Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2022:6454

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-08-2022
Datum publicatie
25-08-2022
Zaaknummer
ROE 22 / 1416
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Betreft verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen de opgelegde last onder dwangsom voor het strijdige gebruik van een pand, bestaande uit onzelfstandige bewoning door arbeidsmigranten. De vraag is of onzelfstandige bewoning door arbeidsmigranten in strijd met het voorbereidingsbesluit is. Hiervoor is volgens jurisprudentie van de Afdeling beslissend of voor de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit de ingebruikname van een pand (in dit geval onzelfstandige bewoning) feitelijk heeft plaatsgevonden. Voorbereidende handelingen die plaatsvinden met het oog op een voorgenomen vorm van gebruik kunnen niet worden aangemerkt als een dergelijke ingebruikname. Omdat de onzelfstandige bewoning op de datum van de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit niet plaatsvond, is sprake van strijdigheid met het voorbereidingsbesluit. Nu sprake is van een overtreding, moet verweerder handhavend optreden, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen (zoals handhavend optreden onevenredig). Ten aanzien van de vraag of verzoekers door het voorbereidingsbesluit onevenredig worden benadeeld ten opzichte van anderen die onder dat besluit vallen, heeft verweerder de last onder dwangsom onvoldoende gemotiveerd. Het valt niet uit te sluiten dat dit motiveringsgebrek nog bij de beslissing op bezwaar kan worden hersteld. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om in afwachting van het eventueel herstel van het gebrek de reeds getroffen voorlopige voorziening (ordemaatregel) te wijzigen in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: ROE 22 / 1416

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 augustus 2022 in de zaak tussen

[naam B.V.] B.V., statutair gevestigd te Geldrop, en [naam], wonend te [woonplaats] , verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2022 (hierna ook: het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoekers een last onder dwangsom opgelegd om voor 15 juli 2022 het strijdige gebruik van het pand gelegen aan de [adres] , bestaande uit onzelfstandige bewoning door arbeidsmigranten, te staken en gestaakt te houden.

Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben voorts de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), te treffen. Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. J.J.H. Hulshof, advocaat te Nijmegen.

Bij uitspraak van 4 juli 2022 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening bij wijze van ordemaatregel toegewezen en bepaald dat het bestreden besluit wordt geschorst. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat ambtshalve tot opheffing of wijziging van de getroffen voorlopige voorziening kan worden overgegaan. Met het oog daarop heeft hij de zaak verwezen naar zitting.

Deze zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2022, waar [naam] (hierna: verzoeker), bijgestaan door de gemachtigde van verzoekers, en verweerder, vertegenwoordigd door [namen gemachtigden] , beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Op grond van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, ook ambtshalve, een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen. De in deze bepaling neergelegde mogelijkheid tot wijziging of opheffing van een reeds getroffen voorlopige voorziening kan, gelet op het systeem van de wet, doorgaans slechts dan in beeld komen indien er sprake is van een wijziging van feiten en/of omstandigheden die na de datum waarop die voorziening is getroffen, maar vóór de datum waarop op het bezwaar of beroep is beslist, bekend zijn geworden en, waren zij eerder bekend geweest, wellicht niet tot het treffen van een voorziening, dan wel tot het treffen van een andere voorziening hadden geleid.

2. Indien derhalve de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening heeft getroffen en vervolgens een verzoek tot opheffing of wijzing van die voorziening krijgt voorgelegd, dan wel overweegt ambtshalve tot opheffing of wijziging over te gaan, oordeelt hij niet uitsluitend over dezelfde feiten en/of omstandigheden die hem hebben gebracht tot de getroffen voorlopige voorziening, maar oordeelt hij over een ander, dan wel gewijzigd feitencomplex in relatie tot die eerder door hem getroffen voorlopige voorziening. Meer in het bijzonder dient hij te beoordelen of er nieuwe feiten en/of omstandigheden zijn en, zo ja, of deze aanleiding geven tot het opheffen of wijzigen van die voorziening.

3. Gelet evenwel op de omstandigheid dat de in deze zaak bij uitspraak van 4 juli 2022 getroffen voorlopige voorziening een ordemaatregel betrof, moet worden geoordeeld dat die voorziening niet is terug te voeren op een inhoudelijke beoordeling van het verzoek en dat het antwoord op de vraag of tot opheffing of wijziging van de reeds getroffen voorlopige voorziening zou moeten worden overgegaan, in overwegende mate afhankelijk is van, dan wel samenhangt met, het alsnog inhoudelijk beoordelen van het verzoek om een voorlopige voorziening.

4. In dat kader wordt het volgende overwogen.

5. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

6. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en deze rechtbank kan bevoegd worden om van de hoofdzaak kennis te nemen. Gelet op de aan verzoekers gegeven begunstigingstermijn is voorts ook de onverwijlde spoed genoegzaam aangetoond.

7. De beoordeling van een verzoek om een voorlopige voorziening vergt, als het spoedeisend belang niet (geheel) ontbreekt, in de regel een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van een bestreden besluit en, voor zover aangewezen, een afweging van de betrokken belangen. Voor zover de daartoe in deze zaak uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in de (eventuele) hoofdzaak.

Verweerders besluitvorming en de aanleiding daartoe

8. Verzoekers zijn eigenaar van het onderhavige pand. Verzoeker heeft vóór de aankoop van dit pand in de periode augustus tot en met oktober 2021 met ambtenaren van de gemeente contact gehad over het verbouwen en in gebruik (laten) nemen van het pand voor onzelfstandige kamerverhuur. Aan hem is toen meermaals bevestigd dat dit voorgenomen gebruik planologisch is toegestaan en dat daarvoor geen omgevingsvergunning is vereist. Gelet hierop is het pand bij koopovereenkomst van 13 oktober 2021 aangekocht.

9. Vervolgens is het pand vanaf 15 november 2021 voor kamerverhuur verbouwd. Nadat de verbouwing was afgerond, heeft verzoeker op 3 januari 2022 een gebruiksmelding bij verweerder ingediend. Op verzoek van ambtenaren van de gemeente is op 11 januari 2022 nogmaals een gebruiksmelding ingediend. Deze gebruiksmelding is op 10 februari 2022 geaccepteerd.

10. Op 26 januari 2022 heeft de raad van verweerders gemeente een voorbereidingsbesluit genomen om het paraplubestemmingsplan “Woningsplitsing en kamerbewoning” voor te bereiden. Het voorbereidingsbesluit geldt voor het gehele gemeentelijk grondgebied en is op 27 januari 2022 in werking getreden. Op grond van dit voorbereidingsbesluit is het (onder meer) verboden het gebruik van bouwwerken – al dan niet door het uitvoeren van bouwwerkzaamheden – om te zetten naar onzelfstandige bewoning. Verweerder kan, onder nader in het voorbereidingsbesluit genoemde voorwaarden, van dit verbod afwijken.

11. Een toezichthouder van de gemeente heeft vanwege de huisvesting van arbeidsmigranten meerdere controles in het pand uitgevoerd. Tijdens de controles op 13 januari 2022 en 27 januari 2022 heeft de toezichthouder geen bewoning in het pand vastgesteld. Wel was het pand zodanig ingericht dat het voor bewoning kon worden gebruikt. Op 14 maart 2022 heeft er nogmaals een controle plaatsgevonden. Bij deze controle is wel bewoning, door mimimaal tien personen, geconstateerd. Bij een controle op 13 juni 2022 is bewoning door acht personen geconstateerd.

12. Gelet op de geconstateerde bewoning van het pand en het feit dat onzelfstandige bewoning door arbeidsmigranten op grond van het voorbereidingsbesluit niet is toegestaan, heeft verweerder bij brief van 28 maart 2022 aangegeven dat hij voornemens is om een last onder dwangsom op te leggen. Verzoekers hebben een zienswijze op dit voornemen ingediend.

13. Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoekers opgedragen de geconstateerde overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen bestuursrecht (hierna: de Wabo) te beëindigen en beëindigd houden, op straffe van een dwangsom van € 12.800,- per kalendermaand met een maximum van € 64.000,-. Verbeuring van de dwangsom kan worden voorkomen door vóór 15 juli 2022 onzelfstandige bewoning van het pand door arbeidsmigranten te staken en gestaakt te houden.

Is er sprake van een overtreding?

14. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder alleen bevoegd is om handhavend op te treden als hij heeft kunnen vaststellen dat gedragingen plaatsvinden die in strijd zijn met een wettelijk voorschrift of een voorschrift uit de omgevingsvergunning, of te wel dat sprake is van een overtreding.

15. In artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro).

In artikel 3.7, vierde lid, van de Wro is bepaald dat, om te voorkomen dat een bij een voorbereidingsbesluit aangewezen gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking van een daaraan bij het plan te geven bestemming, bij het besluit tevens kan worden bepaald dat het verboden is het gebruik van daarbij aangewezen gronden of bouwwerken te wijzigen. Hierbij kan mede worden bepaald dat binnen de bij het voorbereidingsbesluit te geven regels bij een omgevingsvergunning van het verbod kan worden afgeweken.

16. In geschil is de vraag of onzelfstandige bewoning door arbeidsmigranten in strijd met het voorbereidingsbesluit is.

17. Verzoekers voeren aan dat de onzelfstandige bewoning van het pand door arbeidsmigranten niet in strijd met het voorbereidingsbesluit is. Hiertoe stellen zij dat de bouwwerkzaamheden aan het pand al vóór de inwerkintreding van het voorbereidingsbesluit zijn aangevangen. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat de toevoeging van de zinsnede “al dan niet door uitvoeren van bouwwerkzaamheden” in het gebruikswijzigingsverbod van het voorbereidingsbesluit maakt dat niet enkel de (aanvang van) feitelijke bewoning, maar ook de bouwkundige, feitelijke omzetting naar onzelfstandige bewoning een met het voorbereidingsbesluit strijdig gebruik oplevert. Dat in dit geval die feitelijke, bouwkundige omzetting vóór inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit heeft plaatsgevonden staat niet ter discussie. Daarmee is het met het voorbereidingsbesluit strijdige gebruik dus ook om die reden al aangevangen vóór inwerkingtreding daarvan.

Dit geldt volgens verzoekers ook voor de feitelijke bewoning van het pand. Ter onderbouwing hiervan hebben verzoekers foto’s en diverse verklaringen van buren, de aannemer wiens medewerkers het pand hebben verbouwd en bewoond en de voormalige eigenaar van het pand, overgelegd. Verzoekers stellen hiermee de bewoning van het pand aannemelijk te hebben gemaakt. Omdat geen sprake is van een overtreding, heeft verweerder ook niet de bevoegdheid om handhavend op te treden.

18. Verweerder stelt zich op het standpunt dat onzelfstandige bewoning eerst na de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit is aangevangen, omdat tijdens de op 13 januari 2022 en 27 januari 2022 uitgevoerde controles is geconstateerd dat het pand wel was ingericht voor onzelfstandige bewoning, maar niet als zodanig in gebruik was. Gelet hierop is wel degelijk sprake van een overtreding.

19. Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat beslissend is of voor de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit de ingebruikname van een pand (in dit geval onzelfstandige bewoning) feitelijk heeft plaatsgevonden.1 Voorbereidende handelingen die plaatsvinden met het oog op een voorgenomen vorm van gebruik kunnen niet worden aangemerkt als een dergelijke ingebruikname. Van een wijziging van het gebruik is als zodanig ook nog geen sprake op het moment dat de voorbereidende handelingen zijn afgerond. Doorslaggevend is of de desbetreffende activiteit feitelijk heeft plaatsgevonden. Dit uitgangspunt is in overeenstemming met de lijn die wordt aangehouden bij de beantwoording van de vraag of een bepaalde vorm van gebruik wordt beschermd door het overgangsrecht van een nieuw bestemmingsplan. Ook in die situatie is doorslaggevend of het gebruik daadwerkelijk is aangevangen en zijn voorbereidende handelingen daarvoor niet voldoende.

20. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit deze jurisprudentie dat het feitelijke gebruik daadwerkelijk moet zijn aangevangen voor de datum van inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit en dat dit feitelijke gebruik ten tijde van deze peildatum nog plaatsvond. Anders dan verzoekers stellen, worden, zoals blijkt uit de genoemde uitspraken van de Afdeling, voorbereidende handelingen (zoals het geschikt maken van het pand voor onzelfstandige bewoning) die vóór de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit plaatsvonden niet als ingebruikname van het pand gezien. De toevoeging van de zinsnede “al dan niet door uitvoeren van bouwwerkzaamheden” in het gebruikswijzigingsverbod van het voorbereidingsbesluit maakt ook niet dat geen sprake is van strijdigheid met dat besluit. Uit de tekst van dit verbod blijkt dat het gaat om de ingebruikname van het pand, eventueel in combinatie met bouwwerkzaamheden, en niet dat, zoals verzoekers stellen, het uitvoeren van bouwwerkzaamheden aan het pand los van de ingebruikname van het pand kan worden gezien.

21. Beantwoording van de vraag of de feitelijke bewoning van arbeidsmigranten al vóór de inwerkintreding van het voorbereidingsbesluit op 27 januari 2022 heeft plaatsgevonden, kan achterwege blijven, nu kan worden vastgesteld dat geen sprake was van het daadwerkelijk feitelijk gebruiken van het pand voor onzelfstandige bewoning ten tijde van de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit (de peildatum). Verzoekers hebben immers aangegeven dat, hoewel zij een huurovereenkomst met als ingangsdatum 15 januari 2022 hebben gesloten, de bewoning van arbeidsmigranten toen nog niet plaatsvond. Verzoekers wilden namelijk nog wachten op een positieve reactie op hun gebruiksmelding. Deze gebruiksmelding is pas bij brief van 10 februari 2022 geaccepteerd, waarna het pand voor onzelfstandige bewoning in gebruik is genomen. Tevens blijkt uit de controle van 27 januari 2022 dat het pand toen niet in gebruik was voor onzelfstandige bewoning. Aan verzoekers komt daarom geen bescherming toe. Immers, met de geconstateerde kamerbewoning in maart 2022 is er sprake van een verboden wijziging van het feitelijke gebruik na de peildatum.

22. Omdat sprake is van een overtreding is verweerder bevoegd om handhavend op te treden. Verweerder moet, gelet op zijn, uit de vaste jurisprudentie van de Afdeling volgende, beginselplicht tot handhaving, van zijn handhavingsbevoegdheid gebruik maken, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn om dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Ook kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in de concrete situatie behoort te worden afgezien.

Is er sprake van concreet zicht op legalisatie?

23. Verzoekers voeren aan dat, voor zover sprake is van een overtreding, van handhavend optreden moet worden afgezien gelet op de mogelijkheid tot legalisatie. Zij betwisten het negatieve advies van het C-team (een ambtelijke commissie die verweerder adviseert bij met het planologische kader strijdige projecten) dat verweerder ten grondslag heeft gelegd aan zijn weigering om mee te werken aan de verlening van een omgevingsvergunning voor het door verzoekers voorgestane gebruik van het pand. Het beleid waarnaar het C-team heeft verwezen is niet van toepassing, nu dit ziet op woningbouwplannen en dit in geval geen sprake is van de bouw van woningen. In dit geval is enkel sprake van ingebruikname. Daarover zegt het beleid niets. Als het beleid al van toepassing zou zijn, dan houdt dat beleid in ieder geval geen rekening met onderhavige situatie waarbij de splitsing in onzelfstandige woonruimten reeds rechtmatig heeft plaatsgevonden. Er is dan ook geen sprake van een ‘woningbouwplan’, maar van acht legaal gerealiseerde kamers die door handhavend optreden slechts leeg komen te staan. Verder zijn meerdere aannames in het advies onjuist. Zo is er wel een afzonderlijke toiletruimte (begane grond), de badkamerruimten zijn van voldoende omvang, er is een ruimte voor een wasmachine en ook is er op eigen terrein voldoende ruimte voor afval.

24. De voorzieningenrechter overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat er geen concreet zicht op legalisatie bestaat als het bestuursorgaan niet bereid is een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan te verlenen.2 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan deze rechtspraak ook ten aanzien van (het afwijken van een gebruikswijzigingsverbod in) een voorbereidingsbesluit worden toegepast.

25. Het enkele feit dat verweerder niet bereid is om ten behoeve van onzelfstandige bewoning van het voorbereidingsbesluit af te wijken is derhalve in beginsel voldoende voor het oordeel dat er geen concreet zicht op legalisatie bestaat. De voorzieningenrechter overweegt dat er geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het ter zake door verweerder ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste medewerking en omgevingsvergunning niet zullen kunnen worden geweigerd. De voorzieningenrechter neemt daartoe met name in aanmerking dat verweerder heeft kunnen stellen dat het project van verzoekers niet voldoet aan de verbetering van de leefbaarheid en aan de gewenste bijdrage aan de transformatie van de woningvoorraad, als nader geduid in het advies het van het C-team.

Is handhavend optreden onevenredig?

26. Verzoekers voeren verder aan dat, voor zover sprake is van een overtreding, handhavend optreden onevenredig is, omdat het voorbereidingsbesluit hen veel harder treft dan anderen. Hiertoe stellen zij dat meermaals is bevestigd dat onzelfstandige bewoning door arbeidsmigranten was toegestaan. Gelet hierop zijn aanzienlijke investeringen gedaan, zoals de aankoop van het pand en het sluiten van huurovereenkomsten. Na aankoop van het pand is ook meteen begonnen met het verbouwen daarvan. Zelfs bij het indienen van de gebruiksmelding op 3 januari 2022 en 11 januari 2022 zijn verzoekers nergens op gewezen, terwijl verweerder wist van het voorgenomen gebruik van het pand door verzoekers. Het meest schrijnend achten verzoekers dat zij juist hebben gewacht met de ingebruikname van het pand (door de nieuwe huurder) in afwachting van de acceptatie van de gebruiksmelding. Het pand was echter eerder al gereed en de huurovereenkomst ving al aan op 15 januari 2022, zodat het ook op dat moment in gebruik had kunnen worden genomen. Nu de enkele aanwezigheid van het pand in relatie tot het totale aantal bestaande kamerverhuurpanden in Heerlen niet in de weg zal staan aan het op termijn reguleren van verkamering en woningsplitsing, achten verzoekers de nadelige gevolgen van het gebruikswijzigingsverbod in deze specifieke situatie onevenredig in verhouding tot het algemene belang dat verweerder daarmee nastreeft.

27. Verweerder heeft in het bestreden besluit erkend dat de destijds gegeven informatie over de mogelijkheid het pand te gebruiken voor onzelfstandige bewoning correct is verstrekt. Deze informatie was gebaseerd op het toen geldende kader van beleid en wet- en regelgeving. Los hiervan was de raad bevoegd om een aantal maanden later een voorbereidingsbesluit met directe werking te nemen. Dit voorbereidingsbesluit is op de juiste wijze genomen, gepubliceerd en heeft werking voor het gehele gemeentelijke grondgebied. Omdat het voorbereidingsbesluit daardoor een besluit van algemene strekking is, hoefden verzoekers daarvan niet vooraf individueel in kennis te worden gesteld. Verweerder begrijpt dat verzoekers een zakelijk belang hebben bij niet-handhavend optreden, maar dit belang strekt niet zover dat dit moet prevaleren boven het algemeen belang dat gediend is met bij de handhaving van het voorbereidingsbesluit of bij het belang van derden en buurtbewoners die geconfronteerd worden met de situatie ter plekke.

28. Ter zitting heeft verweerder erkend dat zijn hiervoor weergegeven motivering uitgebreider had gekund en verder uitgewerkt zal worden in de beslissing op bezwaar. Dit is echter geen motiveringsgebrek nu het bestreden besluit wel een motivering bevat. Ook is aangegeven dat er geen vergelijkbare gevallen zijn waarin de betrokkenen op dezelfde wijze als verzoekers nadeel van het voorbereidingsbesluit ondervinden.

29. Onder verwijzing naar de in noot 1 genoemde uitspraak van de Afdeling van 19 december 2022 zal de voorzieningenrechter in het kader van de exceptieve toetsing bezien of verweerder het gebruikswijzigingsverbod in dit specifieke geval in redelijkheid ten grondslag heeft kunnen leggen aan de opgelegde last onder dwangsom.

30. Uit de stukken komt naar voren dat verzoeker in de periode augustus tot en met oktober 2021 met ambtenaren van verweerders gemeente contact heeft gehad over het verbouwen en in gebruik (laten) nemen van het pand voor onzelfstandige kamerverhuur. Aan hem is meermaals bevestigd dat dit voorgenomen gebruik planologisch is toegestaan en dat daarvoor geen omgevingsvergunning is vereist. Gelet hierop hebben verzoekers het pand aangekocht en zijn zij, toen zij op 15 november 2021 beschikking over het pand kregen, met de verbouwing ervan gestart. Tijdens de verbouwing is verzoeker (als verhuurder) een huurovereenkomst voor de huisvesting van arbeidsmigranten aangegaan voor een periode van één jaar met als ingangsdatum 15 januari 2022. Om het pand voor onzelfstandige bewoning gereed te maken, hebben verzoekers, zoals blijkt uit een overzicht in het bezwaarschrift, aanzienlijke kosten gemaakt die bestaan uit de verrichte bouwwerkzaamheden voor de splitsing van het pand en de aangeschafte inboedel en stoffering van het pand. Indien het pand niet voor onzelfstandige bewoning kan worden gebruikt, lijden verzoekers nog meer schade door onder andere gederfde huurinkomsten, rentelasten en waardevermindering van het pand door beperking van de gebruiksfunctie. Ter zitting heeft verweerder dit niet weersproken.

31. Verder is van belang dat met de daadwerkelijke verbouwing van het pand is begonnen voordat het voorbereidingsbesluit op 27 januari 2022 in werking trad en dat de verbouwing in dit geval voortvarend is afgerond. Zoals blijkt uit de stukken heeft een toezichthouder op 13 januari 2022 geconstateerd dat het pand voor onzelfstandige bewoning in gebruik kon worden genomen. Verzoekers konden het pand vóór de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit voor onzelfstandige bewoning in gebruik laten nemen, maar hebben hiermee gewacht totdat de ingediende gebruiksmelding (op 10 februari 2022) is geaccepteerd. Daarnaast is ook van belang dat de voorbereidingen voor onzelfstandige kamerbewoning met uitdrukkelijke medeweten van verweerder hebben plaatsgevonden. Dit blijkt niet alleen uit de hiervoor genoemde contacten van verzoeker met ambtenaren van de gemeente, maar ook uit het feit dat de op 3 februari 2022 ingediende gebruiksmelding op verzoek van verweerder op 11 januari 2022 nogmaals is ingediend en dat op 13 januari 2022 een controle naar het gebruik van het pand heeft plaatsgevonden.

32. Uit het voorgaande volgt dat de stelling van verzoekers dat zij door het voorbereidingsbesluit onevenredig worden benadeeld ten opzichte van anderen die onder dat besluit (kunnen gaan) vallen, feitelijk is onderbouwd. Voorts kan bepaald niet worden uitgesloten dat deze stelling en de onderbouwing daarvan in een eventuele hoofdzaak de rechtbank tot oordeel zullen leiden dat verweerder het gebruikswijzigingsverbod in dit specifieke geval buiten toepassing had moeten laten wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, in welk geval geen sprake is van een overtreding. Door hier enkel tegenover te stellen dat het algemeen belang dient te prevaleren boven het zakelijk belang van verzoekers, heeft verweerder deze stelling niet, althans onvoldoende weerlegd en gaat hij daarmee ook ongemotiveerd voorbij aan de hiervoor vermelde omstandigheden aan de zijde van verzoeker. In zoverre kleeft er wel degelijk een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit. Zoals van de zijde van verzoekers ter zitting met juistheid is opgemerkt, betekent het enkele feit dat er een motivering is, nog niet dat die motivering ook toereikend is.

33. De voorzieningenrechter overweegt dat niet uit te sluiten valt dat het motiveringsgebrek nog kan worden hersteld bij de beslissing op bezwaar, in welk kader verweerder ook zal dienen in te gaan op de vraag of de enkele aanwezigheid van het pand in relatie tot het totale aantal bestaande panden voor onzelfstandige bewoning in de weg zal staan aan het op termijn kunnen bereiken van het voorkomen van nieuwe ongewenste vormen van onzelfstandige bewoning en woningsplitsing en de daarmee gepaard gaande verslechtering van het woon-en leefklimaat. Gelet op de belangen van verzoekers én die van de bewoners van het pand die, naar verzoekers met juistheid hebben gesteld, in dit geval een rechtstreeks belang hebben omdat zij in een aan een fundamenteel recht ontleend belang worden geschaad, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om in afwachting van het eventueel herstel van het gebrek de reeds getroffen voorlopige voorziening te wijzigen op de hierna te vermelden wijze.

34. Verweerder dient het griffierecht en de proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

­ wijzigt de bij uitspraak van 4 juli 2022 getroffen voorlopige voorziening, in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

­ draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365,00 aan verzoekers te vergoeden;

­ veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.518,00 (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan verzoekers.

Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Kloos, griffier.

De uitspraak is openbaar gemaakt op 22 augustus 2022.

de griffier is verhinderd voorzieningenrechter

te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op: 22 augustus 2022

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4173, en 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2926.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2134.