwvergunning is opgegaan in de bouwvergunning van 1992. In dit kader is er op gewezen dat destijds (1992) is medegedeeld dat de tweede bouwvergunning als een wijziging van de bouwvergunning van juli 1989 werd ingeschreven, waartegen door eiser destijds, noch later bezwaar is gemaakt.

De rechtbank is op de eerste plaats van oordeel dat verweerder aldus onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het advies van de terzake bevoegde commissie, temeer nu deze commissie haar advies heeft gebaseerd op een nader onderzoek, dat door verweerder uitsluitend is weerlegd door de eigen opvatting daartegenover te stellen. De rechtbank acht zulks in strijd met de in artikel 7:12 van de Awb neergelegde motiveringsplicht, alsmede met onderzoeksplicht die op verweerder rust ex artikel 3:2 van de Awb.

Daarenboven overweegt de rechtbank nog als volgt.

Uit de voorhanden zijnde gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat aan de bouwvergunning uit 1992 geen aanvraag om bouwvergunning ten grondslag is gelegd, doch dat deze ambtshalve is verleend. De rechtbank is van oordeel dat in het stelsel van de Woningwet geen plaats is voor een beslissing omtrent een bouwvergunning, anders dan op grondslag van een daartoe strekkende aanvraag. Van een wijziging van de oorspronkelijke bouwvergunning van juli 1989 kan naar dezerzijds oordeel dan ook geen sprake zijn geweest. Het feit dat eiser toentertijd nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de bouwvergunning van januari 1992 doet hier niets aan af. Voorts acht de rechtbank in dit kader nog van belang dat niet is gebleken dat verweerder tot intrekking van de oorspronkelijke vergunning op grond van de Woningwet of de Bouwverordening heeft besloten. (Zie: VzARRS 15-11-1984, BR 1985/369). De rechtbank is derhalve van oordeel dat de oude bouwvergunning van 1989 haar rechtskracht heeft behouden.

Nu tegen deze vergunning nooit rechtsmiddelen zijn aangewend, is zij onherroepelijk geworden. Of het bouwwerk al dan niet past binnen de op de gronden waarop de vergunde antennemast was geprojecteerd rustende bestemming, is derhalve irrelevant.

Dat de mast die op dit moment geplaatst is qua uitvoering zodanig afwijkt van de oorspronkelijke bouwvergunning dat van eenvoudig terugplaatsen niet meer gesproken kan worden, kan in het kader van de belangenafweging die vervolgens dient plaats te vinden niet zonder meer van doorslaggevende betekenis zijn. De vraag die mede beantwoord dient te worden, is immers of [derde-partij] bij uitvoering van het oorspronkelijk vergunde beter af zijn dan bij de huidige situatie, en wel zodanig dat dit opweegt tegen de schade die eiser lijdt door het afbreken van de thans bestaande mast. Verweerder heeft hieromtrent zelf reeds in het bestreden besluit overwogen dat er qua hinder geen verschil bestaat voor buurman [derde-partij] wanneer de mast op de huidige locatie gehandhaafd blijft. Ook gemachtigde van [derde-partij] heeft ter zitting verklaard dat de mast waarvoor in 1989 bouwvergunning is verleend hinder zal veroorzaken.

De door verweerder gemaakte belangenafweging heeft naar het oordeel van de rechtbank plaatsgevonden op een onvoldoende cq ondeugdelijke grondslag, hetgeen in strijd moet worden geacht met het bepaalde in de artikelen 3:2, 3:4 en 7:12 van de Awb.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarbij wordt het gewicht van de zaak bepaalt op gemiddeld (wegingsfactor 1) en kent de rechtbank 2 punten (indienen beroepschrift 1 punt en verschijnen ter zitting 1 punt) toe voor door gemachtigde van eiser verrichte proceshandelingen, met een waarde van f 710,-- per punt. De vergoeding wegens verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 1 x 2 x f 710,-- = f 1420,--.

Tevens merkt de rechtbank de reiskosten van eiser (op basis van de kosten van openbaar vervoer, laagste klasse) en diens verletkosten (2 uur a f 31,25 per uur) wegens het bijwonen van de zitting aan als door verweerder te vergoeden kosten.

Gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt mitsdien beslist als volgt.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

2. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op ? (waarvan kosten van rechtsbijstand f 1420,--) te vergoeden door de gemeente Born aan eiser;

3. bepaalt dat de gemeente Born aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad f 210,-- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. J.N.F. Sleddens in tegenwoordigheid van mw. mr. L.M.J.A. Dassen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2000 door mr. Sleddens voornoemd in aanwezigheid van voornoemde griffier.

w.g. L.M.J.A. Dassen w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift:

De wnd-griffier:

Verzonden op:

hw

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.