Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2022:6434

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-08-2022
Datum publicatie
22-08-2022
Zaaknummer
C/03/305053 / HA ZA 22-217
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident.

Beslissing ex 843a Rv uitgesteld wegens onvoldoende informatie in de hoofdzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Datum uitspraak : 3 augustus 2022

Zaaknummer : C/03/305053 / HA ZA 22-217

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen

inzake

[eiseres in de hoofdzaak alsook in het incident] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres in de hoofdzaak alsook in het incident,
advocaat mr. V.C.C. Luijten;

tegen:

1 [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 1] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
geen advocaat gesteld hebbende;

2 [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 2] ,
wonende te [woonplaats 3] ,
geen advocaat gesteld hebbende;

3 [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 3] ,
wonende te [woonplaats 4] ,
advocaat mr. B.C. van Hees;

4 [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 4] ,
wonende te [woonplaats 5] ,
advocaat mr. F.A. van den Heuvel;

5 [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 5] ,
wonende te [woonplaats 6] ,
advocaat mr. B.C. van Hees;

6 [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 6] ,
wonende te [woonplaats 7] ,

advocaat mr. B.C. van Hees,

allen gedaagden in de hoofdzaak alsook in het incident.


Partijen zullen hierna ‘ [eiseres in de hoofdzaak alsook in het incident] ’ respectievelijk ‘gedaagden’ worden genoemd; afzonderlijk zullen gedaagden bij hun voornaam worden aangeduid, zoals hierna aangegeven.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding tevens houdende een conclusie van eis in het incident, met 5 producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident van gedaagden sub 3, 5 en 6, met 10 producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident van gedaagde sub 4.

1.2.

Daarna is vonnis in het incident bepaald op heden.

2 De feiten

In de hoofdzaak en in het incident

2.1.

[eiseres in de hoofdzaak alsook in het incident] en gedaagden sub 1 en 2, [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 1] en [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 2] , zijn de dochters van [de moeder] , geboren uit haar eerste huwelijk met [de vader] . [de moeder] voornoemd is op 21 mei 2017 overleden. Op het moment van haar overlijden was [de moeder] gehuwd met [de vader 2] . Gedaagden sub 3 tot en met 6 zijn de kinderen uit het eerste huwelijk van [de vader 2] voornoemd met [de moeder 2] . [de vader 2] is op 14 april 2021 overleden.

2.2.

[de moeder] heeft bij testament van 26 september 1995 over haar nalatenschap beschikt. Hierin is onder meer en voor zover in deze relevant opgenomen in geval [de moeder] vóór [de vader 2] komt te overlijden:
“(…)
Ik deel toe:
1. aan mijn genoemde echtgenoot ( [de vader 2] , toevoeging de rechtbank): alle tot mijn nalatenschap behorende aktiva, onder verplichting wegens de daardoor plaatshebbende overbedeling:
a. als eigen schulden te voldoen: alle tot mijn nalatenschap behorende passiva (…) en b. in contanten uit te keren aan ieder van mijn afstammelingen [ [eiseres in de hoofdzaak alsook in het incident] , [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 1] en [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 2] , toevoeging de rechtbank] de waarde van zijn zuiver erfdeel (…)
2. aan ieder van mijn afstammelingen: de als sub 1b gemeld ten laste van mijn genoemde echtgenoot gebrachte vordering in contanten wegens de aan hem gedane overbedeling. (…).”
en:

“(…)

Ter voldoening aan mijn zedelijke verplichting tot verzorging van mijn genoemde echtgenoot legateer ik aan hem het levenslang recht van vruchtgebruik van de hiervoor (…) bedoelde, aan mijn afstammelingen toebedeelde vorderingen wegens overbedeling (…).”

2.3.

[de vader 2] heeft bij testament van 26 september 1995 over zijn nalatenschap beschikt. Hierin is onder meer en voor zover in deze relevant opgenomen in geval [de vader 2] ná [de moeder] komt te overlijden:

“(…)

Voor het geval ik mocht komen te overlijden na (…) [de moeder] (…) benoem ik tot mijn enige erfgenamen mijner gehele nalatenschap -zulks gezamenlijk en voor gelijke delen-: mijn kinderen geboren uit mijn eerste huwelijk met mevrouw [de moeder 2] , alsmede de kinderen geboren uit het eerste huwelijk bestaan hebbende tussen (…) [de moeder] voornoemd en de heer [de vader] , zulks evenwel onder de verplichting voor laatstgenoemde kinderen om met mijn hiervoor genoemde kinderen evenredig te delen en/of te verrekenen hetgeen zij mede ontvangen hebben en/of nog zullen ontvangen uit de nalatenschap van hun moeder, (…) [de moeder] voornoemd.”

2.4.

[eiseres in de hoofdzaak alsook in het incident] , [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 1] en [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 2] hebben de nalatenschap van [de moeder] beneficiair aanvaard.

3 Het geschil

In de hoofdzaak

3.1.

[eiseres in de hoofdzaak alsook in het incident] wenst dat haar erfdeel en dat van [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 1] en [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 2] in de nalatenschap van [de moeder] wordt vastgesteld en dat gedaagden sub 3 tot en met 6 worden veroordeeld om deze erfdelen aan [eiseres in de hoofdzaak alsook in het incident] , [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 1] en [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 2] uit te keren, waarbij eventueel – indien van toepassing en voor zover nodig – de schenkingen die [de vader 2] na het overlijden van [de moeder] heeft gedaan aan gedaagden sub 3 tot en met 6 worden vernietigd. [de vader 2] was immers erfgenaam van [de moeder] en de gedaagden sub 3 tot en met 6 zijn als erfgenamen van [de vader 2] “als het ware in zijn schoenen […] gestapt” (dgv, randnr. 12). Hierbij dient in acht te worden genomen dat gedaagden sub 3 tot en met 6 de nalatenschap van [de vader 2] niet beneficiair, maar zuiver hebben aanvaard door de woning van [de vader 2] te ontruimen en goederen in die woning aan zichzelf toe te eigenen dan wel te onttrekken, alsmede de auto van [de vader 2] te verkopen, waarmee zij zich als heer en meester over die nalatenschap hebben gedragen.

3.2.

[eiseres in de hoofdzaak alsook in het incident] vordert op grond van het vorenstaande dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. de hoogte van de erfdelen van [eiseres in de hoofdzaak alsook in het incident] , [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 1] en [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 2] in de nalatenschap van [de moeder] vaststelt;

2. voorwaardelijk, voor het geval vast komt te staan dat er door [de vader 2] na het overlijden van [de moeder] aan gedaagden sub 3 tot en met 6 schenkingen en/of giften zijn gedaan, deze schenkingen en/of giften vernietigt, voor zover nodig ter opheffing van de door [eiseres in de hoofdzaak alsook in het incident] , [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 1] en [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 2] ondervonden benadeling;
3. verklaart voor recht dat gedaagden sub 3 tot en met 6 de nalatenschap van [de vader 2] zuiver hebben aanvaard;
4. voorwaardelijk, voor het geval de hiervoor gevorderde verklaring voor recht wordt gegeven, bepaalt dat gedaagden sub 3 tot en met 6 hoofdelijk aansprakelijk zijn voor betaling aan [eiseres in de hoofdzaak alsook in het incident] , [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 1] en [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 2] van hun vorderingen inzake de nalatenschap van [de moeder] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 april 2021, althans met de wettelijke rente vanaf de datum van betekening van deze dagvaarding (6 mei 2022), tot de datum van algehele voldoening;
5. gedaagden sub 3 tot en met 6 veroordeelt tot betaling van het door de rechtbank in goede justitie vast te stellen aan [eiseres in de hoofdzaak alsook in het incident] , [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 1] en [gedaagde in de hoofdzaak alsook in het incident 2] toekomende erfdeel in de nalatenschap van [de moeder] , eventueel (deels) op grond van schending van artikel 3:45 lid 1 BW, althans op grond van onrechtmatig handelen, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 april 2021, althans met de wettelijke rente vanaf de datum van betekening van deze dagvaarding (6 mei 2022), tot de datum van algehele voldoening;
6. gedaagden veroordeelt in de kosten van deze procedure.

In het incident

3.3.

Voor de vorderingen in de hoofdzaak is, aldus [eiseres in de hoofdzaak alsook in het incident] , informatie nodig die blijkt uit bescheiden. Die bescheiden heeft zij echter niet in haar bezit, reden waarom [eiseres in de hoofdzaak alsook in het incident] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. gedaagden sub 3 tot en met 6 beveelt om met bewijsstukken aan te tonen op welk moment zij de nalatenschap van [de vader 2] beneficiair hebben aanvaard, op welk moment zij de woning van [de vader 2] hebben ontruimd en op welk moment zij zijn auto hebben verkocht;
2. primair, gedaagden sub 3 tot en met 6 veroordeelt om binnen een maand na het door de rechtbank te wijzen tussenvonnis een deugdelijke boedelbeschrijving ter zake de nalatenschap van [de moeder] over te leggen, onderbouwd met verificatie stukken, waaronder in ieder geval kopieën van alle bankafschriften van [de vader 2] tussen 21 mei 2017 en 14 april 2021, op straffe van verbeurte van een dwangsom van 5 250,00 per persoon per dag of dagdeel dat gedaagden sub 3 tot en met 6 daarmee in gebreke blijven , tot een maximum van € 20.000,00,
althans subsidiair, gedaagden sub 3 tot en met 6 veroordeelt om binnen twee weken na het door de rechtbank te wijzen tussenvonnis, volledige medewerking te verlenen aan het door een door [eiseres in de hoofdzaak alsook in het incident] aan te wijzen notaris op te stellen verklaring van erfrecht betreffende de nalatenschap van [de moeder] , op gezamenlijke kosten van partijen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van 5 250,00 per persoon per dag of dagdeel dat gedaagden sub 3 tot en met 6 daarmee in gebreke blijven , tot een maximum van € 20.000,00;

3. gedaagden sub 3 tot en met 6 veroordeelt om binnen twee weken na het door de rechtbank te wijzen tussenvonnis een overzicht over te leggen van (eventueel) door [de vader 2] na het overlijden van [de moeder] aan hen gedane schenkingen, onderbouwd met verificatie stukken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van 5 250,00 per persoon per dag of dagdeel dat gedaagden sub 3 tot en met 6 daarmee in gebreke blijven , tot een maximum van € 20.000,00;
4. gedaagden sub 3 tot en met 6 veroordeelt in de kosten van het incident.

3.4.

Gedaagden sub 3 tot en met 6 voeren verweer.

4 De beoordeling

In de hoofdzaak en in het incident

4.1.

Bij een vordering tot inzage of afschrift van bescheiden ex artikel 843a Rv dient een partij ten eerste een rechtmatig belang te hebben. Ten tweede dient het te gaan om een bepaald of concreet document dat ten derde ziet op een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking heeft.

De rechtbank is van oordeel nog niet te kunnen beslissen over de vorderingen in het incident vooraleer er meer duidelijkheid is over de in de hoofdzaak betrokken stellingen van partijen over en weer. Gelet hierop zal de rechtbank in de hoofdzaak en in het incident een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden, een en ander nadat gedaagden sub 3 tot en met 6 in de gelegenheid zijn gesteld te concluderen voor antwoord in de hoofdzaak. Daartoe zal de zaak worden verwezen naar de rol van 14 september 2022. Daarna zal de zaak weer op de rol komen voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden maart 2023 tot en met oktober 2023, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald.

5 De beslissing


De rechtbank

In de hoofdzaak

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 14 september 2022 voor conclusie van antwoord aan de zijde van gedaagden sub 3 tot en met 6;

In de hoofdzaak en in het incident

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas en in het openbaar uitgesproken op

3 augustus 2022.