Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2022:5538

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-07-2022
Datum publicatie
26-07-2022
Zaaknummer
ROE 22/1156 en 22/1090
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Het beroep is gericht tegen het bestreden besluit waarbij de RDW blijft bij haar weigering eiseres een kenteken voor een (land)bouwvoertuig, meer in het bijzonder een MMBS, te geven voor haar bedrijfsauto. Omdat de RDW bij het nemen van dat besluit ten onrechte recht heeft toegepast dat niet meer gold, heeft de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaard. De voorzieningenrechter heeft het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten, omdat de weigering op zich terecht was. Zij heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, omdat zij uitspraak heeft gedaan op het beroep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: ROE 22/1156 en ROE 22/1090


uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 juli 2022 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[naam B.V.] B.V., gevestigd in [plaats] ( [naam] )

(gemachtigde: mr. D. Schilstra),

en

de Dienst Wegverkeer, (de RDW)

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening dat [naam] heeft ingediend in de beroepsprocedure die zij is gestart tegen het in stand laten van de weigering van de RDW om voor haar bedrijfsauto, die zij gebruikt als motorrijtuig met beperkte snelheid (MMBS), om een kenteken af te geven voor een (land)bouwvoertuig, meer in het bijzonder een kenteken voor een MMBS. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van het beroep beslist zij ook op het beroep van [naam] . Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

2. De RDW heeft de afgifte van een kenteken voor een (land)bouwvoertuig voor de bedrijfsauto van [naam] met zijn besluit van 25 januari 2022 geweigerd. [naam] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Na heroverweging in bezwaar heeft de RDW de weigering met zijn besluit van 4 april 2022 in stand gelaten (het bestreden besluit).

3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek van [naam] om een voorlopige voorziening op 4 juli 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van [naam] en de gemachtigde van de RDW.

Totstandkoming van het bestreden besluit

4. De RDW heeft de afgifte van een kenteken voor een (land)bouwvoertuig voor de bedrijfsauto van [naam] in eerste instantie geweigerd, omdat de bedrijfsauto van [naam] (nog) niet was goedgekeurd als (land)bouwvoertuig. In het bestreden besluit stelt de RDW zich op het standpunt dat de afgifte van een kenteken voor een (land)bouwvoertuig voor de bedrijfsauto van [naam] moet worden geweigerd omdat de bedrijfsauto van [naam] al als bedrijfsauto in het kentekenregister van de RDW is ingeschreven en te naam gesteld. De RDW baseert zijn standpunt op artikel 58aa, eerste lid, aanhef en onder b, van het Kentekenreglement.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze procedure eerst of de RDW terecht bij zijn weigering is gebleven om voor de bedrijfsauto van [naam] geen kenteken voor een (land)bouwvoertuig af te geven. Zij doet dit aan de hand van de volgende beroepsgrond die [naam] tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd. Zij geeft daarna haar oordeel over het verzoek om een voorlopige voorziening.

5.1

Artikelen die voor de uitspraak van belang zijn, heeft de voorzieningenrechter met het oog op een beter leesbare uitspraak alleen genoemd. Wat in de artikelen staat, is vermeld in de bijlage bij de uitspraak. Zij heeft daarom ook in de uitspraak de formulering van partijen overgenomen dat [naam] een aanvraag voor een kenteken heeft ingediend. Juridisch gezien gaat de aanvraag over de inschrijving en tenaamstelling om een kenteken te kunnen krijgen.

De beoordeling van het beroep

6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de RDW ten onrechte op grond van artikel 58aa, eerste lid, aanhef en onder b, van het Kentekenreglement is gebleven bij zijn weigering om voor de bedrijfsauto van [naam] een kenteken voor een (land)bouwvoertuig af te geven. In zoverre krijgt [naam] gelijk. [naam] krijgt echter niet helemaal gelijk, omdat de weigering op zich terecht was. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

7. [naam] voert aan dat artikel 58aa van het Kentekenreglement niet meer gold toen de RDW op haar bezwaar besliste en dat de RDW daarom ten onrechte niet op basis van het op dat moment geldende recht heeft beslist. Zij verwijst naar artikel 7:11 van de Awb.

7.1

De RDW heeft, tenminste zo begrijpt de voorzieningenrechter de toelichting van de gemachtigde van de RDW ter zitting, op aanvragen voor afgifte van een kenteken voor (land)bouwvoertuigen die zijn ingediend in de conversieperiode (2021), maar waarop door de vele ingediende aanvragen niet in deze periode kon worden beslist, het recht toegepast dat gold in de conversieperiode. De RDW heeft dit gedaan, omdat dit voor de aanvragers van een kenteken voor een (land)bouwvoertuig een gunstiger recht was dan het geldende recht. In de conversieperiode konden aanvragers eenvoudig via een administratief proces, anders dan onder het geldend recht, zonder keuring en dus goedkoper een kenteken voor hun (land)bouwvoertuig krijgen.

De RDW heeft de aanvraag van [naam] ook zo beoordeeld, maar volgens de gemachtigde maakte toepassing van het recht dat gold in de conversieperiode voor [naam] geen verschil. [naam] kon, toen zij het kenteken aanvroeg, geen kenteken voor een MMBS meer krijgen, omdat de RDW toen geen kenteken voor een MMBS meer kon afgeven. [naam] had daarom volgens de gemachtigde een aanvraag moeten doen om wijziging van voertuigcategorie om met haar bedrijfsauto, anders dan als bedrijfsauto, op de openbare weg te mogen rijden.

7.2

In artikel 7:11 van de Awb is de heroverweging van een besluit geregeld. Vaste rechtspraak1 is dat dit in beginsel gebeurt op grond van het op dat moment geldend recht. Als vervallen recht dat gold op het moment van de aanvraag, maar niet meer op het moment van de heroverweging, gunstiger voor de aanvrager is dan het geldend recht, kan het toegestaan zijn een besluit te heroverwegen op grond van het vervallen recht.

7.2.1

Sinds 1 januari 2021 geldt voor de meeste (land)bouwvoertuigen een kentekenplicht.2 In de conversieperiode (2021) konden eigenaren of houders van (land)bouwvoertuigen die vóór 1 januari 2021 als zodanig in het verkeer waren gebracht, op grond van het overgangsrecht in het Kentekenreglement dat in die periode gold3, hun (land)bouwvoertuig zonder voorafgaande keuring als (land)bouwvoertuig in het kentekenregister van de RDW laten inschrijven en te naam te stellen en zodoende een kenteken voor het (land)bouwvoertuig krijgen.

7.2.2

De RDW is bij de heroverweging van zijn weigering om voor de bedrijfsauto van [naam] een kenteken voor een (land)bouwvoertuig af te geven uitgegaan van het vervallen overgangsrecht in het Kentekenreglement. Het overgangsrecht gold op het moment waarop [naam] haar aanvraag deed, maar niet meer toen de RDW het bestreden besluit nam. Het vervallen overgangsrecht was voor [naam] niet gunstiger dan het geldend recht. Het was zelfs niet van toepassing op de aanvraag van [naam] . De RDW erkent dit ook. De bedrijfsauto van [naam] was namelijk niet vóór 1 januari 2021 als MMBS in het verkeer gebracht, als vereist is voor de toepassing van het vervallen overgangsrecht4. Haar bedrijfsauto stond ten tijde van de aanvraag (en nog steeds) als zware bedrijfsauto in het kentekenregister van de RDW ingeschreven en te naam gesteld. De RDW had de aanvraag van [naam] daarom aan de hand van het geldend recht moeten beoordelen. Door dit niet te doen heeft de RDW in strijd met artikel 7:11 van de Awb beslist. In zoverre heeft [naam] gelijk. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

Het beroep

8. Het beroep is daarom al gegrond. Wat [naam] verder nog heeft aangevoerd kan om die reden onbesproken blijven. De voorzieningenrechter gaat het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Zij ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Dit betekent dat het gevolg dat het bestreden besluit voor [naam] heeft, namelijk dat zij voor haar bedrijfsauto geen kenteken krijgt voor een MMBS zo blijft. De reden daarvoor is de volgende.

8.1

Op grond van het geldende recht had de RDW de weigering van de aanvraag van [naam] moeten heroverwegen aan de hand van artikel 25 van het Kentekenreglement. Omdat de bedrijfsauto van [naam] op het moment waarop de RDW het bestreden besluit heeft genomen als zware bedrijfsauto in het kentekenregister van de RDW stond ingeschreven en te naam gesteld, kon de RDW de bedrijfsauto van [naam] niet op basis van artikel 25 van het Kentekenreglement in het kentekenregister inschrijven en te naam stellen als MMBS. Bovendien was dat toen ook niet meer mogelijk, omdat de RDW met ingang van 1 januari 2021 geen kenteken meer kan afgeven voor een MMBS, omdat deze voertuigcategorie met ingang van die datum is komen te vervallen.5 Daarom krijgt [naam] niet helemaal gelijk.

Het verzoek om een voorlopige voorziening

9. Omdat op het beroep wordt beslist, is er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van de beslissing op het beroep. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.


Griffierechten en proceskosten

10. De voorzieningenrechter gaat de RDW opdragen aan [naam] het door haar betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening te vergoeden. De gegrondverklaring van het beroep is daar reden voor.

11. De voorzieningenrechter ziet in de gegrondverklaring van het beroep ook aanleiding de RDW te veroordelen in de proceskosten die [naam] voor de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening heeft gemaakt. Zij stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op een bedrag van € 2.277,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,- en wegingsfactor 1).

De voorzieningenrechter geeft [naam] het volgende nog mee

12. Om met haar bedrijfsauto op de openbare weg te mogen rijden kan [naam] twee dingen doen: 1) Zij kan de schorsing van de tenaamstelling van haar bedrijfsauto (online) opheffen. Zij mag dan weer met haar bedrijfsauto op de openbare weg. Wil zij een boete voorkomen, moet zij er wel voor zorgen dat haar bedrijfsauto aan de vereisten voldoet waaraan een zware bedrijfsauto moet voldoen en dat haar bedrijfsauto op de juiste manier verzekerd is. 2) Zij kan ook bij de RDW een aanvraag doen om wijziging van voertuigcategorie en via die weg proberen een kenteken voor een andere voertuigcategorie voor haar bedrijfsauto te krijgen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en laat de rechtsgevolgen van

het vernietigde bestreden besluit in stand;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- draagt de RDW op het door [naam] betaalde griffierecht van € 730,- (2 x € 365,-) aan

[naam] te vergoeden;

- veroordeelt de RDW in de proceskosten van [naam] tot een bedrag van € 2.277,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.W.M. Heyman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.W.C.M. Frings, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

20 juli 2022.

Griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 20 juli 2022

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Bijlage

Artikel 7:11, van de Awb:

1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

2. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

Artikel 25 van het Kentekenreglement:

1. De eigenaar of houder van een voertuig waarvoor de eerste inschrijving en tenaamstelling wordt gevraagd, stelt het voertuig voor een onderzoek ter beschikking bij de Dienst Wegverkeer en legt een bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs over.

2. De eigenaar of houder van een voertuig waarvoor de eerste tenaamstelling wordt gevraagd en dat reeds is ingeschreven op grond van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, verzoekt om tenaamstelling bij de Dienst Wegverkeer onder overlegging van een bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs.

3. De Dienst Wegverkeer gaat over tot inschrijving en tenaamstelling, respectievelijk tenaamstelling van het voertuig van degene die aan de verplichtingen van het eerste respectievelijk het tweede lid heeft voldaan en geeft aan de aanvrager een kentekencard af en verstrekt aan hem een tenaamstellingscode.

4. Indien de aanvraag wordt gedaan door een erkend bedrijf bedrijfsvoorraad dat geen gebruik maakt van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, geeft de Dienst Wegverkeer aan de aanvrager tevens een tenaamstellingsverslag af met gegevens die verband houden met de opname in bedrijfsvoorraad.

5. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat tot het moment van uitreiking van de kentekencard aan het erkende bedrijf bedrijfsvoorraad de kentekencard ten behoeve van de overdracht van een voertuig op bij ministeriele regeling te bepalen wijze en onder bij die regeling te bepalen voorwaarden kan worden vervangen door een tijdelijk document.

6. In afwijking van het derde en vierde lid houdt de Dienst Wegverkeer de beslissing op de aanvraag aan indien daartoe naar het oordeel van deze dienst aanleiding bestaat. In dat geval wendt de aanvrager zich tot de Dienst Wegverkeer.

7. Het eerste en het derde tot en met het zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien inschrijving en tenaamstelling wordt aangevraagd voor een voertuig dat reeds eerder was ingeschreven en te naam gesteld en blijkens het kentekenregister:

a. voorgoed buiten gebruik is gesteld;

b. voorgoed buiten Nederland is gebracht;

c. definitief is bestemd voor gebruik buiten de weg; of

d. een kentekenbewijs met een bijzonder kenteken is afgegeven.

Artikel 58y, eerste lid, van het Kentekenreglement (vervallen):

1. Overeenkomstig de artikelen 58z en 58aa vraagt de eigenaar of houder de inschrijving en tenaamstelling aan van:

a. een landbouw- of bosbouwtrekker die, motorrijtuig met beperkte snelheid dat of aanhangwagen die uitsluitend bestemd is om te worden voortbewogen door een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, die voor 1 januari 2021 in het verkeer is gebracht en waarvoor de eerste inschrijving en tenaamstelling wordt gevraagd.

Artikel 58aa van het Kentekenreglement (vervallen):

1. De Dienst Wegverkeer weigert de inschrijving en tenaamstelling indien:

a. het geen voertuig betreft als bedoeld in artikel 58y, eerste lid;

b. het voertuig reeds is ingeschreven en te naam gesteld;

c. naar het oordeel van deze dienst blijkt dat de eigenaar of houder van het voertuig onvrijwillig het bezit of het houderschap van dat voertuig heeft verloren;

d. naar het oordeel van deze dienst één of meer van de gegevens die op het voertuig moeten zijn aangebracht geheel of gedeeltelijk aan het voertuig ontbreken;

e. het voertuig voorgoed buiten gebruik is gesteld; of

f. niet is voldaan aan de vereisten voor de aanvraag, bedoeld in artikel 58z.

2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien voor het voertuig een GV-kenteken is opgegeven en het de eerste aanvraag tot inschrijving en tenaamstelling van het desbetreffende kenteken betreft.

3. Met betrekking tot de tenaamstelling is artikel 20 van overeenkomstige toepassing.

1 Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2571)

2 Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de implementatie van richtlijn 2014/45/EU alsmede ter invoering van een registratie- en kentekenplicht voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines en aanhangwagens die uitsluitend bestemd zijn om daardoor te worden voortbewogen en het niet meer toelaten tot het verkeer van nieuwe motorrijtuigen met beperkte snelheid

3 Besluit van 4 december 2020 tot wijziging van het Besluit voertuigen, het Kentekenreglement, het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en enige andere besluiten ter implementatie van richtlijn nr. 2014/45/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de periodieke technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens en tot intrekking van Richtlijn 2009/40/EG (PbEU 2014, L 127) en enige andere wijzigingen

4 Artikel 58, eerste lid, van het Kentekenreglement (vervallen)

5 Zie noot 1