Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2022:6827

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-09-2022
Datum publicatie
14-09-2022
Zaaknummer
C/03/308031 / KG ZA 22-304
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De verzekeraar heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers verzekeringsfraude hebben gepleegd door bewust een onjuiste voorstelling van zaken te gegeven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan niet worden vastgesteld dat onjuiste antwoorden zijn gegeven op de vragen van de medewerkster van de verzekeraar. De verzekeraar heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat dit het geval is en wel met de bedoeling om de verzekeraar te misleiden om over te gaan tot een uitkering via het Waarborgfonds.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/308031 / KG ZA 22-304

Vonnis in kort geding van 6 september 2022

in de zaak van

1 [eiseres sub 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

eisers,

advocaat mr. J.J. Baltus (toevoeging) te Landgraaf,

tegen

de naamloze vennootschap

N.V. SCHADEVERZEKERINGMAATSCHAPPIJ BOVEMIJ,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde,

vertegenwoordigd door [naam registercoördinator] , registercoördinator fraudebeheersing.

Partijen zullen hierna [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] en Bovemij genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding en de daarbij overgelegde producties 1 tot en met 9

  • -

    de op voorhand overgelegde conclusie van antwoord van Bovemij

  • -

    de mondelinge behandeling op 23 augustus 2022.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 2] is gehuwd met de dochter van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] is zodoende de schoonzoon van laatstgenoemde. De auto van [eiseres sub 1] was verzekerd bij Bovemij.

2.2.

[eiser sub 2] heeft op 18 januari 2021 en 21 januari 2021 namens [eiseres sub 1] telefonisch contact opgenomen met Bovemij om melding te maken van een schade aan de auto van [eiseres sub 1] . Naar aanleiding daarvan hebben [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] ieder op 15 februari 2021 een nagenoeg gelijkluidende brief van Bovemij ontvangen, waarin Bovemij – kort gezegd – heeft aangegeven dat er sprake is van frauduleus handelen door [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] en Bovemij daarom voornemens is beiden op te nemen in het incidentenregister alsmede in de registers van het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (CBV) en het Extern Verwijzingsregister. Bovemij heeft haar standpunt gebaseerd op de volgende omstandigheden, zoals weergegeven in haar brief van 15 februari 2021 aan [eiser sub 2] :

Op 18 januari 2021 is Bovemij gebeld door u ( [eiser sub 2] vzr). U gaf aan de schoonzoon van onze verzekeringsnemer mevrouw [eiseres sub 1] te zijn en namens haar te bellen. De auto zou in parkeerstand beschadigd zijn geraakt. U dacht, maar wist dat niet zeker, dat dit op vrijdag 15 januari is gebeurd. Mevrouw [eiseres sub 1] ontdekte de schade na een bezoek aan twee supermarkten. U liet desgevraagd weten dat zij alleen was. Bij het doen van de boodschappen en bij het ontdekken van de schade. Om die reden kon de schade niet verhaald worden bij het Waarborgfonds. Onze schademedewerker adviseerde u om wel navraag te doen naar het schadebedrag om te bekijken of het zinvol is de schade te claimen en dan de gevolgen voor de premiekorting te aanvaarden.

Op 21 januari is Bovemij wederom gebeld door u en hierbij gaf u een gelijkluidende lezing, echter wel met specifiek zaterdag 16 januari als schadedatum en u gaf aan zelf ook aanwezig te zijn geweest bij het doen van de boodschappen en bij het ontdekken van de schade.

Bovemij acht uitgesloten dat u zich op maandag 18 januari niet meer zou hebben kunnen herinneren a ) wanneer de schade is voorgevallen b ) dat u daarbij toch aanwezig was.

Gelet op uw initiële verklaring en het gevolg van het feit dat mevrouw [eiseres sub 1] alleen was – namelijk dat de schade alleen kon worden geclaimd met gevolgen voor de premiekorting – zijn wij van oordeel dat de tweede telefonische lezing feitelijk een bewust gegeven onjuiste voorstelling van zaken is in de zin van BW 7:941 lid 5.”

2.3.

Bij schrijven van 1 maart 2021 is hiertegen namens [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] verweer gevoerd. Bovemij heeft bij brief van 4 mei 2021 kenbaar gemaakt haar zienswijze niet aan te zullen passen naar aanleiding van het gevoerde verweer. Vervolgens is door Bovemij bij brief van 8 juni 2021 bevestigd dat zij ten aanzien van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] een EVR-registratie heeft geplaatst in de CIS-databank. Daarnaast is door Bovemij de verzekeringsovereenkomst met [eiseres sub 1] beëindigd.

2.4.

Op 3 april 2022 is door [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] een verzoek ingediend om de registratie te beëindigen. Bovemij heeft bij emailbericht van 25 april 2022 laten weten hiertoe geen aanleiding te zien.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] vorderen dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Bovemij veroordeelt om, binnen 7 dagen na het wijzen van vonnis in onderhavige zaak, de registratie van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] in het Externe Verwijzingsregister van de Stichting CIS en vergelijkbare registratie te verwijderen danwel te laten verwijderen en verwijderd te houden, met veroordeling van Bovemij in de kosten van de procedure, waaronder begrepen een bedrag voor het salaris van de gemachtigde van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] alsmede een bedrag voor de noodzakelijke verschotten en eventuele nakosten.

3.2.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben zich op het standpunt gesteld dat Bovemij ten onrechte en gebaseerd op onjuiste aannames en conclusies heeft geoordeeld dat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] frauduleus hebben gehandeld. De beëindiging van de verzekering van [eiseres sub 1] en de registraties van beiden zijn zodoende ten onrechte geschied. Subsidiair is [eiseres sub 1] van mening dat zij géén onjuiste feiten heeft gemeld en niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor de zaken die [eiser sub 2] uiteindelijk aan Bovemij heeft verteld, of de manier waarop dit is gebeurd.

3.3.

Bovemij voert verweer. Bovemij stelt zich op het standpunt dat [eiser sub 2] in het tweede telefonisch gesprek bewust een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven teneinde de schade bij Bovemij te kunnen claimen zonder gevolgen voor de premiekorting voor [eiseres sub 1] . [eiseres sub 1] zou immers de schade op basis van de tweede lezing kunnen verhalen bij het Waarborgfonds. Het verweer ten aanzien van [eiser sub 2] wordt gehandhaafd. Het ten aanzien van [eiseres sub 1] gevoerde verweer is echter ter zitting, naar aanleiding van hetgeen daar is besproken, ingetrokken en het standpunt dat [eiseres sub 1] betrokken was bij de gestelde frauduleuze handelingen wordt door Bovemij niet langer gehandhaafd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Bij de behandeling ter zitting is namens Bovemij verklaard dat de EVR-registratie ten aanzien van [eiseres sub 1] zal worden verwijderd. De gemachtigde zal in zijn dossier vermelden dat de registratie onterecht is geweest. In het systeem van Bovemij wordt opgenomen dat [eiseres sub 1] zelf de verzekering heeft opgezegd, zodat bij bevraging door een andere verzekeringsmaatschappij geen melding hoeft te worden gemaakt van de onderhavige kwestie.

4.2.

Gelet op het feit dat door Bovemij wordt erkend dat de EVR-registratie ten aanzien van [eiseres sub 1] onjuist is, zullen de vorderingen van [eiseres sub 1] worden toegewezen.

4.3.

[eiser sub 2] stelt een spoedeisend belang bij zijn vordering te hebben, omdat hij problemen kan ondervinden met het afsluiten van verzekeringen en leningen of hypotheken. Onlangs heeft hij een hypotheek afgesloten, maar ten gevolge van de registratie heeft hij daarbij veel problemen ondervonden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang, gelet op deze toelichting, moet worden aangenomen.

4.4.

Ter beoordeling staat daarom nu of kan worden vastgesteld dat door [eiser sub 2] onjuiste mededelingen zijn gedaan in het tweede gesprek met Bovemij.

4.5.

Bovemij heeft haar standpunt gebaseerd op de omstandigheden zoals weergegeven in haar hierboven geciteerde brief.

4.6.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben, onder verwijzing naar het verweer dat door hen in de brief van 1 maart 2021 is gevoerd, gesteld dat de feiten als volgt zijn. Op 16 januari 2021 zijn [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] samen boodschappen gaan doen, waarbij gebruik is gemaakt van de auto van [eiseres sub 1] . Aangekomen op het parkeerterrein van het betreffende winkelcentrum ‘Op den Kamp’ te Landgraaf heeft [eiseres sub 1] , die op dat moment reed, [eiser sub 2] bij de hoofdingang van het winkelcentrum laten uitstappen terwijl zij de auto ging parkeren. [eiser sub 2] wilde zelf iets kopen alvorens gezamenlijk met zijn schoonmoeder naar de supermarkt te gaan. [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] hadden afgesproken dat zij zich kort daarna weer zouden treffen in de te bezoeken supermarkt. Nadat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] de supermarkt hadden bezocht en hun boodschappenronde hadden beëindigd, zijn zij weer naar huis gereden. Thuis aangekomen bemerkten zij dat de auto een schade had die de auto voor vertrek naar de supermarkt die dag nog niet had; de enige mogelijke conclusie was derhalve dat er iemand schade veroorzaakt had aan de auto van [eiseres sub 1] , waarschijnlijk een andere auto tijdens in- of uitparkeren.

4.7.

Ten aanzien van de inhoud van de gesprekken die op 18 en 21 januari 2021 hebben plaatsgevonden verwijzen zij naar de bandopnames die daarvan zijn gemaakt door Bovemij en die ter zitting door [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] zijn afgespeeld.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] stellen dat uit de bandopname van het eerste gesprek volgt dat [eiser sub 2] alleen belde met Bovemij om melding te maken van de geconstateerde schade en op geen enkele wijze spreekt of melding maakt van het Waarborgfonds; deze mogelijkheid was op dat moment bij [eiser sub 2] nog niet in beeld. Uit de opname van het bewuste gesprek blijkt volgens hen overduidelijk dat de bedoeling van [eiser sub 2] er uitsluitend op was gericht om informatie te verkrijgen over de gevolgen van de melding voor de no-claim van [eiseres sub 1] . In dat kader is ook begrijpelijk waarom de weergave van de omstandigheden waaronder de schade plaats had gevonden niet accuraat zijn weergegeven; [eiser sub 2] ging er van uit dat er a) enkel melding van de schade bij de verzekeraar gedaan hoefde te worden en b) dat de omstandigheden niet van belang waren bij een schademelding op basis van een all-risk verzekering. Op grond hiervan heeft [eiser sub 2] dan ook geen aandacht besteed aan de juiste beantwoording van de door de medewerker van Bovemij gestelde vragen, en aangezien [eiser sub 2] in die zin onvoorbereid belde is ook verklaarbaar waarom hij op dat moment niet de juiste datum van het ontstaan van de schade wist te vermelden. De vraag of hij er bij was toen de auto geparkeerd werd heeft hij met nee beantwoord, omdat hij daarvoor al uitgestapt was. In de beleving van [eiser sub 2] was ook niet van belang of de constatering van de schade op een vrijdag of zaterdag plaats had gevonden en of hij er op het moment van constatering van de schade wel of niet bij was. Immers was [eiseres sub 1] de verzekerde en chauffeur van de auto op het moment dat de schade werd geconstateerd. Op geen enkel moment heeft hij zich gerealiseerd dat enige nauwkeurigheid in beantwoording van vragen tegen hem gebruikt zou kunnen worden. In die optiek is begrijpelijk dat [eiser sub 2] in zijn weergave tijdens het eerste telefonische onderhoud geen onjuiste, maar ook geen gedetailleerde en volledige weergave heeft gedaan.

[eiseres sub 1] is eerst op een later tijdstip, door het schadeherstelbedrijf, gewezen op de mogelijkheid om een schade – mits aan bepaalde voorwaarden voldaan is – te melden bij het Waarborgfonds. Tijdens het tweede telefonische onderhoud met Bovemij was [eiser sub 2] zich wél bewust van de mogelijkheid van schadevergoeding via het Waarborgfonds, en heeft hij een juiste en accurate weergave gedaan van de omstandigheden ten tijde van het constateren van de schade.

4.8.

De voorzieningenrechter stelt vast dat in het eerste telefoongesprek tussen [eiser sub 2] en een medewerker van Bovemij, op 18 januari 2021, door de medewerker specifiek de vraag is gesteld of [eiseres sub 1] alleen was toen zij de auto parkeerde. Die vraag is door [eiser sub 2] met “ja” beantwoord. De voorzieningenrechter kan niet vast stellen dat dit een onjuiste mededeling is geweest, gezien de verklaring van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] dat [eiser sub 2] al was uitgestapt voordat [eiseres sub 1] de auto ging parkeren.

De voorzieningenrechter stelt verder vast dat in het tweede gesprek – voor het eerst – door de medewerker van Bovemij de mogelijkheid van een claim bij het Waarborgfonds wordt genoemd en in het kader daarvan aan [eiser sub 2] de vraag wordt gesteld of er een getuige is die kan getuigen. Daarop heeft [eiser sub 2] geantwoord “ja, ik ben in dat geval de getuige, ik was er bij.”

4.9.

Gelet op de inhoud van het verweer van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] zoals opgenomen in de brief van hun raadsman van 1 maart 2021, met de uitleg van de wijze waarop een en ander is verlopen op 16 januari 2022, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden vastgesteld dat de voormelde antwoorden van [eiser sub 2] onjuist zijn. Hooguit kan worden vastgesteld dat [eiser sub 2] de vragen onhandig heeft beantwoord. Dit geldt ook ten aanzien van datum van het incident. In het eerste gesprek wordt daarover door [eiser sub 2] gezegd “als ik mij niet vergis afgelopen vrijdag”. In het tweede gesprek zegt hij dat het zaterdag is. Een dergelijke aarzeling c.q. vergissing is mogelijk en hoeft niet te betekenen dat niet de waarheid wordt gesproken.

4.10.

De voorzieningenrechter komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat Bovemij onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat [eiser sub 2] een onjuiste verklaring zou hebben afgelegd en wel met de bedoeling om Bovemij te misleiden om over te gaan tot een uitkering via het Waarborgfonds. Verzekeringsfraude is niet komen vast te staan.

4.11.

Daar aan de registraties uitsluitend verzekeringsfraude door het bewust gegeven van een onjuiste voorstelling van zaken ten grondslag is gelegd, zijn de vorderingen tot ongedaan making van de registraties bij gebrek aan verder verweer van Bovemij ook ten aanzien van [eiser sub 2] toewijsbaar.

4.12.

Bovemij zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] worden begroot op:

- betekening oproeping € 131,17

- griffierecht 86,00

- salaris advocaat 1.016,00

Totaal € 1.233,17

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

gebiedt Bovemij om binnen 7 dagen na dagtekening van dit vonnis de registratie van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] in het Externe Verwijzingsregister van de Stichting CIS en vergelijkbare registratie te verwijderen danwel te laten verwijderen en verwijderd te houden,

5.2.

veroordeelt Bovemij in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] tot op heden begroot op € 1.233,17,

5.3.

veroordeelt Bovemij in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Bovemij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J. Noelmans en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2022.1

1 type: coll: