Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:1999:AA8247

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
10-11-1999
Datum publicatie
28-08-2001
Zaaknummer
99/1410 WW VV SEE
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 27, geldigheid: 1999-11-10
Werkloosheidswet 24, geldigheid: 1999-11-10
Werkloosheidswet 24, geldigheid: 1999-11-10
Werkloosheidswet 24, geldigheid: 1999-11-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2000, 43

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: 99/1410 WW VV SEE

Uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in het geschil tussen:

[verzoeker] te [woonplaats], verzoeker,

en

Bestuur van het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen - GAK Nederland BV Heerlen -, verweerder.

Toepassing van artikel 8:81 van de Awb wordt verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 4 oktober 1999, kenmerk WW 1556.52.242.

Datum van behandeling ter zitting: 3 november 1999

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder de werkloosheidsuitkering van verzoeker met ingang van 30 augustus 1999 blijvend geheel geweigerd, omdat verzoeker verwijtbaar werkloos is geworden.

Tegen dit besluit is namens verzoeker bij schrijven van 13 oktober 1999 een bezwaarschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij verweerder. Tevens heeft verzoeker zich bij schrijven van 15 oktober 1999 gewend tot de president van de rechtbank met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan verzoekers gemachtigde gezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 3 november 1999, waar .verzoeker in persoon is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde mr. E.G.M.G. Huntjens.. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw.mr. R.G. Cremers.

II. OVERWEGINGEN.

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

De president concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan nu verzoeker een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank te Maastricht bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.

Als aanstonds moet worden geconcludeerd dat verzoeker zonder enig nadeel een beslissing in de hoofdzaak kan afwachten, dan dient het verzoek om een voorlopige voorziening reeds op die grond te worden afgewezen en komt de president aan een verdere belangenweging als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb niet toe.

Is een bepaald spoedeisend belang wel aanwezig, dan bestaat pas aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening indien het belang van verzoeker blij de gevraagde voorziening zodanig is dat het zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij afwijzing van die voorziening en bij onmiddellijke uitvoering van het besluit. In het kader van die belangenweging kan worden betrokken een voorlopig oordeel van de president over het geschil in de hoofdzaak.

De president is van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet reeds op voorhand door de afwezigheid van elk spoedeisend belang afgewezen dient te worden. De president komt dan ook toe aan een verdere belangenweging als hierboven bedoeld.

Dienaangaande is overwogen als volgt.

Verzoeker heeft laatstelijk tot 1 augustus 1999 gewerkt als medewerker [functie] bij werkgever [werkgever] te [plaats].

Verzoeker was sedert 1 april 1999 werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op 15. juni 1999 heeft verzoeker op initiatief van de werkgever een beëindigingsovereenkomst ondertekend, waarbij de. arbeidsovereenkomst werd beëindigd met ingang van 1 augustus 19,99. Verzoeker heeft op 5 september 1999 verweerder verzocht om een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 2 augustus 1999.

Bij het thans bestreden besluit van 4 oktober 1999 heeft verweerder de werkloosheidsuitkering van verzoeker met ingang van 30 augustus 1999 blijvend geheel geweigerd, omdat verzoeker verwijtbaar werkloos is geworden door accoord te gaan met ontslag met wederzijds goedvinden.

Namens verzoeker is aangevoerd - kort samengevat - dat ingevolge het Besluit verweer tegen ontslag een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden geoorloofd is, indien niet aannemelijk is dat een verweer (gericht op het continueren van de dienstbetrekking) kans van slagen heeft. Voorts is aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen doordat verweerder heeft nagelaten een nader onderzoek in te stellen naar de omstandigheden waaronder het ontslag heeft plaatsgevonden.

De president dient een voorlopig oordeel te geven over de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker verwijtbaar werkloos is geworden en op grond daarvan terecht besloten heeft de werkloosheidsuitkering van verzoeker blijvend geheel te weigeren.

Dienaangaande is overwogen als volgt.

Artikel 24 van de WW -voorzover relevant- luidt als volgt:

1. De werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt;

2. De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden indien:

b. de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.

Artikel 1 van het Besluit verweer tegen ontslag (hierna: het besluit verweer) luidt als volgt: Het Landelijk instituut sociale verzekeringen voert ter zake van verweer tegen ontslag een beleid als weergegeven in de bijlage bij dit besluit.

BIJLAGE (als bedoeld in artikel 1 van het besluit verweer).

"Om verwijtbare werkloosheid te voorkomen dient de werknemer verweer te voeren tegen een verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan de kantonrechter of een aanvraag om een ontslagvergunning bij de RDA indien aannemelijk is dat het verweer slaagt. De werknemer voert in het verweer al het mogelijke aan om te trachten de arbeidsovereenkomst in stand te houden.

Indien aannemelijk is dat het verweer slaagt is

- pro forma-verweer of

- pro forma-verweer in combinatie met, een pro forma-mondelinge behandeling niet voldoende om verwijtbare werkloosheid te voorkomen.

Indien niet aannemelijk is dat het verweer slaagt wordt dit niet verlangd.

Een pro forma-verweer wordt ook niet verlangd. Een werknemer hoeft dan niet te staan op afgifte van een ontslagvergunning.

Indien een werknemer afziet van mondelinge behandeling door de kantonrechter omdat alle argumenten tegen de ontbinding in het verweerschrift zijn opgenomen, of anderszins mondelinge behandeling niets zou toevoegen, wordt hem dat niet verweten. Een ontslagvergunning of beschikking van de kantonrechter is op zich niet voldoende om verwijtbare werkloosheid te voorkomen. Indien de beschikbare stukken (bijvoorbeeld van de ontbinding- of RDA-procedure) niet voldoende duidelijkheid geven over de feiten en omstandigheden die tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst hebben geleid stelt de uitvoeringsinstelling actief een onderzoek in."

Artikel 27 van de WW - voorzover relevant - luidt als volgt:

1. Indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, onder 30 opgelegd, niet is nagekomen, weigert, het Landelijk instituut. sociale verzekeringen de uitkering blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het Landelijk instituut sociale verzekeringen de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35. 6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.

Ten gevolge van de invoering van de wet Boeten is er (ook) sprake van verwijtbare werkloosheid indien een werknemer onnodig actief of passief heeft meegewerkt aan de beëindiging van de dienstbetrekking. Onder "onnodig" dient in dit verband bijvoorbeeld te worden verstaan, dat de werknemer instemt met, berust in of meewerkt aan de beëindiging van de dienstbetrekking op initiatief van de werkgever, terwijl aan de voortzetting van de dienstbetrekking als zodanig geen bezwaren van dien aard zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van de werknemer zou kunnen worden gevergd.

De president is - voorshands - van oordeel dat verzoeker door accoord te gaan met de "Agreement termination employment" in plaats van te wachten op een - eventuele - ontslagvergunning van de RDA of een ontbinding door de kantonrechter verwijtbaar werkloos, is geworden. Daarbij heeft de president overwogen dat het besluit verweer in casu niet van toepassing is, omdat dit besluit ziet op situaties waarbij reeds een verzoek tot ontbinding bij de kantonrechter dan wel een aanvraag om een ontslagvergunning bij de RDA is ingediend. Uit gedingstuk 5 (brief van 9 juli 1999) blijkt duidelijk dat is afgezien van een verzoek om ontbinding waarvan wordt gesproken in eerdergenoemde ."Agreement".

Met betrekking tot de stelling van verzoeker dat een inhoudelijk verweer bij de kantonrechter niet zou hebben geleid tot het in stand blijven van de arbeidsovereenkomst, overweegt de president dat niet het eventueel afzien van een inhoudelijk verweer, maar het accoord gaan met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met "wederzijds goedvinden” aan verzoeker kan worden verweten.

Voorts is de president - niet gebleken dat (desnoods tijdelijke) voortzetting van de dienstbetrekking redelijkerwijs niet van verzoeker zou kunnen worden gevergd. In dit verband valt allereerst op te merken dat het aan verzoeker is om feiten en/of omstandigheden aan te voeren op grond waarvan zulks aannemelijk is te achten. Hierin is verzoeker naar het oordeel van de president niet althans onvoldoende geslaagd. Daarnaast is overwogen dat verzoeker sedert november 1998 in dienst was bij de werkgever en, gelet op zijn vaste aanstelling per april 1999, klaarblijkelijk naar behoren functioneerde. Ter zitting is tevens komen vast te staan dat eiser zich niet arbeidsongeschikt voelde, zich niet ziek heeft gemeld en ook geen contact heeft gehad met zijn huisarts.

Tenslotte is de president - voorshands - niet gebleken van feiten/omstandigheden die zouden leiden tot een verminderde verwijtbaarheid, of een dringende reden, op grond waarvan verweerder zou behoren af te zien van onderhavige sanctie op grond van artikel 27 van de WW.

Aangezien de president niet inziet wat voor relevante (nieuwe) feiten een nader onderzoek bij de voormalig werkgever van verzoeker zou kunnen opleveren, kan - voorshands - niet gezegd worden dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Ook overigens kan niet gezegd worden dat het bestreden besluit strijd oplevert met het geschreven of ongeschreven recht, dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Op grond van voorgaande overwegingen is de president, voorshands, van oordeel dat verweerder terecht heeft besloten verzoekers werkloosheidsuitkering blijvend geheel te weigeren met ingang van 30 augustus 1999.

Het verzoek om een voorlopige voorziening dient dan ook te, worden afgewezen.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:84.van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht: wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. H.J.O. Martens in tegenwoordigheid van mr. E.W. Seylhouwer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 november 1999 door mr. Martens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

verzonden op:

10 NOV. 1999