Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2022:6744

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-08-2022
Datum publicatie
07-09-2022
Zaaknummer
C/03/273484 HA ZA 20-59
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel recht. Bodemzaak. Nalatenschap. Vaststelling erfdelen. Legitimaire massa. Berekening en opeisbaarheid van legitieme vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer C/03/273484 / HA ZA 20-59

Vonnis van 31 augustus 2022

in de zaak van

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

advocaat mr. J.W. Post te Zutphen,

tegen

1 [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] ,

2. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2],

beiden ten tijde van dagvaarden wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagden sub 1 en 2 in conventie, eisers in reconventie,

advocaat mr. A.F.T. Grul te Maastricht,

3 [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] ,

(gedagvaard als [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] )
mede in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van
[erflater] ,

wonende te [woonplaats 3] ,

gedaagde sub 3 in conventie, verweerster in reconventie,

advocaat mr. F. Folkers te Gorinchem.

Partijen zullen hierna [eiser in conventie, verweerder in reconventie] , [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] , [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] en [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de rolbeslissing van 29 juli 2020

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2]

  • -

    de akte wijzing / aanvulling van eis van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2]

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser in conventie, verweerder in reconventie]

  • -

    de conclusie van repliek in conventie van [eiser in conventie, verweerder in reconventie]

  • -

    de conclusie van dupliek van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3]

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2]

  • -

    de conclusie van dupliek, tevens antwoordakte, in reconventie van [eiser in conventie, verweerder in reconventie]

  • -

    de B16 formulieren van partijen (alle partijen vragen mondelinge behandeling)

  • -

    de rolbeslissing van 24 maart 2021, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald

  • -

    de mondelinge behandeling van 17 december 2021, die gelijktijdig plaatsgevonden heeft met de mondelinge behandeling in de informeel gevoegde zaak C/03/273988 / HA ZA 20/77

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 17 december 2021

  • -

    de spreekaantekeningen van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2]

- de B16 formulieren waarbij partijen vonnis vragen.

1.2.

Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2 De feiten in conventie en reconventie

2.1.

Op [overlijdensdatum] is de heer [erflater] (hierna: “erflater”) te [plaats 1] overleden. Op het moment van zijn overlijden was de erflater sinds 9 maart 2005 gehuwd met [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] (derde huwelijk) en had hij vier afstammelingen: twee zoons uit zijn eerste huwelijk ( [eiser in conventie, verweerder in reconventie] en [naam zoon/broer] ) en een zoon en dochter ( [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] ) uit zijn tweede huwelijk.

2.2.

In het testament van 3 maart 2005 (productie 1 dagvaarding) heeft erflater onder andere het volgende bepaald:

C. WETTELIJKE VERDELING INDIEN GEHUWD (…)

Indien ik gehuwd ben met genoemde mevrouw [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] , hierna te noemen: mijn echtgenote, (…), beschik ik als volgt:

I. ERFSTELLING

Ik benoem tot mijn enige erfgenamen mijn partner en mijn twee jongste kinderen.

II. WETTELIJKE VERDELING

Ik bepaal dat mijn nalatenschap overeenkomstig de wet zal worden verdeeld, zodat alle tot mijn nalatenschap behorende goederen door mijn echtgenote worden verkregen terwijl de voldoening van de schulden van de nalatenschap voor haar rekening komt.

Iedere van mijn overige erfgenamen verkrijgt een geldvordering ten laste van mijn echtgenote ter grootte van de waarde van zijn erfdeel.

III. VASTSTELLING GELDVORDERINGEN

(…) In verband met deze vaststelling moet een boedelbeschrijving worden opgemaakt die de waardering van de goederen en schulden van mijn nalatenschap bevat. De waardering vindt plaats in onderling overleg. Indien in onderling overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de waardering geschiedt deze door een deskundige, te benoemen door de kantonrechter (…).

IV. BIJZONDERE BEPALINGEN

Voor deze verdeling geldt, in afwijking van het dienaangaande in de wet bepaalde, het volgende:

1. De geldvorderingen van mijn kinderen ten laste van mijn echtgenote zijn, naast de gevallen in de wet bepaald, tevens opeisbaar ongeval van:

a. haar faillissement (…);

b. haar hertrouwen zonder het maken en handhaven van huwelijkse voorwaarden (…);

2. Over de hoofdsom is rente verschuldigd vanaf de dag van mijn overlijden tot die der voldoening van het verschuldigde, zonder rente op rente, die gelet op de vermoedelijke looptijd van de schuld, gelijkwaardig is aan een samengestelde rente van zes procent (6%) per jaar (…) dan wel de wettelijke rente indien deze hoger is. (…) Deze rente is pas opeisbaar wanneer de geldvorderingen opeisbaar zijn.

D. ONGEDAANMAKING/AFWIKKELINGSBEWIND

(…)

4. Indien een afstammeling een beroep doet op zijn legitieme portie sluit ik hem en zijn afstammelingen uit als erfgenamen in mijn nalatenschap en ken het daardoor vrijvallende deel van mijn nalatenschap toe aan mijn echtgenote. Ik bepaal dat de vordering van de legitimaris alleen kan worden ingesteld tegen mijn echtgenote en pas opeisbaar is bij haar overlijden.

E. EXECUTEUR

Ik benoem tot executeur mijn genoemde echtgenote/partner, hierna te noemen de executeur, voor welk benoeming de volgende bepalingen gelden:

(…)

Taak executeur/bevoegdheid

De executeur heeft tot taak de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen die tijdens het beheer uit die goederen moeten worden voldaan, zoals het afgeven van legaten, het nakomen of uitvoeren van overeenkomsten en de voldoening van de kosten van mijn begrafenis of crematie, van eventuele taxatie- en boedelkosten en van de successierechten die ten laste komen van erfgenamen of legatarissen.

(…)

Boedelbeschrijving

De executeur moet binnen drie maanden na mijn overlijden een boedelbeschrijving, met inbegrip van een voorlopige staat van schulden van de nalatenschap opmaken en de hem bekende schuldeisers oproepen om hun vorderingen bij hem of de boedelnotaris in te dienen. Aan de erfgenamen wordt een afschrift van de boedelbeschrijving ter beschikking gesteld.

(…)

Inlichtingen

De executeur moet aan een erfgenaam alle gewenste inlichtingen geven over de uitoefening van zijn taak.

Rekening en verantwoording

De executeur is verplicht jaarlijks en bij het einde van zijn beheer rekening en verantwoording af te leggen aan mijn erfgenamen. Zij geeft jaarlijks aan de erfgenamen een overzicht van de voor de belastingheffing van belang zijnde inkomsten en kosten.

Loon

De executeur heeft geen recht op loon. De door hem gemaakte onkosten worden direct uit de nalatenschap aan hem voldaan.

Uitvaart

Ik leg op de executeur de last mijn begrafenis of crematie te regelen.

Einde taak en beheer

De taak en het beheer van de executeur eindigen:

a. wanneer hij zijn werkzaamheden hoeft voltooid;

(…)

G. VRIJSTELLING INBRENG

Ik stel mijn afstammelingen vrij van de verplichting tot inbreng van giften in mijn nalatenschap, op welk tijdstip deze ook zijn gedaan, tenzij bij een gift anders is bepaald.

2.3.

[gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] heeft de nalatenschap zuiver aanvaard (proces-verbaal van mondelinge behandeling, p. 3). [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] heeft de benoeming als executeur eveneens aanvaard.

2.4.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] en zijn broer [naam zoon/broer] (hierna: “ [naam zoon/broer] ”) hebben bij brief aan [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] (de executeur) van 2 augustus 2005 (productie 3 bij dagvaarding) aanspraak gemaakt op hun legitieme portie in de nalatenschap van erflater.

2.5.

[gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] heeft een handgeschreven boedelbeschrijving opgemaakt (productie 4 dagvaarding). In die boedelbeschrijving van 16 april 2007 is te lezen dat de nalatenschap van de erflater in totaal € 330.992,09 en de legitieme portie € 16.549,60 bedraagt. In de boedelbeschrijving zijn de volgende goederen met bijbehorende waardes opgesomd:

huis € 221.000,00, grondstuk € 48.000,00, inboedel € 15.000,00, voertuigen € 45.000,00, bankrekening Ton € 452,66 en bankrekening Irene € 6.580,88. Als kosten uitvaart staat een bedrag van € 5.041,45 vermeld.

2.6.

Op 7 september 2007 heeft notaris [naam notaris] te [vestigingsplaats] een notariële boedelbeschrijving opgemaakt (productie 9 bij conclusie van repliek in conventie). In de notariële boedelbeschrijving is op pagina 2 vermeld dat de nalatenschap beneficiair is aanvaard. Tevens is in de notariële boedelbeschrijving te lezen dat [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] ten overstaan van de notaris heeft verklaard dat de huwelijksgoederengemeenschap met erflater, ten tijde van zijn overlijden, als volgt (samengevat) is samengesteld:

1) Woning te [plaats 2] :

een woning met grond te Duitsland (vrij van hypotheek), door Huisexpert Makelaardij en Hypotheken te Schoonebeek getaxeerd op € 270.000,- (waarde in het economisch verkeer);

2) Inboedel:

de (niet getaxeerde) inboedel, waarvan de waarde door [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] is geschat op € 15.000,00;

3) Voertuigen:

a. een Landrover, die toen inmiddels was verkocht voor € 11.000,00 (verkoopbewijs),

b. een Mercedes, die toen inmiddels was verkocht voor € 29.000,00 (verkoopbewijs),

c. een Smart for Two, die toen inmiddels was verkocht voor € 9.000,00 en

d. een Camper, die toen inmiddels was verkocht voor € 50.000,00;

4) Bankrekeningen:

a. Rabobank, rekeningnr. [rekeningnummer 1] , saldo € 644,26 (kopie afschrift) en

b. Rabobank, rekeningnr. [rekeningnummer 2] , saldo € 6.590,88 (kopie afschrift);

5) Omschrijving schulden:

Geen schulden van de gemeenschap bekend;

6) Kosten uitvaart: € 4.669,95 (kopie nota);

7) Polissen / levensverzekeringen:

a. Interpolis [polisnummer 1] , met als begunstigden [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] , waarde € 22.127,00

b. Interpolis [polisnummer 2] , lijfrente ten behoeve van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] ,

c. aankooppolis [polisnummer 3] bij Stad Rotterdam, geëindigd door overlijden erflater, zonder uitkering,

d. polis [polisnummer 4] bij Aegon, geëindigd door overlijden erflater, zonder uitkering,

8. Beleggingsportefeuilles:

a. beleggingsportefeuilles bij Rabobank te Kaatsheuvel, ten tijde van overlijden erflater niet meer aanwezig; er is ook geen informatie meer voorhanden bij Rabobank (e-mailbericht medewerker Rabobank),

b. beleggingspolis Alex Beleggingen [polisnummer 5] , reeds opgeheven en uitgekeerd per
15 maart 2001 voor overlijden (kopieën dagafschriften),

voor het overige zijn [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] geen beleggingsportefeuilles bekend.

2.7.

Overleg tussen de echtgenote en de vier afstammelingen van erflater heeft niet geleid tot overeenstemming over de waardering van de goederen van de nalatenschap. [naam zoon/broer] heeft op 7 januari 2009 een verzoekschrift ingediend bij de Rechtbank Assen, sector kanton (met zaaknummer 246560 \ EK VEZ 09-10016), waarbij hij de kantonrechter verzoekt om in de nalatenschap van erflater een deskundige te benoemen die de waarden van het woonhuis te [plaats 2] , de inboedel, de auto’s, de banksaldi, de verzekeringspolissen en de successierechten moet vaststellen naar tijdstip van overlijden van erflater. Bij beschikking van 19 augustus 2009 heeft de kantonrechter conform artikel C onder III van het testament van erflater, een deskundige benoemd die de waarden van die goederen zal moeten vaststellen (productie 5 dagvaarding).

2.8.

[gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] is op 13 mei 2010 te Spanje gehuwd met de heer [naam 1] (productie 6 dagvaarding), zonder het maken van huwelijkse voorwaarden. Zij is op
28 juli 2021 gescheiden.

2.9.

In de brief van de door de kantonrechter benoemde deskundige van 30 maart 2011 is - kort gezegd - te lezen dat [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] geen medewerking heeft verleend aan zijn onderzoek en dat zij hem medegedeeld heeft niet te beschikken over informatie. De deskundige verklaart de waarde van de goederen van de nalatenschap vastgesteld te hebben aan de hand van stukken die aanwezig waren in de processtukken.

2.10.

Een regeling over de afwikkeling van de nalatenschap tussen [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] (de executeur) en de overige erfgenamen en legitimarissen is niet tot stand gekomen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] vordert, na vermindering van eis - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I

voor recht verklaart dat de hoogte van de legitieme portie waarop [eiser in conventie, verweerder in reconventie] aanspraak heeft

€ 60.441,08 bedraagt, althans bij tussenvonnis te bepalen welke informatie [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] in het geding dient te brengen en in goede justitie en/of op basis van het rapport van [naam 2] d.d. 30 maart 2011 de hoogte van de legitieme portie van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] vast te

stellen;

II

[gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] veroordeelt aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te betalen tegen finale kwijting € 60.441,08, althans zodanig bedrag als de rechtbank zal vaststellen, met de wettelijke rente over de legitieme portie vanaf 2 augustus 2005, althans vanaf 6 maanden na de datum van overlijden van erflater, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum,

althans [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] onder de voorwaarde van haar overlijden te veroordelen te betalen aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] tegen finale kwijting een bedrag van € 60.441,08 althans zodanig bedrag als de rechtbank zal vaststellen met de wettelijke rente over de legitieme portie vanaf
2 augustus 2005, althans vanaf 6 maanden na de datum van overlijden van erflater, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum;

III

[gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] te veroordelen in de kosten van de procedure en te bepalen dat de proceskosten niet in mindering strekken op de legitimaire aanspraak van eiser en niet in mindering komen op het door [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te betalen bedrag.

3.2.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] stelt ter onderbouwing van het gevorderde dat hij als afstammeling van erflater een legitieme vordering op de nalatenschap van erflater heeft en dat hij gelet daarop een belang heeft bij het vaststellen van de hoogte van zijn legitieme vordering. Omdat

[gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] als executeur in gebreke is gebleven met het opstellen van een volledige boedelomschrijving en het geven van een volledige openheid van zaken als bedoeld in artikel 4:78 BW, heeft zijn broer [naam zoon/broer] een (boedel) lijst opgesteld. Die lijst is aangepast en als productie 18.2 (hierna te noemen: “de lijst 18.2”) bij conclusie van repliek in conventie overgelegd. Volgens [eiser in conventie, verweerder in reconventie] bestond de huwelijksgemeenschap van erflater en [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] uit - kort gezegd - een huis in Duitsland, de inboedel van dat huis, schilderijen, meubels en overige antiek, vijf voertuigen, zeven bankrekeningen en een huis in Spanje met inboedel. Ook vermeldt de lijst 18.2 twee door de erflater bij leven afgesloten levensverzekeringen bij Interpolis met de nummers [polisnummer 1] en [polisnummer 2] . [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft op grond van de optelsom van de (geschatte) waardes van al die goederen, banksaldi en levensverzekeringen de omvang van de huwelijksgemeenschap van erflater en [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] geschat op € 1.208.821,65 en zijn legitieme vordering op € 60.441,08.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] stelt dat, op grond van de bijzondere bepaling van het testament van erflater (artikel C onder IV, lid 1 sub b), door het hertrouwen van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] zonder het maken huwelijkse voorwaarden de legitieme vordering opeisbaar is geworden. Voor zover de bijzondere bepaling niet van toepassing is, is de legitieme portie in ieder geval opeisbaar op het moment van overlijden van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] (art. 4:81 lid 2 sub b BW).

3.3.

[gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] voert als verweer dat het gevorderde moet worden afgewezen. De vordering uit hoofde van de legitieme portie is niet opeisbaar bij leven van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] . Zelfs indien de legitieme portie al opeisbaar is, kan het gevorderde niet worden toegewezen omdat [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] de nalatenschap inmiddels volledig heeft opgemaakt. [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] betwist de door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] gestelde omvang van legitieme vordering. Volgens [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] is haar boedelbeschrijving van 16 april 2007 juist. Zij is alleen vergeten om de aandelenbeleggingsrekeningen te vermelden. Stukken ter onderbouwing van de boedelbeschrijving van 16 april 2007 zijn er niet meer. [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] stelt voorts dat de lijst 18.2 grotendeel onjuist is. Op die lijst staan onder andere schilderijen en een woning in Spanje die al ruim voor het overlijden van de erflater waren verkocht. Onder verwijzing naar haar boedelbeschrijving (zie r.o. 2.5.) berekent zij de legitieme portie (per legitimaris) op
€ 16.549,60. [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] stelt geen weet te hebben van de notariële boedelbeschrijving van
7 september 2007. Daarom betwist zij de inhoud daarvan. [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] betwist ook de bevindingen van de deskundige van 30 maart 2011.

3.4.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] hebben geen bezwaar tegen de vaststelling van de legitieme portie noch tegen veroordeling van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] tot betaling van deze legitieme portie. Wat betreft de omvang van de nalatenschap doen zij een beroep op de door [naam zoon/broer] opgestelde lijst 18.2, met dien verstande dat de polis [polisnummer 1] daarin ten onrechte is vermeld. Polis [polisnummer 1] betreft de door de erflater afgesloten levensverzekering met [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] als begunstigden ( [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] was 19 en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] 17 bij overlijden van erflater) en de uitkeringen uit die verzekering aan hen van circa € 1.400,00 per jaar hebben plaatsgevonden na het overlijden van erflater op [overlijdensdatum] tot en met 2010.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] voeren onder andere aan dat zelfs als deze uitkeringen aan te merken zouden zijn als een onherroepelijke gift van de vader aan de kinderen, het verhaal op de uitkeringen uit een levensverzekering niet mogelijk is, gelet op het sterk verzorgende karakter ervan. De uitkeringen dienden ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis van erflater jegens de (jonge) kinderen en waren bedoeld om te voorzien in een deel van het levensonderhoud van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] . [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] voeren aan dat hun vader op die manier heeft voldaan aan zijn onderhoudsplicht. De uitkeringen waren bovendien niet bovenmatig. In het licht hiervan dienen de uitkeringen bij de berekening van de omvang van de nalatenschap van erflater dan ook buiten beschouwing te blijven.

in reconventie van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2]

3.5.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] stellen - samengevat - dat zij allebei erfgenaam van erflater zijn en dat zij op grond van het testament van erflater recht hebben op een geldvordering ter hoogte van de waarde van hun erfdeel. De geldvorderingen komen ten laste van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] en zijn opeisbaar sinds 13 mei 2010, door het hertrouwen van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] op die datum zonder het opmaken van huwelijkse voorwaarden. Doordat de omvang van de nalatenschap en de erfdelen nog niet vaststaan en [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] (als executeur) onvoldoende meewerkt aan de vaststelling ervan, dienen deze door de rechter te worden vastgesteld. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] volharden bij hetgeen zij in conventie ter zake van de uitkeringen aan hen uit de levensverzekering van erflater, hebben aangevoerd.

3.6.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] vorderen, gelet op het bovenstaande, na wijziging van eis bij akte en na vermindering van eis op de mondelinge behandeling, samengevat, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I

de hoogte van de nalatenschap van Vader [eiser in conventie, verweerder in reconventie] en de hoogte van de erfdelen vast te stellen;

II

[gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] te veroordelen tot betaling van de erfdelen, te vermeerderen met de verschuldigde testamentaire rente vanaf [overlijdensdatum] (datum overlijden erflater) tot aan de dag der algehele voldoening;

III

[gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] te veroordelen in de kosten van het geding met inbegrip van de nakosten zoals genoemd in artikel 237 lid 4 Rv, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip dat deze in verzuim is de kosten te voldoen.

3.7.

[gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] voert verweer tegen de door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] genoemde omvang en samenstelling van de nalatenschap.

3.8.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] voert geen verweer tegen het vaststellen van de omvang en samenstelling van de nalatenschap. Volgens hem zijn de uitkeringen die [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] ontvangen hebben aan te merken als gift, al erkent hij dat hij als legitimaris niet rechtstreeks een vordering heeft op [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] .

4 De verdere beoordeling

In conventie en in reconventie

4.1.

Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie, zal de rechtbank deze vorderingen, de stellingen en de verweren van partijen zoveel mogelijk gelijktijdig behandelen.

Is de rechtbank bevoegd?

4.2.

Ten tijde van het overlijden van erflater was sprake van vermogensbestanddelen in het buitenland. Omdat de zaak een internationaal karakter heeft, moet eerst beoordeeld worden of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil. Die vraagt moet beantwoord worden aan de hand van het eerste boek, de eerste titel en de eerste afdeling van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) omdat de Erfrechtverordening temporeel niet van toepassing is (geldt alleen voor de erfopvolging van personen die overlijden op of na 17 augustus 2015). De rechtbank is op grond van artikel 2 Rv jo. 7 lid 1 Rv bevoegd om te oordelen over het geschil.

Informele voeging met zaak C/03/273988 / HAZA 20-77

4.3.

De mondelinge behandeling in deze zaak heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de mondelinge behandeling in de informeel gevoegde zaak C/03/273988 / HA ZA 20/77, ten overstaan van dezelfde rechter. Die zaak is gestart door [naam zoon/broer] , afstammeling van erflater en de broer van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] die eveneens aanspraak maakt op zijn legitieme portie. In die zaak zal gelijktijdig en door dezelfde rechter uitspraak worden gedaan. Daardoor is gewaarborgd dat over de discussiepunten met betrekking tot de nalatenschap van erflater in beide zaken op gelijke wijze zal worden beslist.

Wat is het erfdeel van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] en zijn de geldvorderingen ter grootte van de waarde van de erfdelen al opeisbaar?

4.4.

Erflater heeft bij testament (onder C.1) zijn (toekomstige) echtgenote [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] en jongste kinderen [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] benoemd tot zijn enige erfgenamen.

4.5.

Krachtens het testament van erflater, onder C.II, is de wettelijke verdeling van toepassing. Erflater heeft bepaald dat alle tot zijn nalatenschap behorende goederen door [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] (de echtgenote) worden verkregen terwijl de voldoening van de schulden van de nalatenschap voor haar rekening komt en dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] (de overige erfgenamen) een geldvordering ten laste van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] ter grootte van de waarde van hun erfdeel krijgen.

De erfgenamen hebben ieder recht op een derde deel van de nalatenschap, waarbij ten aanzien van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] geldt dat zij alleen aanspraak kunnen maken op een geldvordering ter grootte van de waarde van dat een derde deel. Het moet ervoor worden gehouden dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] de nalatenschap (hun erfdeel) beneficiair hebben aanvaard (zie rov. 2.6, tweede zin, en proces-verbaal van mondelinge behandeling, p. 3, vierde alinea).

4.6.

[gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] heeft op de mondelinge behandeling van 17 december 2021 erkend dat zij na het overlijden van erflater op 13 mei 2010 is hertrouwd zonder het opmaken van huwelijkse voorwaarden (proces-verbaal van mondelinge behandeling, p. 3, derde alinea). Gelet hierop is de bijzondere bepaling in het testament onder IV.1.b. van toepassing en zijn de geldvorderingen van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] ten laste van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] op 13 mei 2010 opeisbaar geworden. De rente over die geldvorderingen, als bedoeld onder IV.2, is gelet op de laatste zin van die bijzondere bepaling eveneens opeisbaar geworden.

Wat is de omvang van de legitieme massa en zijn de legitieme porties al opeisbaar?

4.7.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] en [naam zoon/broer] zijn geen erfgenamen. Zij zijn op grond van de wet, artikel 4:63 lid 2 BW, legitimarissen in de nalatenschap van erflater en kunnen aanspraak maken op een legitieme portie als bedoeld in artikel 4:63 lid 1 BW. Bij brief van 2 augustus 2005 (zie r.o. 2.4.) hebben zij een aanspraak gemaakt op die legitieme portie.

4.8.

De legitieme portie bedraagt op grond van artikel 4:64 lid 1 BW de helft van de waarde waarover de legitieme porties worden berekend, gedeeld door het aantal in artikel 4:10 lid 1 onder a BW genoemde, door erflater achtergelaten personen. Door erflater zijn vijf personen achtergelaten als bedoeld in het laatstgenoemde artikel. De legitieme portie wordt volgens artikel 4:65 BW berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW. Buiten beschouwing blijven giften waaruit schulden als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder f BW zijn ontstaan (legitimaire massa).

4.9.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] betoogt dat zijn vordering inmiddels opeisbaar is omdat [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] zonder het maken van huwelijkse voorwaarden is hertrouwd. Hij verwijst daarbij naar bepaling C.IV. lid 1 onder b van het testament. De rechtbank is van oordeel dat met “de geldvorderingen van de kinderen” als genoemd in lid 1 van deze bepaling in het testament (zie r.o. 2.2.) gedoeld wordt op de kinderen die erfgenaam zijn ( [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] ). Er wordt in deze bepaling van het testament immers afgeweken van de wettelijke verdeling als bedoeld in artikel 4:13 lid 1 BW waarin gesproken wordt over de “kinderen als erfgenaam” die erflater achterlaat. Verder heeft erflater bij testament onder D.4. laatste zin bepaald dat de vordering van de legitimaris alleen kan worden ingesteld tegen [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] en dat die vordering pas opeisbaar is bij haar overlijden. Gelet op het feit dat die voorwaarde niet is vervuld, zijn de legitieme porties van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] en [naam zoon/broer] nog niet opeisbaar.

4.10.

Het nog niet opeisbaar zijn van de legitieme porties doet niet af aan het feit dat een legitimaris krachtens artikel 4:78 BW recht heeft op inzage in en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie nodig heeft en dat hij belang heeft bij een deugdelijke boedelbeschrijving. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft gelet hierop belang bij de door hem gevorderde verklaring voor recht tot vaststelling van zijn legitieme portie.

Wat is de samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap op het moment van overlijden van erflater / de waarde van de nalatenschap?

4.11.

Om de waarde van de erfdelen van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] en de legitieme porties van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] en [naam zoon/broer] te kunnen vaststellen, dient de rechtbank eerst vast te stellen wat de omvang en samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] en erflater was op het tijdstip van overlijden van erflater op [overlijdensdatum] (artikel 4:6 BW). Het aandeel van erflater in die gemeenschap (de helft) valt in de nalatenschap van erflater.

4.12.

[gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] heeft als executeur na het overlijden van erflater op 16 april 2007 een boedelbeschrijving opgesteld (r.o. 2.5). Die boedelbeschrijving is echter onvolledig, aangezien [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] erkend heeft dat zij destijds vergeten is de aandelenbeleggingsrekeningen op te nemen in haar boedelbeschrijving. Uit de door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] overgelegde stukken blijkt dat ook de notariële boedelbeschrijving en de bevindingen van de deskundige onvolledig zijn.

4.13.

De kinderen hebben de boedelbeschrijving van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] gemotiveerd betwist. Alle kinderen van erflater scharen zich achter de lijst 18.2 van [naam zoon/broer] . De kinderen verschillen onderling alleen van mening over de levensverzekeringsuitkeringen aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] .

4.14.

[gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] betwist de inhoud van de lijst 18.2, doch zij heeft haar verweer niet met stukken onderbouwd, terwijl dit wel van haar als executeur in de nalatenschap van erflater had mogen worden verwacht. Zoals onder rechtsoverweging 4.10 is overwogen, rust op [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] als executeur immers op grond van de wet de verplichting om [eiser in conventie, verweerder in reconventie] en [naam zoon/broer] alle informatie te verschaffen die zij nodig hebben voor de berekening van de legitieme vorderingen en had zij stukken ter bewijs van de waarde van de nalatenschap niet mogen weggooien zonder dat de omvang en samenstelling van de nalatenschap al voldoende was komen vast te staan. Haar eigen boedelbeschrijving van 16 april 2007 is onvolledig en de notariële boedelbeschrijving van 7 september 2007 verwerpt zij. De rechtbank zal de door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] overgelegde lijst 18.2, die grotendeels onderbouwd is met stukken, als uitgangspunt nemen bij de beoordeling van de samenstelling en omvang van de huwelijksgoederengemeenschap op het tijdstip van het overlijden van erflater.

Activa huwelijksgoederengemeenschap / de waarde van de goederen

- woonhuis in Spanje met inboedel?

4.15.

De kinderen hebben geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat, op het tijdstip van overlijden van erflater, een huis in Spanje met inboedel deel uitmaakte van de gemeenschap van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] en erflater. Erflater en [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] woonden laatstelijk niet meer in Spanje en gelet op het verweer van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] moet het er voor worden gehouden dat het huis in Spanje al was verkocht op het moment dat zij en erflater in Duitsland zijn gaan wonen en aldaar een woning hebben gekocht. Op de zitting heeft [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] aangevoerd dat de verkoopopbrengst van het huis in Spanje is gebruikt voor de aankoop van het pand in Duitsland. Aanknopingspunten dat het huis in Spanje op het tijdstip van overlijden van erflater nog steeds eigendom van erflater en [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] was en deel uitmaakte van de gemeenschap zijn er niet. De rechtbank verwerpt dan ook de stelling dat het huis in Spanje met inboedel op het moment van overlijden van erflater onderdeel was van de huwelijksgoederengemeenschap.

- woonhuis in Duitsland met grond

4.16.

Vast staat dat op het tijdstip van overlijden van erflater het huis in Duitsland met grond tot de huwelijksgoederengemeenschap van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] en erflater behoorde. De kinderen stellen dat de waarde van dit woonhuis en aanhorigheden moet worden vastgesteld op
€ 349.000,00. Ter onderbouwing van die waarde hebben zij een verkoopbrochure van ERA Makelaardij Klazienaveen overgelegd (productie 11 bij conclusie van repliek in reconventie), waarin is te lezen dat de vraagprijs van het woonhuis € 349.000,00 k.k. bedraagt. [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] heeft die waarde betwist. Volgens haar bedraagt de waarde van het huis op het tijdstip het overlijden van erflater € 221.000,00 en de waarde van de grond € 48.000,00.

4.17.

De rechtbank overweegt dat de door de kinderen gestelde waarde van het woonhuis en aanhorigheden onvoldoende is onderbouwd, in die zin dat niet kan worden vastgesteld op welk tijdstip de makelaar tot de vraagprijs € 349.000,00 is gekomen. De brochure geeft daarover geen informatie. Voor de beoordeling is relevant de waarde op [overlijdensdatum] . De rechtbank zal daarom aansluiting zoeken bij de waardebepaling zoals vermeld in de notariële boedelbeschrijving van 7 september 2007. [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] stelt weliswaar dat zij deze beschrijving niet kent, maar uit de notariële boedelbeschrijving, die ondertekend is en voorzien is van een stempel van de notaris, blijkt dat [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] op 7 september 2007 bij notaris [naam notaris] geweest is en [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] haar verzocht heeft de boedelbeschrijving op te maken op basis van door [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] verstrekte informatie. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de echtheid van dit document. [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] heeft daar ook geen argumenten voor aangevoerd. De notaris heeft op 7 september 2007 vastgesteld dat [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] als executeur in de nalatenschap van erflater een taxatie door Huisexpert Makelaardij en Hypotheken te Schoonebeek heeft overgelegd en in de notariële boedelbeschrijving is vermeld dat de getaxeerde waarde van het woonhuis met grond (in het economisch verkeer) € 270.000,00 bedroeg. Gelet hierop gaat de rechtbank uit van een waarde van het woonhuis in Duitsland met grond van € 270.000,00.

- inboedel woonhuis Duitsland.

4.18.

Vast staat dat op het tijdstip van overlijden van erflater het woonhuis in Duitsland was voorzien van een inboedel die behoorde tot de gemeenschap. De omvang en waarde van die inboedel staat ter discussie. De kinderen schatten de waarde van die inboedel, blijkens de lijst 18.2 op € 31.650,00. [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] heeft die waarde betwist. De kinderen onderbouwen de door hen gestelde waarde vervolgens onvoldoende nader. Een globale beschrijving van de inboedel en een indicatie van momenten van aanschaf van de spullen ontbreken. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft bij conclusie in repliek in conventie (productie 12) slechts een algemene (gedownloade) inboedeltabel overgelegd ter onderbouwing van de al bij dagvaarding gestelde waarde, terwijl [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] die schatting bij conclusie van antwoord in conventie heeft betwist. Daardoor is niet duidelijk of de tabel passend is voor de onderhavige inboedel. Bij die stand van zaken wordt het algemene bewijsaanbod van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] bij dagvaarding om als getuige te worden gehoord verworpen. De rechtbank zal, wat de waarde van de inboedel betreft, bij gebreke van voldoende aanknopingspunten, aansluiting zoeken bij de door de executeur in de nalatenschap ( [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] ) geschatte waarde, te weten € 15.000,00. Gelet op de eigen verklaring van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] ten overstaan van de notaris op 7 september 2007, zijn bij die waardering van de inboedel nog niet meegenomen waardevolle schilderijen en overige antiek zaken. Hierover oordeelt de rechtbank hieronder.

- schilderijen en overige antiek

4.19.

De stelling dat schilderijen en overige stukken (een antieke secretaire, Friese klok en Buhl kastje) op het tijdstip van overlijden van erflater nog deel uitmaakten van de gemeenschap van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] en erflater, is door de kinderen onderbouwd met foto’s (productie 13 bij conclusie van repliek in conventie). [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] heeft niet betwist dat die overige stukken deel uitmaakte van de huwelijksgoederengemeenschap. Zij heeft wel betwist dat de schilderijen deel uitmaakten van de huwelijksgoederengemeenschap op de peildatum. Volgens [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] zijn de schilderijen ruim voordat erflater overleed (omstreeks 1999) verkocht. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] over de gestelde verkoop van de schilderijen geen controleerbare informatie heeft verstrekt, zoals bijvoorbeeld aan wie de schilderijen verkocht zijn. Doordat [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] geen bewijsstukken bewaard heeft en zij verder geen aanknopingspunten geeft op basis waarvan de juistheid van haar verweer beoordeeld kan worden, terwijl dat als executeur wel van haar verwacht mag worden, verwerpt de rechtbank het verweer van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] met betrekking tot de schilderijen. De rechtbank gaat er van uit dat de door de kinderen geschatte waarde van de schilderen en antiek van in totaal
€ 30.135,00 passend is, mede gelet op de waardebepaling van die schilderijen en overige antiek door de deskundige (productie 7 bij dagvaarding), die grotendeels overeenkomt met de in lijst 18.2 vermelde waardes. Het bedrag van € 30.135,00 zal dan ook worden meegenomen bij de vaststelling van de waarde van de nalatenschap.

- voertuigen

4.20.

Alle kinderen gaan uit van de informatie over de voertuigen op de lijst 18.2. Op die lijst zijn drie auto’s, één camper en één aanhangwagen inclusief kenteken vermeld. De drie auto’s en de camper staan ook vermeld in de notariële boedelbeschrijving. [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] heeft niet betwist dat de voertuigen die vermeld staan op de lijst 18.2 op de peildatum deel uitmaakten van de huwelijksgoederengemeenschap, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] is in de lijst 18.2. uitgegaan van de nieuwwaarden van de auto’s waarbij hij verwijst naar de inhoud van de beschikking van de kantonrechter van 19 augustus 2019. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft voorts, aan de hand van productie 14 bij conclusie van repliek in conventie (met onder andere bewijzen registratie kentekens en informatie dealers) de gestelde nieuwwaarden van die voertuigen onderbouwd. De rechtbank overweegt dat in rechtsoverweging 3.2. van de beslissing van de kantonrechter van 19 augustus 2009 (zie r.o. 2.7.) onder meer staat: “Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] in haar verweerschrift heeft aangegeven dat de nieuwwaarde van de auto’s mag worden aangenomen, waarmee [eiser in conventie, verweerder in reconventie] ter zitting akkoord is gegaan.” [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] heeft bij conclusie van dupliek en tijdens de mondelinge behandeling niet meer gereageerd op de informatie die volgt uit productie 14 bij conclusie van repliek in conventie. Ook heeft zij niet aangevoerd dat met “de nieuwwaarde” destijds iets anders bedoeld werd dan letterlijk de nieuwwaarde op de peildatum. Zij is bij de dupliek en bij de mondelinge behandeling niet ingegaan op de waarden van de voertuigen die [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft aangevoerd. Zij heeft ten aanzien van de waarde van de huwelijksgoederengemeenschap als geheel alleen verwezen naar haar eigen boedelbeschrijving van 16 april 2007. Gelet op de inhoud van de beslissing van de kantonrechter van 19 augustus 2009 en het uitblijven van gemotiveerd verweer tegen de waarden van de voertuigen die zijn opgenomen in lijst 18.2. zal de rechtbank van die waarden uitgaan. De in de lijst 18.2 opgesomde waarde van de voertuigen van € 232.099,00 in totaal zal derhalve worden meegenomen bij de vaststelling van de waarde van de nalatenschap.

- (Saldi) bankrekeningen

4.21.

Niet ter discussie staat dat de volgende bankrekeningen deel uitmaakten van de gemeenschap:

a. Rabobank, rekeningnr. [rekeningnummer 1] en

b. Rabobank, rekeningnr. [rekeningnummer 2] , saldo € 6.590,88.

ad. a. [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] heeft in haar bedoelbeschrijving van 16 april 2007 vermeld dat het saldo op rekeningnummer [rekeningnummer 1] € 452,66 bedroeg. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft die stelling gemotiveerd betwist en aangevoerd dat het door [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] gestelde saldo de datum 3 mei 2005 betreft en dus niet het saldo op de peildatum. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] stelt dat bij het door [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] gestelde saldo, de afschrijvingen van de bankrekening van 2 mei ad € 71,70 en 4 mei 2005 ad 119,90 (productie 15, eerste bijlage, conclusie van repliek in conventie) moeten worden opgeteld. Die nadere onderbouwing is niet door [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] betwist. Mede gelet op de notariële boedelbeschrijving van 7 september 2007, waarin eveneens is te lezen dat het saldo op de rekening [rekeningnummer 1] op de peildatum € 644,26 bedraagt, zal de rechtbank het saldo op die bankrekening vaststellen op € 644,26.

ad. b. Het saldo op de Rabobankrekening met nummer [rekeningnummer 2] ad € 6.590,88 staat niet ter discussie en zal eveneens worden meegenomen bij de waardering van de nalatenschap.

4.22.

De lijst 18.2 maakt naast de bovenstaande bankrekeningnummers melding van:

c. Rabobank Spaarrekening [naam 3] - [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] rekeningnr. [rekeningnummer 3] ;

d. Rabobank Effectenrekening [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] rekeningnr. [rekeningnummer 5] ;

e. Rabobank Effectenrekening [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] rekeningnr. [rekeningnummer 6]

f. Aegon [naam 3] - [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] rekeningnr. [rekeningnummer 7] (gelet op productie 15, vierde pagina, conclusie van repliek in conventie, leest de rechtbank dit rekeningnr. verbeterd in [rekeningnummer 7] )

g. Sparkasse Emsland [rekeningnummer 8] ad € 6.806,39.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

ad. c. Op een rekeningafschrift van 3 maart 2005 van rekeningnr. [rekeningnummer 2] (productie 15, derde pagina, conclusie van repliek in conventie) is te lezen dat op 1 maart 2005 spaargeld ad € 400,00 is overgeboekt naar de spaarrekening [rekeningnummer 3] met omschrijving “ [naam 3] - [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] overboeking spaargeld”. Dit betekent volgens [eiser in conventie, verweerder in reconventie] dat [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] een spaarrekening met bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] had. De rekening is in de lijst 18.2 meegenomen en er is aan die rekening op de peildatum een saldo toegeschreven van € 6.000,00. De kinderen hebben hun conclusie echter niet met concrete stukken onderbouwd. [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] heeft als verweer aangevoerd dat die rekening en het gestelde saldo haar onbekend zijn. Onduidelijk is dan ook waarop de kinderen de stelling baseren dat de spaarrekening een goed van de gemeenschap is waarvan de waarde € 6.000,00 bedraagt. Dit bedrag wordt dan ook niet meegenomen bij de vaststelling van de waarde van de nalatenschap.

ad. d. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft ter onderbouwing van de waarde van de effectenrekening [rekeningnummer 5] de effectenopgave van 31 december 2006 overgelegd (productie 15, zevende en achtste pagina, conclusie van repliek in conventie) en gesteld dat de waarde van de effectenrekening per peildatum € 137.500,00 bedraagt. Hij onderbouwt die waarde als volgt. Uit het rekenafschrift rekeningnr. [rekeningnummer 2] van 17 februari 2005 (productie 15, tweede pagina, conclusie van repliek in conventie) blijkt dat op 15 februari 2005 een bewaarloon van € 180,25 is afgeschreven. Dit bewaarloon is een percentage van de waarde van de effectenportefeuille [rekeningnummer 5] en teruggerekend moet die waarde € 137.500,00 zijn geweest, aldus [eiser in conventie, verweerder in reconventie] . De rechtbank stelt vast dat berekening van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] is uitgevoerd conform de rekenmethodiek die vermeld staat op de tweede pagina van effectenopgave per 1 januari 2006 en 31 december 2006. [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] heeft die berekening niet betwist en zij heeft enkel aangevoerd dat zij destijds is vergeten de aandelenbeleggingsrekeningen op haar boedelbeschrijving te vermelden. Gelet daarop zal de rechtbank uitgaan van een waarde van € 137.500,00 en die waarde betrekken bij de vaststelling van de nalatenschap.

ad. e. Ter onderbouwing van de stelling van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] dat ook de Rabobank Effectenrekening met rekeningnr. [rekeningnummer 6] met een waarde van € 24.663,16 deel uitmaakte van de gemeenschap heeft hij verwezen naar een effectenoverzicht van die rekening (productie 15, negende pagina, conclusie van repliek in conventie) betreffende het jaar 2006. Volgens dat overzicht betrof de waarde per 1 januari 2006 € 24.663,16. [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] is niet gemotiveerd ingegaan op deze stelling en op dit overzicht bij de conclusie van dupliek. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling alleen aangevoerd dat zij destijds vergeten was de aandelenrekeningen te vermelden in haar eigen boelbeschrijving. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat ook deze effectenrekening deel uitmaakte van de huwelijksgoederen-gemeenschap op het moment van overlijden van erflater. Omdat [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] stelt niet meer te beschikken over bewijsstukken en er geen andere aanknopingspunten zijn met betrekking tot het saldo op de datum van overlijden van erflater, zal de rechtbank uitgaan van het saldo op 1 januari 2006 van € 24.663,16. Dit bedrag zal betrokken worden bij de bepaling van de waarde van de nalatenschap.

ad. f. In een rekeningafschrift van 3 maart 2005 van rekeningnr. [rekeningnummer 2] (productie 15, vierde pagina, conclusie van repliek in conventie) is te lezen dat € 507,48 met betalings-kenmerk WG3440001745 is overgeboekt naar rekening [rekeningnummer 7] . Hieruit blijkt volgens [eiser in conventie, verweerder in reconventie] dat [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] een Aegon rekening [rekeningnummer 7] had. Waaruit blijkt dat dit een rekening bij Aegon was, is niet toegelicht. Evenmin is aangetoond wat de waarde van die rekening op de peildatum was. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft in de lijst 18.2 die rekening gewaardeerd op
€ 0,00. Bij de vaststelling van de waarde van de nalatenschap zal deze rekening [rekeningnummer 7] dan ook buiten beschouwing gelaten worden.

ad. g. [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] betwist dat van de huwelijksgoederengemeenschap deel zou hebben uitgemaakt de door de kinderen gestelde ‘Sparkasse Emsland’. Die rekening is haar niet bekend. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft een afschrift van die spaarrekening overgelegd (productie 15, laatste bijlage, conclusie van repliek in conventie) doch daaruit blijkt niet van wie die rekening is. Het saldo van deze rekening zal dan ook niet betrokken worden bij de vaststelling van de waarde van de nalatenschap.

Polissen Interpolis [polisnummer 1] en Interpolis [polisnummer 2]

4.23.

Op de lijst 18.2 zijn de door erflater bij leven afgesloten polissen Interpolis [polisnummer 1] en Interpolis [polisnummer 2] (productie 16, conclusie van repliek in conventie) vermeld. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] stelt dat de uitkeringen uit die levensverzekeringen een rol kunnen spelen bij de betaling van de legitieme vorderingen, indien de nalatenschap zelf niet (meer) over voldoende middelen beschikt (krachtens de artikelen 126 lid 1, 120 en 127 van boek 4 BW).

4.24.

Interpolis [polisnummer 1] is door erflater afgesloten met ingang van 15 juni 2004. De begunstigden bij die polis zijn 1) verzekernemer (erflater), 2) [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] en 3) de erfgenamen van verzekernemer. Niet betwist is dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] uitkeringen uit de levensverzekering hebben ontvangen in de periode vanaf [overlijdensdatum] tot en met 2010.

4.25.

Interpolis [polisnummer 2] is, blijkens de tekst ervan op pagina 1, voorlaatste alinea, een voortzetting van eerdere (sinds 1989) door erflater afgesloten verzekeringen. De polis regelt (laatstelijk) dat vanaf [overlijdensdatum] (datum overlijden erflater) tot en met de (laatste rentevervaldag voorafgaand aan de) dag van overlijden van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] (verzekerde) een bedrag van € 6.063,00 per jaar moet worden uitgekeerd aan [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] . De rechten uit die verzekering kunnen niet worden afgekocht.

4.26.

De rechtbank overweegt dat de bovenstaande rechten van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] , [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] op uitkering uit de door erflater afgesloten levensverzekeringen niet in de nalatenschap van erflater vallen. Schuldeisers van de nalatenschap kunnen zich dan ook, in beginsel, niet verhalen op het recht van uitkering van een begunstigde. Dat wordt anders indien de aanwijzing als begunstigde bij levensverzekering is te beschouwen als gift.

4.27.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de uitkeringen uit de voornoemde levensverzekeringen geen gift, maar dienen, dan wel dienden, deze ter nakoming van een natuurlijke verbintenis van erflater. Gelet op artikel 4:69 lid 1 onder a BW worden immers niet als giften beschouwd giften aan personen ten aanzien van wie de erflater moreel verplicht was bij te dragen in hun onderhoud tijdens zijn leven of na zijn dood, voor zover zij als uitvloeisel van die verplichting zijn aan te merken en in overeenstemming waren met het inkomen en het vermogen van de erflater.

4.28.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] hebben onderbouwd en op de zitting voldoende nader toegelicht dat de uitkeringen uit de levensverzekering van hun vader een morele verplichting van hem jegens hen was, waarmee hij heeft voorzien in een deel van het levensonderhoud van zijn bij overlijden nog jonge kinderen. In de tweede termijn van de zitting is daartegen door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] geen verweer meer gevoerd. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] hebben hiermee een gegrond beroep op artikel 4:69 lid 1 onder a BW gedaan. De uitkeringen aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] van circa €1.400,00 per jaar waren bovendien, in het licht van het vorenoverwogene, niet bovenmatig.

4.29.

Ook [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] heeft - op de zitting - een beroep op artikel 4:69 lid 1 onder a BW gedaan. Zij heeft toegelicht dat erflater twee van zijn polissen op haar naam heeft gezet, nadat hij zijn baan had verloren, hij nog maar weinig inkomen had en zij hem toen financieel heeft geholpen door zijn onderhoud te bekostigen. Erflater heeft door middel van de wijziging van de polissen (door deze op naam van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] te zetten) er voor gezorgd dat, door de uitkeringen van die polissen aan [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] , [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] een aanvulling had op haar levensonderhoud. Op deze gestelde feiten en omstandigheden is door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] (en de andere kinderen) niet meer gemotiveerd gereageerd. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat voldaan is aan de vereisten van artikel 4:69 lid 1 onder a BW.

Waarde nalatenschap

4.30.

Gelet op al het vorenoverwogene berekent de rechtbank de waarde van de huwelijksgoederengemeenschap en waarde van de goederen van de nalatenschap van erflater als volgt.

Huwelijksgoederengemeenschap

- Activa:

woonhuis Duitsland met grond € 270.000,00

inboedel woonhuis Duitsland € 15.000,00

schilderijen en antiek € 30.135,00

voertuigen € 232.099,00

bankrekening € 644,26

bankrekening € 6.580,88

effectenrekening € 137.500,00

effectenrekening € 24.663,16+

Totaal € 716.622,30

- Passiva:

(punt 5 van de notariële boedelbeschrijving van 7-9-2007) € 0,00-

Saldo huwelijksgoederengemeenschap: € 716.622,30

Waarde goederen nalatenschap (artikel 4:6 BW):

Het aandeel van erflater in de huwelijksgoederengemeenschap (= waarde van de goederen van de nalatenschap) bedraagt: ½ × € 716.632,30 = € 358.311,15

Verder in conventie

Legitimaire massa en de legitieme portie van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] en [naam zoon/broer]

4.31.

De legitimaire massa bedraagt gelet op het bepaalde in artikel 4:65 BW (zie r.o. 4.8):

Legitimaire massa:

  • -

    Waarde goederen nalatenschap € 358.311,15

  • -

    Giften geen+

  • -

    Schuld ex 4:7 lid 1 b BW € 5.041,45-

€ 353.269,70.

4.32.

Krachtens artikel 4:64 lid 1 BW (zie r.o. 4.8.) bedraagt de legitieme portie van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] en [naam zoon/broer] € 353.269,70 × ⅕ × ½ = € 35.326,97. De rechtbank stelt de legitieme portie vast op dit bedrag en zal de onder I in conventie gevorderde verklaring voor recht op de wijze als bepaald onder beslissing 5.1 toewijzen.

4.33.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft ter zake van zijn legitieme portie een vordering op [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] (D.4, laatste zin, Testament). Die legitieme vordering is echter, zoals onder rechtsoverweging 4.9 is overwogen, nog niet opeisbaar. Gelet hierop zal de onder II gevorderde veroordeling van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] tot betaling van de legitieme portie, alsmede de nevenvorderingen, worden afgewezen. Ook de subsidiair gevorderde veroordeling van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] tot betaling van de legitieme vordering onder de opschortende voorwaarde van haar overlijden zal als ongegrond worden afgewezen. Doordat de vordering van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] pas opeisbaar is na het overlijden van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] is [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] in beginsel nooit gehouden om tot betaling van de legitieme portie in de nalatenschap van erflater over te gaan, noch in privé, noch als executeur in de nalatenschap van erflater (art. 3:296 lid 2 BW) (ECLI:NL:GHSHE:2020: 3324, rov. 6.33, tweede alinea).

Verder in reconventie

Wat is de hoogte van de nalatenschap en de waarde van het erfdeel?

4.34.

Ingevolge het bepaalde onder C.II Testament, zoals onder rechtsoverweging 4.5 is overwogen, bedraagt het erfdeel van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] , per kind/erfgenaam een derde deel van de waarde van de goederen van de nalatenschap, nadat daarop in mindering zijn gebracht de overige schulden van de nalatenschap. Bij gebreke van informatie van de zijde van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] zijn in deze procedure als schulden van de nalatenschap alleen de kosten van de uitvaart ad € 5.041,45 (artikel 4:7 lid 1 sub b BW) en de legitieme porties van [naam zoon/broer] en [eiser in conventie, verweerder in reconventie] (artikel 4:7 lid 1 sub g BW) komen vast te staan.

Waarde goederen nalatenschap € 358.311,15

Kosten uitvaart € 5.041,45-

Legitieme portie [naam zoon/broer] € 35.326,97-

Legitieme portie [eiser in conventie, verweerder in reconventie] € 35.326,97-

Hoogte nalatenschap € 282.615,76

4.35.

De rechtbank stelt de erfdelen van de [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] derhalve vast op een bedrag van € 94.205,25 per kind (een derde deel van € 282.615,76). Zoals onder rechtsoverweging 4.6 is overwogen, zijn de erfdelen van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] op 13 mei 2010 opeisbaar geworden. De in reconventie onder I gevorderde verklaring van recht en de onder II gevorderde veroordeling van [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] tot betaling van de erfdelen, te vermeerderen met de verschuldigde testamentaire rente (IV.2. Testament), zullen dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat de testamentaire rente 6% per jaar bedraagt en over de erfdelen is verschuldigd vanaf de dag van overlijden van erflater ( [overlijdensdatum] ), zonder rente op rente, tot de dag van algehele voldoening.

Proceskosten in conventie en reconventie

4.36.

Het geschil vloeit voort uit de afwikkeling van de nalatenschap van erflater. De rechtbank zal vanwege de (stief)familierechtelijke relatie van partijen de proceskosten inclusief nakosten daarom op grond van artikel 237 Rv, zowel in conventie als in reconventie, compenseren, in die zin dat iedere partijen de eigen proceskosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat de hoogte van de legitieme portie waarop [eiser in conventie, verweerder in reconventie] aanspraak heeft € 35.326,97 bedraagt,

in reconventie

5.2.

stelt de waarde van de nalatenschap van erflater [erflater] vast op een bedrag van € 282.615,76 en stelt de hoogte van de erfdelen van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] vast op een bedrag van € 94.205,25 per erfdeel,

5.3.

veroordeelt [gedaagde in conventie, verweerster in reconventie sub 3] tot betaling van de erfdelen aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] , in die zin dat zij aan ieder moet betalen een bedrag van € 94.205,25, te vermeerderen met de testamentaire rente van 6 % per jaar, vanaf [overlijdensdatum] (datum overlijden erflater) tot aan de dag van de algehele voldoening,

in conventie en reconventie

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van veroordeling 5.3.

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: CM