Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:1999:AA3503

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
15-03-1999
Datum publicatie
23-08-2001
Zaaknummer
97/2023 NABW Z BIM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 51
Algemene bijstandswet 52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 1999, 58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Reg.nr.: 97/2023 NABW Z BIM

Inzake: A, eiser,

tegen:

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Heerlen, gevestigd te Heerlen, verweerder.

Datum van het bestreden besluit:

8 juli 1997 Kenmerk: 01.21/4684/B96264MT.

Datum zitting: 10 februari 1999

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 8 juli 1997 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser d.d.4 december 1996 gericht tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag voor een bijstandsuitkering alsmede tegen het besluit van 12 december 1996, waarbij zijn aanvraag is afgewezen, gegrond verklaard in die zin dat zijn vermogen is bepaald op en voor het overige ongegrond.

Voorts is hem met ingang van 15 december 1996 een bijstandsuitkering toegekend naar de voor hem geldende norm. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Blijkens hetgeen door hem in beroep is gesteld, kan hij zich niet met dit besluit verenigen. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden. De inhoud van deze stukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd. De tijdens de loop van het geding aan het dossier toegevoegde stukken zijn aan partijen gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 10 februari 1999.

Eiser is met kennisgeving niet verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevr. I.M.T. Timmermans.

II. BEOORDELING.

In deze staat vast dat eiser begin augustus 1996 vanuit Zwitserland naar Nederland is teruggekeerd, nadat zijn huwelijk was stukgelopen. Het echtscheidingsvonnis is door de Zwitserse rechter op 5 maart 1997 uitgesproken.

Eiser heeft op 28 augustus 1996 een aanvraag voor een bijstandsuitkering ingediend.

Partijen zijn het erover eens dat het bedrag van f 6.500,-waarvoor hij zijn auto heeft verkocht, tot zijn vermogen per, 28 augustus 1996, de datum aanvraag, moet worden gerekend.

Het staat voorts vast dat eiser in mei 1997 de beschikking heeft gekregen over f 10.088,-- aan pensioengelden, die hem in verband met zijn echtscheiding zijn toegekend.

Vanwege het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraagheeft eiser op 4 december 1996 een bezwaarschrift ingediend alsmede een voorlopige voorziening voor deze rechtbank aanhangig gemaakt.

Verweerder heeft op 12 december 1996 negatief beslist op de aanvraag van eiser vanwege overschrijding van het vrij te laten vermogen, het ontbreken van voldoende stukken en een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

De president van deze rechtbank heeft eiser bij wijze van voorlopige voorziening d.d. 20 december 1996 onder meer voorschotten in de vorm van een geldlening ter hoogte van 80% van de voor hem geldende bijstandsnorm toegekend.

Eiser heeft tegen het voor hem negatieve besluit van 12 december 1996 bezwaar aangetekend. Hij heeft zijn bezwaar op 22 januari 1997 en 24 mei 1997 nader onderbouwd, waarna hij heeft afgezien van een hoorzitting.

Verweerder heeft daarop het bestreden besluit genomen, waartegen eiser gemotiveerd beroep heeft ingesteld.

Verweerder hanteert in het bestreden besluit één peildatum, nl. 28 augustus 1996, de datum van de aanvraag, en stelt zich op het standpunt dat beide vermogensbestanddelen, de waarde van de auto en de pensioengelden, op die datum tot het vermogen, groot behoren. Van dit vermogen geldt f 9.300,-- als het vrij te laten vermogen wat inhoudt dat eiser het overige, te weten f 7.288,--, dient in te teren alvorens hij in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering. Dit laatste is het geval op 15 december 1996.

Eiser stelt daarentegen in beroep dat zijn vermogen op twee data dient te worden gepeild, nl. op de datum van de aanvraag (28 augustus 1996) en per (1) mei 1997, de datum waarop hij feitelijk over zijn pensioengelden beschikte.

Eiser stelt dat hem per datum aanvraag een bijstandsuitkering had moeten worden toegekend, omdat zijn vermogen (f 6.500,--, de waarde van de auto) op dat moment lager was dan het vrij te laten bedrag van f l9.300,--.

Voorts stelt hij dat het verschil tussen de bijstandsuitkering (f1.296,42) en de uitkeringsnorm (f 2.032,48), te weten f l736,--,per maand op zijn vermogen in mindering mag worden gebracht, zodat zijn vermogen op 1 mei 1997 was geslonken tot f 612,--. Per deze laatste datum nam zijn vermogen door de uitbetaling van zijn pensioengelden met f 10.088,-- toe, zodat verweerder zijn vermogen toen weer opnieuw had moeten vaststellen. Het vrij te laten vermogen werd op dat moment met f 1.400,-- overschreden, hetgeen betekent dat hij mogelijk alleen over mei 1997 geen recht op bijstand had.

Verweerder heeft bij verweerschrift gesteld dat het niet juist zou zijn dat iemand die op verschillende achtereenvolgende tijdstippen over vermogen beschikt in de tussentijd op dat vermogen mag interen en dus steeds over het maximale vrijgestelde vermogen beschikt. Als eiser per datum aanvraagbijstand zou hebben ontvangen, dan zou deze bijstand een voorlopig karakter hebben gehad, omdat de omvang van de pensioengelden op die datum een onzekere factor was. Op het moment dat hij over die gelden beschikt, zou verrekening hebben plaatsgevonden en zou hij ook per 15 december 1996 recht op bijstand hebben gehad. Bij het bestreden besluit is alles achteraf in een keer meegenomen met uiteindelijk hetzelfde resultaat.

Deze stellingen zijn ter zitting aangevuld door te verwijzen naar de Memorie van Toelichting op artikel 51, waarin, kort samengevat, wordt gesteld dat een aanspraak op vermogen, die bestaat bij de beoordeling van de aanvraag, terwijl men er feitelijk niet over kan beschikken, als op dat moment aanwezig vermogen dient te worden beschouwd.

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of verweerderterecht en op goede gronden het vermogen van eiser per datumaanvraag heeft vastgesteld op f 16.588,--.

Partijen verschillen op de eerste plaats van mening over de vraag of het vermogen van eiser aan de hand van één peildatum, te weten 28 augustus 1996, dient te worden vastgesteld of aan de hand van twee peildata, nl. 28 augustus 1996 en 1 mei 1997.

Ingevolge artikel 7 lid 1 van de Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om inde noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Onder middelen verstaat de wetgever in artikel 42 van de Abw alle vermogensen inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

De rechtbank is van oordeel dat de pensioengelden die in deze zaak centraal staan, vermogensbestanddelen zijn in de zin van artikel 42 van de Abw (zie CRVB 9 december 1997, JABW 1998/31).

onder vermogen verstaat de wetgever in artikel 51 lid 1 van de Abw.

a. de waarde van bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij aanvang van de bijstandsverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden;

b. de op grond van paragraaf 1 in aanmerking genomen middelen die worden ontvangen tijdens de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, voor zover deze geen inkomen zijn als bedoeld in artikel 47.

In artikel 52 lid 1 van de Abw is bepaald wat niet als vermogen in aanmerking wordt genomen: b. het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54; C. vermogen ontvangen tijdens de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, tot het bedrag dat het bij de aanvraag om bijstand aanwezige vermogen minder bedroeg dan de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54; ...

Eiser had blijkens het overzicht van de Pensionskasse der Stadt Aarau d.d. 17 april 1997 vanaf 31 juli i996, de datum waarop hij uit de pensioenvoorziening trad wegens beëindiging van zijn werkkring, een aanspraak op de door hem opgebouwde pensioenrechten. Gegeven is daarmee dat hij op de datumaanvraag, 28 augustus 1996, aanspraak had op pensioengelden.

In de Memorie van Toelichting (verder: MvT) op artikel 51 van de Abw (Kamerstukken II 1991/92, 22 545, nr. 3, p. 52) staat dat het uitgangspunt ten aanzien van de vaststelling van de omvang van iemands vermogen is dat het tijdstip waarop middelen feitelijk worden ontvangen, niet van invloed dient te zijn op het recht op bijstand en dat daarom volgens de Abw wordt gehandeld alsof deze middelen al aanwezig waren bij de aanvang van de bijstand. Het bij de aanvraag beschikbare vermogen, het tijdens de bijstandsperiode ontvangen vermogen, alsmede het vermogen waarop bij de aanvraag wel een aanspraak bestond, maar waarover feitelijk nog niet kon worden beschikt, worden volgens de MvT alle beoordeeld als waren zij reeds aanwezig ten tijde van de bijstandsaanvraag.

In het geval van eiser bestond op het moment van de aanvraagaanspraak op pensioengelden, terwijl hij daarover feitelijk nog niet beschikte c.q. kon beschikken. Uitbetaling vond immers pas plaats in mei 1997. Omdat blijkens de MvT voor de vaststelling van de omvang van het vermogen van de aanvragerenkel bepalend is of er een aanspraak bestaat op het moment van de aanvraag en eiser op dat moment een dergelijke aanspraak had, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de pensioengelden, welke som ten tijde van het bestreden besluit inmiddels bekend was, terecht betrokken bij de vaststelling van de omvang van het vermogen op de datumaanvraag. Eisers grief op dit punt slaagt niet.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de stelling van eiser terzake het interen op zijn vermogen in de periode tussen de datum aanvraag en de datum waarop hij over de pensioengelden kon beschikken, onjuist is. Vermogensbestanddelen die tijdens de periode van bijstandsverlening worden verworven en die niet onder de vrijlatingen van artikel 52 van de Abw vallen, zoals in dit geval, zijn van invloed op het vermogenssaldo, zoals dat in de vermogensstaffel wordt weergegeven. Deze nieuwe vermogensbestanddelen worden opgeteld bij het reeds aanwezige vermogen. Het aanvangsvermogen blijft dus steeds in zijn geheel onderdeel van die vermogensstaffel, waarbij van intering geen sprake is. ook deze grief baat eiser daarom niet.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. G.J. Haack

in tegenwoordigheid van mr. C. Schrammen als griffier

en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 1999 door mr. Haack voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. C. Schrammen w.g. G.J. Haack

Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden op 15 maart

FE

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang staat voor het bestuursorgaan en een belanghebbende, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid open om de Voorzitter van de Centrale Raad van Beroep te adiëren met een verzoek ex artikel 8:81 van de Awb.