Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:1998:AA3441

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
24-11-1998
Datum publicatie
23-08-2001
Zaaknummer
98 / 4 NABW Z NAE
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Reg.nr.: 98 / 4 NABW Z NAE

Inzake : A te B, eiser,

tegen : Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Heerlen, gevestigd te Heerlen, verweerder.

Datum van het bestreden besluit: 30 oktober 1997 Kenmerk: 01.21/B97395SV /T97034SV.

Datum van behandeling ter zitting: 14 oktober 1998.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 30 oktober 1997 (verzonden op 24 november 1997) heeft verweerder het door eiser ingediende bezwaarschrift van 16 september 1997 tegen het door verweerder genomen besluit van 5 augustus 1997 niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit heeft eiser bij schrijven van 5 januari 1998 beroep ingesteld. Bij brief van 16 april 1998 heeft mr. W.J.Th.B. Gerlag, advocaat te Kerkrade, zich als gemachtigde van eiser gesteld.

Bij brief van 2 juni 1998 (met bijlage) heeft voornoemde gemachtigde het standpunt van eiser nader toegelicht.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn op 22 juli 1998 in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 14 oktober 1998, alwaar namens eiser is verschenen mr. Gerlag, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. I.M.T. Timmermans-Wijnands, ambtenaar ter gemeentesecretarie.

II. OVERWEGINGEN.

Bij besluit van 5 augustus 1997 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van een ten aanzien van hem genomen besluit ingevolge de Algemene Bijstandswet.

Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend, gedateerd 16 september 1997 en ingekomen bij verweerder op 18 september 1997.

Bij brief van 23 september 1997 is eiser in de gelegenheid gesteld om op 20 oktober 1997 op het bezwaarschrift te worden gehoord. Van die gelegenheid heeft eiser geen gebruik gemaakt.

Desgevraagd heeft eiser verweerder bij brief van 29 oktober 1997 nadere inlichtingen verstrekt omtrent de redenen van het - door verweerder gestelde - te laat indienen van het bezwaarschrift.

Vervolgens heeft verweerder bij het thans bestreden besluit het bezwaarschrift van eiser niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

Hiertoe heeft verweerder overwogen dat het bezwaarschrift, nu het poststempel van de desbetreffende envelop gedateerd is op 17 september 1997, een dag na het verstrijken van de bezwaartermijn en derhalve niet tijdig is ingediend. Voorts heeft verweerder overwogen dat volgens constante jurisprudentie vakantie geen omstandigheid is die termijnoverschrijding verschoonbaar maakt en dat de door eiser aangevoerde omstandigheden dan ook niet zodanig van aard zijn dat eiser zich daarop kan beroepen en er voldoende tijd is geweest om in ieder geval een voorlopig bezwaarschrift in te dienen.

In beroep is namens eiser - kort gezegd - aangevoerd dat eiser het bezwaarschrift op 16 september 1997 heeft geschreven en op dezelfde dag, derhalve tijdig, in de brievenbus heeft gedeponeerd casu quo ter post heeft bezorgd. Voorts heeft eisers gemachtigde aangevoerd dat het poststempel op de envelop niet meer dan een vermoeden van het toevertrouwen aan de PTT oplevert en heeft hij gewezen op de optredende vertragingen in de postverwerking gedurende de laatste jaren.

In het verweerschrift is - samengevat - het standpunt ingenomen dat eiser redelijkerwijs het mogelijke moet doen om tijdige verzending aannemelijk te maken en wel door middel van een bewijs van terpostbezorging, een bewijs van verzending met ontvangstbevestiging, een bewijs van aangetekende verzending of met behulp van een getuige en dat eiser hiervan geen gebruik heeft gemaakt.

In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder terecht en op goede gronden het bezwaarschrift van eiser van 16 september 1997 niet- ontvankelijk heeft verklaard.

Met name ter voorlichting van eiser merkt de rechtbank op dat de vraag of het besluit van 5 augustus 1997 terecht en op goede gronden is genomen in dit geding niet aan de orde kan komen nu het bestreden besluit daar geen betrekking op heeft.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge het bepaalde in artikel 3:41 juncto artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan op de dag nadat het besluit is verzonden.

Gelet op het bepaalde in artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Krachtens het bepaalde in het tweede lid van dit artikel is een bezwaarschrift bij verzending per post tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Niet in geschil is dat het primaire besluit op 5 augustus 1997 aan eiser is verzonden. De bezwaartermijn heeft derhalve een aanvang genomen op woensdag 6 augustus 1997 en de laatste dag van de indiening van het bezwaarschrift was dinsdag 16 september 1997. Verder staat vast dat het bezwaarschrift op 18 september 1997 door verweerder is ontvangen, zodat in zoverre aan het laatste zinsdeel van het bepaalde in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is voldaan.

Derhalve resteert de vraag of het bezwaarschrift voor het einde van de termijn, dus uiterlijk op 16 september 1997, ter post is bezorgd.

Eiser heeft in zijn brief aan verweerder van 29 oktober 1997 onder meer aangevoerd dat hij het bezwaarschrift op 16 september 1997 heeft opgestuurd. In het nadere beroepschrift en ter zitting is door eisers gemachtigde herhaald dat eiser het bezwaarschrift op 16 september 1997 in de (PTT-)brievenbus heeft gedeponeerd.

Op de envelop, behorende bij het bezwaarschrift van 16 september 1997, is - zoals ter zitting is vastgesteld - een duidelijk leesbaar poststempel geplaatst dat het volgende vermeldt: "17.IX.97 2". Laatstbedoelde datumaanduiding zou, op zichzelf beschouwd, tot de conclusie kunnen voeren dat het bezwaarschrift niet tijdig ter post is bezorgd. Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit aan de hand van de datum van het poststempel geconcludeerd dat het bezwaarschrift niet tijdig, immers een dag te laat, is ingediend.

De rechtbank is evenwel, gelet op het door en namens eiser naar voren gebrachte omtrent het tijdstip van terpostbezorging enerzijds en de aanduiding "17.IX.97 2" op het poststempel anderzijds, van oordeel dat het zijdens eiser gestelde tijdstip van terpostbezorging in overeenstemming is te brengen met de afstempeling van de envelop. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit ingewonnen informatie bij het sorteercentrum te 's-Hertogenbosch van PTT-post is gebleken dat het cijfer "2" achter de datum "17.IX.97" betrekking heeft op het tijdstip 02.00 uur van 17 september 1997 en dat de desbetreffende envelop, aldus die informatie, derhalve op 16 september 1997 op de bus moet zijn gedaan. Gelet op het voorgaande moet dan ook worden geoordeeld dat verweerder ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat eisers bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.

Daarbij overweegt de rechtbank dat, met name in die situaties waarin een poststuk na de laatste dag van de termijn is afgestempeld, maar op dat poststuk een stempel van een zodanige dag en een zodanig tijdstip is vermeld dat het aannemelijk is dat het geschrift binnen de termijn in de PTT-brievenbus is gedeponeerd, aan de datum van het poststempel op zichzelf geen beslissende betekenis behoeft te worden toegekend. In dit verband verwijst de rechtbank voorts naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 september 1997 (Rawb 1998, 85), waarin aan de datum van het poststempel een - weerlegbaar - vermoeden wordt ontleend omtrent het tijdstip van terpostbezorging, alsmede naar het arrest van (de belastingkamer van) de Hoge Raad van 29 mei 1996 (JB 1996, 171), waarin is overwogen dat het oordeel dat een poststuk eerst ter post is bezorgd nadat het van het poststempel is voorzien van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, aangezien een poststuk reeds ter post is bezorgd op het moment dat het in de (PTT- )brievenbus is gedeponeerd dan wel op het moment dat het op het postkantoor is aangeboden.

Hetgeen namens verweerder in het verweerschrift naar voren is gebracht omtrent het vereiste dat door eiser aannemelijk moet kunnen worden gemaakt dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend, kan naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige situatie in het midden blijven, nu verweerder ten onrechte in de bezwaarprocedure en in het thans bestreden besluit geen aandacht heeft besteed aan eisers stelling dat hij het bezwaarschrift wel tijdig ter post heeft bezorgd.

Gelet op het eerderoverwogene heeft verweerder in het onderhavige geval een onjuiste toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.

Voorts overweegt de rechtbank het volgende.

Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder tevens het standpunt ingenomen dat de - door verweerder gestelde - termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, aangezien de door eiser aangevoerde vakantie volgens constante jurisprudentie geen verschoonbare termijnoverschrijding oplevert. Alhoewel de rechtbank met deze laatste opvatting kan instemmen, moet worden geconstateerd dat eiser in zijn brief aan verweerder van 29 oktober 1997 - naast zijn eerder aangehaalde opmerking dat hij het bezwaarschrift op 16 september 1997 heeft opgestuurd, op welke omstandigheid verweerder in het bestreden besluit niet nader is ingegaan - heeft vermeld dat hij van 2 tot 30 augustus 1997 met vakantie is geweest. Gelet op de omstandigheid dat eiser gedurende de resterende bezwaartermijn - welke zoals eerder vermeld liep tot en met 16 september 1997 - niet op vakantie was, heeft verweerder ten onrechte gesteld dat de vakantie van eiser geen verschoonbare termijnoverschrijding opleverde. In zoverre is het bestreden besluit in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb dat de beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Uit het vorenoverwogene volgt dat verweerder het bezwaarschrift van eiser bij het thans bestreden besluit ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank kent daarbij terzake van de verrichte proceshandelingen 1 punt met een waarde van f 710,- toe voor de indiening van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x f 710,- x 1 = f 1.420,-.

Nu aan eiser terzake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Gelet op het bepaalde in artikel 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt mitsdien als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 16 september 1997 met inachtneming van deze uitspraak;

3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad f 55,- wordt vergoed door de gemeente Heerlen;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op f 1.420,-, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Heerlen aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te Maastricht.

Aldus gedaan door mr. W.L.J. Voogt

in tegenwoordigheid van E.S.J.M. Naebers als griffier

en in het openbaar uitgesproken op door mr. Voogt voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E.S.J.M. Naebers w.g. W.L.J. Voogt.

Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

verzonden op: TJ

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.