Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:1999:AA4010

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-11-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99 / 1423 WW44 VV DAL
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: 99 / 1423 WW44 VV DAL

Uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in het geschil tussen:

A te B, verzoeker,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Vaals, verweerder.

Toepassing van artikel 8:81 van de Awb wordt verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 13 september 1999, kenmerk no. 99/2160.

Datum van behandeling ter zitting: 2 november 1999

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder onder gelijktijdig verlenen van een vrijstelling als bedoeld in artikel 2.4.1, tweede lid van de Bouwverordening, bouwvergunning verleend aan de Z(hierna: de vergunninghouder) voor het oprichten van een schuur op het perceel plaatselijk bekend […] te […], kadastraal bekend gemeente Vaals, sectie […], nummer […].

Tegen dit besluit is namens verzoeker bij schrijven van 15 oktober 1999 een bezwaarschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vaals. Tevens heeft verzoeker zich gewend tot de president van de rechtbank met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb.

Op voet van artikel 8:26 van de Awb is de vergunninghouder in de gelegenheid gesteld om aan het geding deel te nemen van welke gelegenheid hij gebruik heeft gemaakt.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van verzoeker gezonden, alsmede aan de vergunninghouder.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 2 november 1999, waar verzoeker in persoon is verschenen in gezelschap van zijn echtgenote en bijgestaan door zijn gemachtigde mr J.H.M. Verjans, terwijl verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde mr L.G.H.M. Zweipfenning. Voorts is verschenen de vergunninghouder.

II. OVERWEGINGEN.

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De president ziet geen beletselen om verzoeker in zijn verzoek te ontvangen, ook acht hij het spoedeisend belang, gezien de intentie van de vergunninghouder om een aanvang te maken met de bouwwerkzaamheden, in afdoende mate gegeven.

Als aanstonds moet worden geconcludeerd dat verzoeker zonder enig nadeel een beslissing in de hoofdzaak kan afwachten, dan dient het verzoek om een voorlopige voorziening reeds op die grond te worden afgewezen en komt de president aan een verdere belangenweging als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb niet toe. Is een bepaald spoedeisend belang wel aanwezig, dan bestaat pas aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening indien het belang van verzoeker bij de gevraagde voorziening zodanig is dat het zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij afwijzing van die voorziening en bij onmiddellijke uitvoering van het besluit. In het kader van die belangenweging kan worden betrokken een voorlopig oordeel van de president over het geschil in de hoofdzaak.

Hierbij gaat de president uit van de enerzijds gestelde en anderzijds ontkende dan wel niet of onvoldoende weerlegde, alsmede uit het verhandelde ter zitting en de gedingstukken, gebleken feiten en omstandigheden.

Bij aanvraag van 23 juli 1999 heeft vergunninghouder verzocht om vergunning voor de bouw van een schuur/stalling op het perceel […] , kadastraal bekend gemeente Vaals […]. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de verzochte vergunning verleend onder vrijstelling als bedoeld in artikel 2.4.1, tweede lid van de Bouwverordening, aangezien de aard en de functie van het bouwwerk een verbod om te bouwen op verontreinigde grond niet redelijk werd geacht.

Tegen dit besluit is bezwaar aangetekend, alsmede teneinde dreigend onevenredig nadeel te voorkomen een voorlopige voorziening aangevraagd. Hierbij is aangevoerd dat de vergunning onder valse voorwendselen is afgegeven, aangezien verzoeker redenen heeft om aan te nemen dat het gebouw zal worden aangewend ten behoeve van het stallen van paarden, welk gebruik in strijd zou zijn met de ter plaatse vigerende bestemming. Voorts is aangevoerd dat het bouwplan tevens in strijd is met de bestemmingsplanbepalingen in dier voege dat de voor bijgebouwen maximaal toegestane goothoogte wordt overschreden. Ter zitting heeft verzoeker daaraan nog toegevoegd dat onduidelijk is in hoeverre de op het perceel nieuw in aanbouw zijnde woning eveneens bijgebouwen omvat, zodat het maximaal toegestane aantal vierkante meters bijgebouwenvloeroppervlakte wordt overschreden, nu de vloeroppervlakte van de geprojecteerde schuur reeds 70 m2 bedraagt.

Voorlopig oordelend in de hoofdzaak wordt als volgt overwogen. Ingevolge artikel 44, aanhef en onder a tot en met e, van de Woningwet mag alleen en moet de bouwvergunning worden geweigerd, indien: het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de bij of krachtens de in artikel 2 en 120 bedoelde algemene maatregelen van bestuur gegeven voorschriften of, voor zover van toepassing, de voorschriften bedoeld in artikel 7a; het bouwwerk niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening en, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, aan de voorschriften die bij een in artikel 8, achtste lid, of bij of krachtens een in artikel 120 bedoelde algemene maatregel van bestuur zijn gegeven; het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen; het bouwwerk naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan artikel 12, eerste lid, of voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.

Betoogd is dat in casu de onder c van voormeld artikel genoemde weigeringsgrond zich voordoet.

Op de betreffende gronden rust ingevolge het ter plaatse vigerende bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "woondoeleinden". Op deze gronden zijn ingevolge het eerste juncto het tweede lid van artikel 2.06 van de planvoorschriften uitsluitend ten behoeve van "wonen" toegelaten: woningen, bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven en bijbehorende voorzieningen.

Allereerst dient in dit kader, gelet op de bovenvermelde planvoorschriften, de vraag te worden beantwoord of de geprojecteerde schuur/stalling kan worden aangemerkt als een bijgebouw in de zin van de vigerende bestemmingsplanbepalingen. Ingevolge de begripsbepalingen in artikel 1.01 aanhef en onder 13 wordt onder bijgebouw verstaan: "een gebouw, behorende bij en in functie ondergeschikt aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen woning.".

De president is voorshands van oordeel dat het houden en stallen van twee eigen sportpaarden is aan te merken als het hobbymatig houden van dieren, hetgeen in beginsel als zodanig niet op voorhand strijdig is te achten met de bestemming "woondoeleinden". Dit maakt dat de geprojecteerde schuur geacht kan worden in functie ondergeschikt te zijn aan de op het betreffende perceel gelegen woning. De president acht hierbij nog van belang dat op de bij de vergunning behorende bouwtekeningen daadwerkelijk slechts twee stallingen staan vermeld, terwijl de vergunninghouder ter zitting uitdrukkelijk heeft gestipuleerd dat hij ten hoogste twee eigen paarden in de betreffende schuur zal houden c.q. stallen.

Bij de toetsing van een bouwplan aan het van toepassing zijnde bestemmingsplan en de daartoe behorende voorschriften moet niet slechts worden bezien, of het beoogde bouwwerk kan worden gebruikt overeenkomstig de aan het betrokken perceel gegeven bestemming, doch mede of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Door verzoeker is bestreden dat het gepretendeerde beoogde gebruik ook daadwerkelijk zal plaatsvinden en de vrees geuit dat het gebouw gebruikt zal gaan worden ten behoeve van stalling van vier paarden.

De zich onder de gedingstukken bevindende tekeningen en het verhandelde ter zitting geven de president geen objectieve aanwijzingen dat het gebouw niet zou voldoen aan de eisen die daaraan voor het beweerdelijke gebruik gesteld zouden moeten worden. Ook voor het overige is, met name gelet op hetgeen hiervoor in het kader van de vraag of de schuur kan worden aangemerkt als bijgebouw in de zin van het vigerende bestemmingsplan reeds is overwogen, niet aannemelijk geworden dat het gebouw niet conform de op de gronden rustende bestemming gebruikt zal gaan worden.

Ten aanzien van de andere aangevoerde bezwaren wordt nog als volgt overwogen. In artikel 2.06, derde lid onder B is voor bijgebouwen bepaald:

"1. de afstand van de bijgebouwen tot de tot "Wegverkeer VW" bestemde gronden mag niet minder bedragen dan de afstand van de woning tot de tot "Wegverkeer VW" bestemde gronden;

2. de goothoogte mag niet meer dan 3 meter bedragen;

3. de totale bebouwde oppervlakte van de bijgebouwen mag niet meer dan 70 m2 bedragen, waarbij ten minste 60% van de bestemming onbebouwd moet blijven;

4. de afstand tot de woning mag niet meer dan 30 meter bedragen.".

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de president niet gebleken dat het bouwplan aan deze voorschriften niet voldoet. Door vergunninghouder is ter zitting desgevraagd medegedeeld dat de in aanbouw zijnde woning wordt opgericht binnen de grenzen van het daar reeds aanwezige bouwblok. Van (andere) bijgebouwen is geen sprake. Zo is er met name geen garage of (los staand) berghok. De bij de woning te bouwen bijkeuken, maakt zowel functioneel als architectonisch onderdeel uit van het hoofdgebouw en is derhalve niet aan te merken als bijgebouw. Nu ook van overige weigeringsgronden niet is gebleken, was verweerder mitsdien gelet op het limitatief/imperatief stelsel van de Woningwet, gehouden de bouwvergunning te verlenen. Het feit dat de zoon van verzoeker cara-patiënt is, kan bij de beoordeling van de vergunningaanvraag dan ook geen gewicht in de schaal leggen.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:84 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. J.N.F. Sleddens in tegenwoordigheid van mr. L.M.J.A. Dassen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 november 1999 door mr. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. L.M.J.A. Dassen w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden op: 4 november 1999 hw

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.