Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2022:6562

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-08-2022
Datum publicatie
09-09-2022
Zaaknummer
9863434 CV EXPL 22-2146
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onbetaalde reparatiekosten en boetes na beëindigen samenwerking tussen partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 9863434 CV EXPL 22-2146

Vonnis van de kantonrechter van 24 augustus 2022

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GLOBAL INNOVATIONS GROUP B.V. ,

gevestigd te Den Haag,

eisende partij in het incident ex artikel 223 Rv,

eisende partij in conventie in de hoofdzaak,

verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak,

gemachtigde mr. A.M.T. Snijders,

tegen

[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam],

wonend te [woonplaats] ,

gedaagde partij in het incident ex artikel 223 Rv,

gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,

eisende partij in reconventie in de hoofdzaak,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna GIG en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 26 april 2022 met producties 1 t/m 10,

  • -

    de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord tevens houdende eis in reconventie met bijlagen,

  • -

    de brief waarbij een mondelinge behandeling is gepland,

  • -

    de e-mail van [gedaagde] d.d. 20 juni 2022 met bijlagen,

  • -

    de schriftelijke weergave van het op 22 juni 2022 door [gedaagde] verklaarde,

  • -

    de brief van GIG houdende productie 11,

  • -

    het antwoord in reconventie met productie 12,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 20 juli 2022, en de spreekaantekeningen van GIG.

1.2.

Ten slotte is in het incident ex artikel 223 Rv en, indien mogelijk, in de hoofdzaak vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn eind 2019 een samenwerking aangegaan op grond waarvan [gedaagde] voor GIG een gevelisolatiesysteem genaamd KLIPLA op de markt zou introduceren en verkopen.

2.2.

Gedurende de samenwerking heeft GIG aan [gedaagde] een Mini Cooper ter beschikking gesteld.

2.3.

Op 8 januari 2021 heeft [gedaagde] – ter vervanging van de Mini Cooper – in België een Landrover met kenteken [kenteken] (hierna: de Landrover) gekocht voor € 3.500,-. Het kentekenbewijs werd op naam van GIG gezet en is in haar bezit.

2.4.

De Landrover is van België naar Polen getransporteerd en is aldaar gerepareerd voor een bedrag van € 7.225,- (productie 3 bij dagvaarding).

2.5.

Na terugkomst in Nederland is de Landrover door [gedaagde] in gebruik genomen.

2.6.

Per e-mail van 16 december 2021 heeft GIG de samenwerking met [gedaagde] beëindigd (productie 1 bij dagvaarding).

2.7.

GIG heeft op 3 februari 2022 [gedaagde] aangeschreven en verzocht de reparatiekosten en een aantal boetebedragen aan haar te betalen (productie 6 bij dagvaarding).

3 Het geschil

3.1.

GIG vordert na vermeerdering van eis dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover wettelijk geoorloofd uitvoerbaar bij voorraad,

in het incident als provisionele vordering

  1. [gedaagde] veroordeelt om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de Landrover met kenteken [kenteken] in de macht van GIG te brengen en de auto onder afgifte van kentekenbewijs en de sleutels ter vrije en algehele beschikking van GIG te stellen, op straffe van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag (een dagdeel daaronder begrepen) dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 20.000,-,

  2. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten van de incidentele procedure, waaronder begrepen een bedrag voor het salaris en de noodzakelijke verschotten van de gemachtigde van GIG,

in de hoofdzaak in conventie

3. [gedaagde] veroordeelt om aan GIG tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 7.225,- terzake de door GIG gemaakte reparatiekosten alsmede een bedrag van € 1.414,70 aan verbeurde boetes vermeerderd met de wettelijke rente ingaande dag van de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening,

4. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 975,74,

5. [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van dit geding, waaronder begrepen een bedrag voor het salaris en de noodzakelijke verschotten van de gemachtigde van GIG.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. Voor zover van belang zal hierna worden ingegaan op de stellingen van partijen.

in de hoofdzaak in reconventie

3.3.

[gedaagde] vordert dat de kantonrechter bij vonnis GIG veroordeelt tot betaling van

  • -

    € 3.500,- voor de aankoop van de auto

  • -

    € 300,- voor de winterbanden

  • -

    twaalf maanden à € 95,41 per maand aan verzekering

  • -

    € 5.000,- aan benzine.

3.4.

GIG voert verweer. Voor zover van belang zal hierna worden ingegaan op de stellingen van partijen.

4 De beoordeling

in de hoofdzaak in conventie

de reparatiekosten

4.1.

Partijen zijn in geschil over de vraag welke afspraken zij hebben gemaakt met betrekking tot de reparatiekosten van de Landrover. Volgens GIG kwamen partijen overeen dat [gedaagde] de reparatiekosten aan GIG zou terugbetalen en dat de auto daarna zou worden overgeschreven op naam van [gedaagde] . [gedaagde] erkent dat die afspraak is gemaakt, maar voert als bevrijdend verweer dat hij desondanks niet de gefactureerde en door GIG betaalde € 7.225,- hoeft te betalen, omdat in aanvulling hierop een maximum van € 2.500,- zou zijn afgesproken. Dat dit maximum is overeengekomen blijkt echter nergens uit; ook niet uit de whatsappjes die [gedaagde] heeft ingebracht ter onderbouwing van zijn verweer. Dit betekent dat in rechte vaststaat dat is afgesproken dat [gedaagde] de reparatiekosten zou vergoeden zonder dat hieraan een maximum was verbonden.

4.2.

De vordering van GIG tot betaling door [gedaagde] van € 7.225,- zal daarom worden toegewezen. De wettelijke rente zal worden toegewezen over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding (26 april 2021) tot aan de dag van algehele voldoening.

de boetes

4.3.

De vordering van GIG ziet op een drietal boetes, te weten:

  • -

    een parkeerboete d.d. 12 juni 2021, aanslagnummer [aanslagnummer 1] , voor een bedrag van € 138,20 (bestaande uit € 120,20 openstaand bedrag en € 18,00 explootkosten)

  • -

    een boete omdat de Landrover op 15 juni 2021 niet was verzekerd, aanslagnummer [aanslagnummer 2] , voor een bedrag van € 1.209,00 inclusief een eerste verhoging van € 200,- en een tweede verhoging van € 600,00

  • -

    een verkeersboete wegens te hard rijden op 7 december 2021, aanslagnummer [aanslagnummer 3] , voor een bedrag van € 67,50 inclusief een eerste verhoging van € 19,50.

4.4.

[gedaagde] stelt met betrekking tot de boete van € 1.209,- al een bedrag van € 409,- te hebben betaald. Niet gesteld of gebleken is echter dat deze betaling ook daadwerkelijk ziet op de boete van € 1.209,- met kenmerk [aanslagnummer 2] . Op het betaalbewijs van [gedaagde] (bijlage 2 van productie 6 bij dagvaarding) staat namelijk een ander kenmerk genoemd, te weten: 6062 5422 1801 6913. Derhalve is niet vast komen te staan dat [gedaagde] met betrekking tot de boete van € 1.209,- met kenmerk [aanslagnummer 2] al een bedrag heeft betaald. Voor het overige heeft [gedaagde] niet betwist de boetes aan GIG verschuldigd te zijn, maar hij stelt wel dat hij enkel de oorspronkelijke boetebedragen moet betalen en niet ook de verhogingen. GIG heeft hem immers niet tijdig van de boetes op de hoogte gesteld, aldus [gedaagde] .

4.5.

Volgens GIG heeft zij [gedaagde] wel tijdig van de boetes op de hoogte gesteld, maar de kantonrechter constateert dat dit nergens uit blijkt. [gedaagde] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van de oorspronkelijke boetebedragen, te weten: € 409,-, € 120,20 en € 48,-. In totaal een bedrag van € 577,20. Dit bedrag zal worden verhoogd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding (26 april 2021) tot en met de dag van algehele voldoening.

de buitengerechtelijke incassokosten

4.6.

GIG maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, waarbij in het midden kan blijven of [gedaagde] kan worden aangemerkt als consument of niet. Voor het geval hij wel consument is, is namelijk gesteld noch gebleken dat een aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden, wat wel een vereiste is voor aanspraak op deze kosten. Voor het geval [gedaagde] niet moet worden aangemerkt als consument, geldt dat GIG had moeten stellen dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, wat zij niet heeft gedaan. Linksom of rechtsom heeft zij dus geen recht op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.

4.7.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van GIG worden begroot op:

  • -

    explootkosten € 108,31

  • -

    griffierecht € 514,00

  • -

    salaris gemachtigde in conventie € 622,00 (2 punten x tarief € 311,00)

totaal € 1.244,31.

4.8.

GIG heeft niet onderbouwd waarom [gedaagde] hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld dient te worden. De kantonrechter gaat er vanuit dat hier sprake is van een verschrijving.

in het incident ex artikel 223 Rv

4.9.

In het licht van de in de hoofdzaak gewezen beslissing is er geen grond om het gevorderde toe te kennen als voorziening ex artikel 223 Rv. Een dergelijke voorziening is immers slechts geldig voor de duur van de procedure en die is geëindigd met het vonnis van vandaag. Deze vordering zal worden afgewezen.

4.10.

Nu de stellingen en verweren zowel in het incident als in de bodemzaak vrijwel gelijkluidend zijn en tegelijkertijd zijn behandeld, zal de kantonrechter in het incident geen kostenveroordeling uitspreken.

in de hoofdzaak in reconventie

4.11.

In de dagvaarding leek het erop dat GIG zich op het standpunt stelde eigenaar te zijn, maar op de mondelinge behandeling heeft zij toegegeven dat de Landrover niet van haar is. Vaststaat aldus dat [gedaagde] eigenaar is van de Landrover. De daarmee samenhangende kosten komen dan ook voor rekening van [gedaagde] . Niet gesteld of gebleken is op welke grond het aankoopbedrag van de Landrover en de winterbanden, de verzekeringspremies en de benzinekosten voor rekening van GIG zouden moeten komen. De vordering in reconventie zal wegens gebrek aan onderbouwing worden afgewezen.

4.12.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, die aan de zijde van GIG worden begroot op € 311,- (2 punten x 0,5 x tarief € 311,00).

5 De beslissing

in de hoofdzaak in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan GIG tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 7.225,- terzake de door GIG gemaakte reparatiekosten alsmede een bedrag van € 577,20 aan verbeurde boetes, vermeerderd met de wettelijke rente ingaande 26 april 2021 tot de dag van algehele voldoening,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van GIG tot vandaag begroot op € 1.244,31,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in het incident ex artikel 223 Rv

5.5.

wijst de vorderingen af,

in de hoofdzaak in reconventie

5.6.

wijst de vorderingen af,

5.7.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van GIG tot vandaag begroot op € 311,-,

5.8.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth en is in het openbaar uitgesproken.

RJ