Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2022:6440

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-08-2022
Datum publicatie
22-08-2022
Zaaknummer
C/03/289627 / FA RK 21-957
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek vader beëindiging gezamenlijk gezag; verzoek moeder vaststelling van een verdeling van zorg- en opvoedtaken. Tussenbeschikking waarbij BOR3 wordt bepaald en waarbij aan de moeder diverse voorwaarden worden gesteld, die ook betrekking hebben op het gezamenlijk gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 1 augustus 2022

Zaaknummer: C/03/289627 / FA RK 21-957

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[de vader] ,

verzoeker, verder te noemen: de vader,

wonend op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. T.M.L. de la Haije, kantoorhoudend te Geleen, gemeente Sittard-Geleen,

en:

[de moeder] ,

verweerster, verder te noemen: de moeder,

wonend op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R.L.J. Reijnen, kantoorhoudend te Geleen, gemeente Sittard-Geleen,

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bij deze zaak betrokken:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie Maastricht, hierna te noemen: de raad.

Wederom gezien de stukken, waaronder ook de door deze rechtbank gegeven en op
28 juli 2021 uitgesproken beschikking.

1 Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.

Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het advies van de raad, ingekomen ter griffie op 21 maart 2022;

- het F9-formulier van de vader, ingekomen ter griffie op 5 april 2022;

- het F9-formulier van de moeder, ingekomen ter griffie op 5 april 2022;

- het F9-formulier van de vader, ingekomen ter griffie op 9 juni 2022.

1.2.

De zaak is behandeld ter zitting van 21 juni 2022, waar zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- een vertegenwoordigster van de raad.

2 Het advies van de raad

De raad is van mening dat er vooralsnog geen definitief advies kan worden gegeven over het verzoek van de vader tot wijziging van het gezag en over de invulling van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken, althans de omgangsregeling. De raad adviseert, in zijn rapport en ter zitting, dan ook een begeleide omgangsregeling (hierna te noemen: BOR) niveau 3 op te leggen. Een BOR niveau 3 is nodig om de mogelijkheid van contact tussen de kinderen en de moeder zo goed mogelijk in beeld te brengen en te begeleiden en om de communicatiemogelijkheden van de ouders onderling beter in beeld te brengen, zodat er zicht komt op het perspectief van de kinderen, ook wat betreft de uitoefening van het gezag. De raad acht het verder van groot belang dat de kinderen ondersteund worden en deel kunnen gaan nemen aan het KOPP-traject, zo mogelijk parallel aan de uitvoering van de BOR-regeling, zodat zij meer zicht kunnen krijgen op de problematiek van de moeder en voorkomen wordt dat de kinderen het een en ander op zichzelf gaan betrekken met negatieve gevolgen van dien.

3 De standpunten van partijen

3.1.

De vader kan zich verenigen met het advies van de raad tot het starten van een BOR niveau 3. De vader kan zich echter niet verenigen met het advies van de raad om (nader) onderzoek te doen naar en advies geven over het gezag. De vader acht het niet in het belang van de kinderen dat zijn verzoek tot toekenning van het eenhoofdig gezag wordt aangehouden. Het is duidelijk dat de moeder lijdt aan langdurige en ernstige psychische- en verslavingsproblematiek, waardoor zij niet binnen afzienbare tijd in staat is om op een adequate en consistente wijze invulling te geven aan het gezag. Hoewel er gestreefd wordt naar contactherstel tussen de moeder en de kinderen, valt niet te verwachten dat de moeder weer een groot aandeel zal krijgen in de verzorging en opvoeding van de kinderen. Daar komt bij dat de ouders niet in staat zijn om constructief in het belang van de kinderen met elkaar te communiceren. De moeder is onbereikbaar waardoor de vader regelmatig derden en/of professionals heeft moeten benaderen om noodzakelijke toestemming van de moeder te verkrijgen. De moeder geeft volgens de vader zelf aan niet te verwachten dat zij met de vader tot een goed overleg kan komen en ervaart erg veel spanningen van een confrontatie met de vader. Daarnaast geeft de moeder aan te denken dat het contact tussen de ouders niet kan verbeteren, aldus de vader. Dit staat haaks op het vereiste dat de ouders in onderling overleg moeten kunnen treden over zaken aangaande de kinderen indien beide ouders gezamenlijk belast zijn met het gezag. Daarnaast wil de moeder geen openheid geven over haar actuele leefsituatie, het middelengebruik en haar klinische detoxbehandeling bij de Vincent van Gogh kliniek waardoor er geen volledig en compleet beeld gevormd kan worden en geen zicht is op haar situatie. Ook heeft zij de afgelopen jaren niet, althans nauwelijks geïnformeerd naar de kinderen. De vader heeft ter zitting toegezegd de KOPP-training voor de kinderen in gang te zullen zetten en zijn volledige medewerking daaraan te zullen gaan verlenen.

3.2.

De moeder kan zich verenigen met het advies van de raad tot het starten van een BOR niveau 3 en het doen van (nader) onderzoek naar en het uitbrengen van advies over het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedtaken, althans de omgangsregeling. De moeder wil graag weer een rol spelen in het leven van de kinderen en wil graag toewerken naar onbegeleide omgang met hen. De moeder wil het graag goed doen voor de kinderen en is recent dan ook weer gestart met een behandeling bij Zuyderland voor haar psychische klachten. De moeder gebruikt sinds een jaar geen drugs meer en wil in het belang van de kinderen ook abstinent blijven van drugs. Hoewel in het verleden sprake is geweest van huiselijk geweld tussen de moeder en haar partner, is daar thans geen sprake meer van en is nimmer sprake geweest van middelengebruik door de partner van de moeder. De moeder geeft aan de afgelopen periode weliswaar niet bij school en bij de vader geïnformeerd te hebben naar de kinderen, maar de moeder heeft dit in het verleden tevergeefs wel gedaan. Ze kreeg toen echter regelmatig geen antwoord of reactie van de vader. De moeder betwist voorts haar toestemming regelmatig geweigerd, althans niet verleend te hebben.

4 De (verdere) beoordeling

4.1.

De rechtbank verwijst naar hetgeen in voormelde beschikking is overwogen en beslist.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat het advies van de raad dient te worden gevolgd en dat een BOR van het niveau 3 bepaald dient te worden en de beslissing ten aanzien van het gezag aangehouden dient te worden in afwachting van de resultaten van de BOR. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.3.

De rechtbank verwijst naar haar beschikking van 28 juli 2021, waarin is overwogen dat de moeder uit het leven van de kinderen is gestapt vanwege haar psychiatrische verleden. Bij die beschikking heeft de rechtbank een raadsonderzoek gevraagd. Daarbij heeft de rechtbank de moeder erop gewezen dat het onderzoek van de raad in ieder geval op haar persoon en op haar psychiatrische problemen zal zijn gericht en dat het van belang is dat de moeder aan de raad toestemming geeft om informatie in te winnen bij betrokken hulpverleners. Uit het rapport van de raad volgt echter dat de moeder geen toestemming heeft gegeven contact op te nemen met de Vincent van Gogh kliniek en dat Zuyderland geen recente informatie heeft. De moeder geeft zelf aan dat zij eind 2021 gestopt is met de behandeling bij Zuyderland vanwege haar baan, maar dat zij inmiddels weer een intake heeft gehad. De laatste informatie van Zuyderland, zo blijkt uit het rapport van de raad, is dat de moeder behandeld is met als diagnose: een kortdurende psychotische stoornis met duidelijke stressoren, een persoonlijkheidsstoornis NAO en middelengebruik. De laatste behandeling verliep volgens Zuyderland wisselend met vaker afzeggen en terugval in middelengebruik. Verder is gebleken dat de moeder zich heeft ziek gemeld bij haar huidige werkgever omdat het raadsonderzoek en de onderhavige procedure opnieuw spanningen bij de moeder veroorzaken. Ten slotte is ook gebleken dat de moeder opnieuw een relatie heeft met “ [naam 1] ”, terwijl binnen deze relatie sprake is geweest van veel huiselijk geweld, waarmee ook [naam 2] en [naam 3] zijn geconfronteerd. Bij deze stand van zaken, waarbij geen enkel zicht bestaat op de huidige situatie van de moeder, zou de rechtbank kunnen beslissen dat contact tussen de moeder en beide kinderen nu niet in het belang van deze kinderen is. Echter, beide kinderen geven aan dat zij contact met de moeder willen en ook de vader geeft aan dat hij contact, mits veilig en verantwoord, belangrijk vindt voor de kinderen. Bovendien rust op de overheid een zwaarwegende verplichting om te bevorderen dat een kind het contact met zijn beide ouders niet verliest. Slechts als omgang niet in het belang van de minderjarige is, kan de rechtbank het verzoek tot vaststelling van een regeling afwijzen.

Met de raad en de ouders is de rechtbank daarom van oordeel dat voor het onderzoeken van de mogelijkheden voor en het zo mogelijk daadwerkelijk opstarten van contactherstel tussen de kinderen en de moeder een BOR niveau 3 noodzakelijk is, waartoe een voorlopige regeling zal worden vastgesteld in het dictum. Om ervoor te zorgen dat eventuele contacten tussen de moeder en de kinderen veilig, verantwoord en in hun belang zijn, dient aan de volgende voorwaarden te worden voldaan:

  1. De moeder moet toestemming geven aan de Mutsaertsstichting om informatie over haar (medische) situatie in te winnen bij Zuyderland, bij de Vincent van Gogh kliniek en bij haar huisarts. De rechtbank overweegt dat de Mutsaertsstichting zonder deze toestemming niet met het traject dient te starten.

  2. De moeder dient door middel van urinetests aan te tonen dat zij geen middelen gebruikt. De moeder dient dit zelf te regelen.

  3. Teneinde het voor de Mutsaertsstichting mogelijk te maken te beoordelen of in de toekomst onbegeleid contact tussen de moeder en de kinderen zou kunnen plaatsvinden, dient de moeder in ieder geval ook inzicht te geven in haar huidige situatie, waarin zij weer een relatie heeft met “ [naam 1] ”.

  4. Beide ouders dienen alle afspraken met de Mutsaertsstichting na te komen zonder daartoe zelf voorwaarden te stellen.

  5. Beide ouders dienen hun medewerking te geven aan het KOPP-traject en zij dienen aan de Mutsaertsstichting toestemming te geven informatie in te winnen bij de begeleiders van het KOPP-traject.

Het traject bij de Mutsaertsstichting is ook van belang voor de vraag of het gezamenlijk gezag in stand kan blijven. Voor gezamenlijk gezag is namelijk in ieder geval nodig dat ouders met elkaar kunnen communiceren. Daarom dienen beide ouders ervoor open te staan dat zij in gezamenlijke gesprekken bij de Mutsaertsstichting leren op respectvolle wijze met elkaar te communiceren over de kinderen

Ten slotte is voor het in stand blijven van het gezamenlijk gezag ook nodig dat de moeder op de hoogte is van de ontwikkeling van de kinderen, bij gebreke waarvan zij niet in staat kan worden geacht op verantwoorde wijze mee te beslissen. Hiertoe kan van de moeder worden verwacht dat zij zelf initiatief toont om informatie over de kinderen in te winnen, bijvoorbeeld middels regelmatige contacten met de school van de kinderen, het bezoeken van ouderavonden en het in contact treden met de vader over zaken die de kinderen aangaan. Van de vader kan worden verwacht dat hij op regelmatige basis aan de moeder laat weten hoe het met de kinderen gaat.

Voor dit alles is in ieder geval nodig dat de moeder bereikbaar is voor de vader. Hiertoe zal zij op eigen initiatief aan de vader haar telefoonnummer en haar emailadres dienen te verstrekken. Om te voorkomen dat hierover een misverstand ontstaat, dient de moeder deze gegevens schriftelijk, althans per email, aan de vader te geven.

4.4.

In afwachting van de resultaten van de BOR en een eventueel nader onderzoek en advies van de raad zal iedere verdere beslissing worden aangehouden. In beginsel zal de zaak verder schriftelijk worden afgedaan, tenzij een partij gemotiveerd aangeeft dat een nadere mondelinge behandeling gewenst is. De rechtbank bepaalt vervolgens het verder verloop van de procedure.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

bepaalt dat de contacten tussen de kinderen en de moeder voorlopig, totdat daarover nader wordt beslist, zullen plaatsvinden onder professionele begeleiding van de Mutsaersstichting (BOR- traject niveau 3), waarbij de regie wordt overgelaten aan de Mutsaersstichting;

5.2.

verzoekt de raad uiterlijk op 1 april 2023 (pro forma) de eindrapportage van de Mutsaersstichting omtrent de voortgang van de BOR bij de rechtbank in te dienen en, als dat eindrapport voor de raad aanleiding geeft voor een nader onderzoek naar het gezag en de zorgregeling, uiterlijk binnen twee weken na het beschikbaar komen van dit BOR-rapport de rechtbank en partijen daarover te informeren en aan te geven wanneer het rapport van de raad te verwachten is;

5.3.

stelt voor het geval de raad een onderzoek niet nodig vindt, partijen (via het familiejournaal) in de gelegenheid binnen twee weken op het BOR-rapport schriftelijk te reageren, waarna de rechtbank zal beslissen over het verder verloop van de procedure;

5.4.

geeft voorwaardelijk opdracht aan de raad om nader onderzoek te doen naar en te rapporteren en te adviseren over het gezag en de zorgregeling;

5.5.

houdt iedere verdere beslissing aan, pro forma tot 1 april 2023.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Meuris, griffier, op 1 augustus 2022.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.