Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2022:5233

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-07-2022
Datum publicatie
11-07-2022
Zaaknummer
03/060686-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Combinatie van gevangenisstraf voor verboden wapenbezit (vuurwapen en stroomstootwapen) en drugs met vordering tot herroeping van voorwaardelijke invrijheidstelling. Is de politierechter bevoegd, ook als de in totaal uit te voeren gevangenisstraf langer is dan een jaar (artikel 365 Sv)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/060686-19

Tegenspraak

Vonnis van de politierechter d.d. 08 juli 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957,

wonende te [adres 1] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is voor het eerst inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juli 2021. Het onderzoek ter terechtzitting is destijds voor bepaalde tijd geschorst tot de zitting van 6 september 2021. Het onderzoek werd hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing op 23 juli 2021 bevond. Het onderzoek ter terechtzitting werd opnieuw geschorst, ditmaal voor onbepaalde tijd. Op 24 juni 2022 is het onderzoek hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing op 6 september 2021 bevond. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: zich op 12 maart 2019 te Schinveld schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een pistool en van twee kogelpatronen kaliber .38 (Special);

Feit 2: zich op 12 maart 2019 te Schinveld schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een stroomstootwapen;
Feit 3: op 12 maart 2019 te Schinveld opzettelijk aanwezig heeft gehad meer dan 30 gram hasjiesj en hennep.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten zoals ten laste gelegd bewezen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft over het bewijs geen verweer gevoerd.

3.3

Het oordeel van de politierechter 1

Op 4 januari 2019 zijn in Spanje enkele verdachten van drugssmokkel aangehouden. Naar aanleiding van het onderzoek dat daartoe leidde, heeft de Duitse politie een Europees onderzoeksbevel (EOB) uitgevaardigd.2 Daarin is vermeld:

Het EOB dient voor het verkrijgen van bewijsmiddelen in een lopend onderzoek van het

arrondissementsparket Würzburg tegen tenminste drie betrokkenen, die zich op 04-01-2019 naar de aangegeven plaatsen in Nederland hebben begeven om daar transacties in verdovende middelen af te handelen. De verdachten konden uiteindelijk op 05-01-2019 in Spanje worden gearresteerd, waarbij 69 kilogram MDMA in beslag werd genomen. In zoverre dient te worden vermoed dat de verdachten de verdovende middelen in Nederland op de genoemde plaatsen hebben gekocht. Als er nog langer wordt gewacht bestaat het risico dat er bewijsmiddelen verloren gaan. De verdachten maken deel uit van een internationaal opererend netwerk. Er dient van te worden uitgegaan dat de drugsvondst en de daarop volgende aanhouding reeds binnen de betreffende kringen de ronde heeft gedaan.

In het EOB wordt de Nederlandse politie verzocht om een aantal plaatsen te doorzoeken, waaronder de woning van de verdachte aan de [adres 2] in Schinveld. In een nadere toelichting wordt uiteen gezet dat er een drugsnetwerk bestaat waarin [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] en [naam 4] opereren. De werkwijze zou inhouden, dat zij drugs kopen in Nederland en doorverkopen in Duitsland en Spanje. [naam 1] verzamelde geld voor de aankoop en [naam 3] had de contacten in de Nederlandse drugsscene. Volgens de Duitse politie zijn [naam 3] en [naam 1] op 4 januari 2019 van Duitsland naar Eindhoven, Weert en Heerlen gereden om daar drugs in te kopen. Het zou onder meer gaan om 69 kilogram MDMA. [naam 3] , [naam 1] en [naam 4] zouden met twee auto’s naar [naam 3] ’ woning en de woning van [naam 4] in [plaats] , Spanje zijn gereden en hebben daar waarschijnlijk drugs uitgeladen. Daarna zijn [naam 1] en [naam 4] doorgereden en vlak voor Madrid aangehouden. Op dat moment zijn de 69 kilogram MDMA in hun auto aangetroffen. Voordat op 4 januari 2019 de reis naar Spanje werd aangevangen, zijn [naam 4] en [naam 3] naar Schinveld gereden waar zij [verdachte] vanaf omstreeks 16.00 uur in zijn woning korte tijd hebben bezocht. Tot zover de informatie van de Duitse politie.

De woning van de verdachte in Schinveld, gemeente Beekdaelen , is onderzocht op 12 maart 2019.3 Voorafgaand aan de doorzoeking gebeurde het navolgende. Toen de rechter-commissaris en de politiemensen bij het gesloten toegangshek van het perceel [adres 2] te Schinveld stonden, kwam vanaf het perceel een personenauto naar het hek. Het was een Mercedes op naam [naam 6] , de partner van de verdachte. Zij bestuurde de auto. Verder zaten er in deze auto twee minderjarige meisjes. Toen zij bij het hek aankwamen, heeft de rechter-commissaris aan de bestuurster het doel van zijn komst verteld. Daarop is de bestuurster terug naar de woning gelopen. De twee meisjes bleven bij het toegangshek. Bij het vervolgens betreden van de woning viel het een verbalisant op dat er één biljet van € 500,- op de grond achter de bank lag. Vervolgens zijn de verdachte, [naam 6] en de twee meisjes gefouilleerd en bleken ze allen, met uitzondering van de verdachte, pakken bankbiljetten in de kleding te hebben verstopt.4 Verder is ongeveer € 5.000,- aangetroffen in een vuilnisbak.5 Bij zijn verhoor heeft de verdachte gezegd dat hij op die manier het geld uit handen van de politie wilde houden omdat hij bang was dat het anders in beslag zou worden genomen en het mogelijk lange tijd zou duren voordat hij het weer terugkreeg.6 In totaal is op € 93.300,- conservatoir beslag gelegd.7 Op een van de elastieken die om de bankbiljetten zaten is een DNA-mengprofiel aangetroffen dat van [naam 2] kan zijn.8

In de woonkamer bevond zich een sokkel met hierop een kunstvoorwerp. In de sokkel was een ruimte waarin een voor gebruik gereed (doorgeladen) vuurwapen lag. Elders in de woonkamer lag een wapenonderhoudset met een holster dat qua afmeting geschikt zou zijn voor dit wapen. Er zaten twee patronen in de loop van het vuurwapen. Het betrof hier twee patronen kaliber .38 S&B. Na onderzoek bleek dit wapen een pistool te zijn van de Duitse wapenfabrikant Rohm, model Derringer, kaliber .38 Special, te categoriseren als een vuurwapen van categorie III onder 1, als bedoeld in artikel 2, lid 1 van de Wet wapens en munitie. De patronen in het vuurwapen zijn categorie III munitie.9 Bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 15 maart 2019 heeft de verdachte verklaard: “Het pistool was van mij, omdat men mij ooit beschoten heeft”.

Verder werd in de woning een stroomstootwapen aangetroffen.10 Dit wapen is onderzocht en is gecategoriseerd als voorwerp waarmee personen door een elektrische stroomstoot weerloos kunnen worden gemaakt of pijn toegebracht en daarmee als een wapen in

de zin van artikel 2, lid 1, Categorie II onder 5° van de Wet wapens en munitie.

Tenslotte zijn er drugs in de woning aangetroffen en door middel van een MMC-test positief getest op thc.11 In een Marlborodoos bevond zich 28,2 gram hennep. In een tas nog eens 282,4 gram hennep.12 In de woonkamer zijn nog enkele kleinere hoeveelheden hennep aangetroffen van 8 en 13,5 gram13, een sealbag met 12,8 gram hennep14, alsmede een blokje van 13,5 gram hasj.15 In de kelderruimte van de woning werden enkele goederen aangetroffen die volgens het onderzoeksteam passen bij het knippen en verpakken van hennep. Er werd een witte plastictas met hierin sealbags aangetroffen. Tevens werden er diverse soorten knipscharen aangetroffen waarvan bij de politie ambtshalve bekend is dat deze scharen veelvuldig gebruikt worden bij het knippen van henneptoppen. Op de knipkanten bevond zich een groene aanslag.16

3.4

De bewezenverklaring

De politierechter acht bewezen dat de verdachte

1.

op of omstreeks 12 maart 2019 te Schinveld, gemeente Beekdaelen ,

- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een

pistool van de Duitse wapenfabrikant Rohm, model Derringer, kaliber .38 (Special) zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool

en

- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten twee kogelpatronen kaliber .38 (Special) voorhanden heeft gehad;

2

op of omstreeks 12 maart 2019 te Schinveld, gemeente Beekdaelen ,

een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een paralizer/stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht voorhanden heeft gehad;

3

hij op of omstreeks 12 maart 2019 te Schinveld, gemeente Beekdaelen ,

opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 13,5 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en

plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere

substanties waren toegevoegd en

- ongeveer (28,2 + 282,4 + 8 + 12,8 = ) 331,4 gram hennep,

zijnde hasjiesj en hennep middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De politierechter acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

feit 3:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek en herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling voor de duur van 364 dagen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt om in het voordeel van de verdachte rekening te houden met het tijdsverloop in deze zaak. Gelet op de toen geldende LOVS oriëntatiepunten, is het uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, exclusief de overschrijding van artikel 6 EVRM.

6.3

Het oordeel van de politierechter

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft een doorgeladen vuurwapen voorhanden gehad. Het wapen was in de woonkamer voor het grijpen. Alhoewel het gevaar van vuurwapens geen uitleg behoeft, wil de politierechter wel vermeld zien dat tot kort voor de doorzoeking nog twee kleine kinderen in de woning aanwezig waren. Of de verdachte nu het vuurwapen heeft omdat hij zich moet verdedigen tegen aanvallers of omdat hij het voor iets anders wilde gebruiken, hij creëert een vuurwapengevaarlijke sfeer waarin hij de kinderen heeft betrokken. Dat maakt dat het toch al ernstige feit nog zwaarder weegt. Wat ook verzwarend werkt, is dat de verdachte een aanzienlijke hoeveelheid, dat wil zeggen, fors meer dan voor eigen gebruik, softdrugs in de woning had waarbij de knipschaartjes en sealbags meer aanwijzingen vormen dat de verdachte of iemand in zijn woning is betrokken bij hennepproductie of -handel.

Ten slotte had hij een stroomstootwapen in de woning.

Bij het voorhanden hebben van een vuurwapen past enkel een gevangenisstraf. De verdachte heeft een strafblad met drugs- en geweldsmisdrijven en liep daardoor nog in de proeftijd van een voorwaardelijke invrijheidsstelling. Uitgaande daarvan en mede gezien de (oude) LOVS-oriëntatiepunten liggen gevangenisstraffen in de rede van 3-4 maanden voor het vuurwapen en 2 maanden voor de drugs, wat een bandbreedte geeft van 5-6 maanden. De politierechter houdt er rekening mee dat de redelijke termijn is overschreden met uiteindelijk ongeveer 15 maanden. Om die reden zal hij een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 4 maanden.

7 Het beslag

Alle in beslag genomen voorwerpen, met uitzondering van het geld waarop conservatoir beslag rust, zijn reeds aan de verdachte teruggegeven zodat hierop niet beslist hoeft te worden.

8 De wettelijke voorschriften


De beslissing berust op de artikelen 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en op artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9 De vordering tot herroeping v.i.

Inleiding

Aan de verdachte is in het verleden een drietal gevangenisstraffen opgelegd, die achtereenvolgens ten uitvoer zijn gelegd, onder de navolgende parketnummers:

  • -

    23-006379-05 (6 maanden),

  • -

    20-002655-08 (10 jaar en 2 maanden),

  • -

    03-704019-07 (4 jaar).

Dat levert een strafrestant op van 1784 dagen. De verdachte is op 11 september 2015 in vrijheid gesteld, zodat de proeftijd nog liep op 12 maart 2019 (deze is immers eerst geëindigd op 29 mei 2020).

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de v.i. van de verdachte wordt herroepen met 364 dagen.

Standpunt van de verdediging

Primair is de verdediging van mening dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het onderzoek naar de herroeping niet zo spoedig mogelijk is geweest, zoals bedoeld in artikel 6:6:21, vierde lid, Wetboek van Strafvordering. Het strafbare feit dateert van 12 maart 2019 en het onderzoek wordt afgerond op 8 juli 2022. Subsidiair is het standpunt dat de vordering niet kan worden toegewezen omdat dit geen redelijk doel dient, aangezien het feit was gepleegd tegen het einde van de proeftijd, terwijl de pleegdatum alweer ongeveer drie jaar is geleden.

Beoordeling

Het primaire verweer slaagt niet. Vooropgesteld zij, dat de officier van justitie al op 14 maart 2019 de vordering heeft ingediend, en dat was tijdig. Vervolgens is de zaak eerst op 23 juli 2021 op zitting gebracht. Dat is aanzienlijk later, maar dat wil niet zeggen dat het (veel) eerder had gekund. Uit het dossier blijkt dat het onderzoek naar het aangetroffen geld pas begin 2021 is afgerond. Dat onderzoek, dat kennelijk samenhangt met grotere onderzoeken van de Duitse politie naar een drugsnetwerk waarin grote partijen drugs of grondstoffen worden uitgevoerd en verkocht, heeft zich gericht op de samenstelling van het geld en eventuele DNA-resten en mogelijk ook andere sporen. Dat kost tijd. Achteraf gezien kan worden gesteld dat de verdenking betreffende de strafbare feiten zoals die op de tenlastelegging zijn gekomen, van het onderzoek naar het geld losgekoppeld had kunnen worden, maar daarmee is niet gezegd dat dit op voorhand net zo duidelijk was. Overigens heeft de verdediging een rol gespeeld bij de later ontstane vertraging. Op de terechtzitting van 23 juli 2021 is de zaak immers aangehouden op verzoek van de verdediging omdat er enkele dagen eerder Spaanstalige stukken aan het dossier waren toegevoegd en de verdediging zich op het standpunt stelde dat om die reden geen inhoudelijke behandeling kon plaatsvinden. Vervolgens is de zaak aangehouden onder meer omdat toen bleek dat de verdediging de stukken omtrent de v.i. onvoldoende duidelijk achtte en (onder meer) veronderstelde dat er mogelijk sprake zou kunnen zijn van overgangsrecht waardoor de berekening van de v.i. mogelijkerwijs niet correct was. Daarvan is echter niet gebleken. Bij het oordeel over de vraag of het onderzoek zo spoedig heeft plaatsgevonden heeft de politierechter ook deze omstandigheden meegewogen.

Ook het subsidiaire verweer – er is geen redelijk doel meer gemoeid met de herroepping van de v.i. – treft geen doel. Dat de proeftijd een aantal jaren beslaat, hangt ermee samen dat een straf van aanzienlijke duur is opgelegd en dat (volgens de destijds geldende v.i.-regeling) een fors deel daarvan niet ten uitvoer is gelegd. De proeftijd dient er onder meer toe om althans gedurende die proeftijd te bewerkstelligen dat de verdachte ervan wordt weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen. Er resteerde nog meer dan een jaar van de proeftijd. Nu de verdachte binnen die proeftijd wel een (ernstig) strafbaar feit heeft gepleegd, is er op zichzelf geen reden om andere gevolgen aan dat feit te verbinden dan wanneer de verdachte het feit eerder had gepleegd (of wanneer hij eerder was betrapt, want gezien de reden die hij had om het pistool schietklaar te hebben liggen had hij het mogelijk al enige tijd onder zich).

Weliswaar is in de strafzaak zelf de redelijke termijn geschonden, maar dat wordt verdisconteerd in de aan de verdachte op te leggen straf.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de invrijheidstelling van de verdachte wordt herroepen voor de duur van 364 dagen. De politierechter dient dan ook de vraag te beantwoorden, of hij bevoegd is om naast de gevorderde en op te leggen gevangenisstraf van 4 maanden de v.i. te herroepen voor meer dan 8 maanden, aangezien dan de totale gevangenisstraf die de verdachte op grond van dit vonnis dient uit te zitten langer is dan 12 maanden. De politierechter wijst op de wetsgeschiedenis van artikel 14g Sr (inmiddels vervallen), waarin is gesproken over het samenvallen van de behandeling van een strafbaar feit en een vordering tot tenuitvoerlegging. In de memorie van toelichting17 is onder meer opgenomen:

'De gezamenlijke behandeling van een nieuw feit en van de vordering tot tenuitvoerlegging kan voor de politierechter geschieden als deze een straf, als waarop de vordering betrekking heeft, zelf had kunnen opleggen. Bepalend voor de bevoegdheid van de politierechter is voorts art. 376 Sv, dat hem verbiedt om op grond van één telastelegging gevangenisstraf van meer dan zes maanden op te leggen. Een vordering tot tenuitvoerlegging is echter geen onderdeel van de telastelegging voor een nieuw feit en de toewijzing van zo'n vordering leidt niet tot de 'oplegging' van een straf, doch tot tenuitvoerlegging van het geheel of een deel van een reeds eerder opgelegde straf. Art. 376 Sv verzet zich er derhalve niet tegen, dat de politierechter in één vonnis zes maanden gevangenisstraf oplegt en de tenuitvoerlegging van drie maanden aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf gelast.'

De onderstreping is door de politierechter toegevoegd, omdat de daar gebezigde redenering onverkort opgaat voor het samenvallen van een behandeling van een strafbaar feit en daarop volgende veroordeling met de beslissing op een vordering tot herroeping v.i. Dat betekent dat de hiervoor gestelde vraag bevestigend kan worden beantwoord: de politierechter kan de herroeping van de v.i. voor maximaal een jaar uitspreken, en kan daarnaast een gevangenisstraf opleggen.

De politierechter zal de vordering toewijzen en de herroeping van de v.i. gelasten voor 364 dagen.

10 De beslissing

De politierechter:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de feiten tot een gevangenisstraf van vier maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Herroeping v.i.

- gelast de gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijk invrijheidsstelling met een strafrestant van 1784 dagen, voor de duur van 364 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Verkijk, politierechter, in tegenwoordigheid van mr. L.A.J.A.P. Merk, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 08 juli 2022.

Buiten staat

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1
hij op of omstreeks 12 maart 2019 te Schinveld, gemeente Beekdaelen ,
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een
pistool van de Duitse wapenfabrikant Rohm, model Derringer, kaliber .38 (Special)
zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool
en/of
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten twee
kogelpatronen kaliber .38 (Special)
voorhanden heeft gehad;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover
daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde
betekenis te zijn gebezigd;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )
2
hij op of omstreeks 12 maart 2019 te Schinveld, gemeente Beekdaelen ,
een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te
weten een paralizer/stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een
elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon
worden toegebracht voorhanden heeft gehad;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover
daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde
betekenis te zijn gebezigd;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )
3
hij op of omstreeks 12 maart 2019 te Schinveld, gemeente Beekdaelen ,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 13,5 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en
plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere
substanties waren toegevoegd en/of
- ongeveer (28,2 + 282,4 + 8 + 12,8 = ) 331,4 gram hennep
in elk geval een hoeveelheid van (in totaal) meer dan 30 gram hasjiesj en/of hennep,
zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die
wet;
( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet )

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, dienst Regionale Recherche, proces-verbaalnummer PL 2430-2019034951, gesloten d.d. 1 september 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 402.

2 Europees onderzoeksbevel, p. 54.

3 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, p. 83.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 124.

5 Kennisgeving van inbeslagname, p. 353.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 96.

7 Kennisgeving handhaving beslag aan de verdachte van 2 juli 2021.

8 Aanvullend proces-verbaal van bevindingen inzake wederrechtelijk verkregen voordeel, niet doorgenummerd, van 4 maart 2021, bijlage 4 (Forensische Ermittlungen im Ermittlungsverfahren, BY6015-000463-18/6);

9 Proces-verbaal onderzoek wapen, p. 158.

10 Kennisgeving van inbeslagneming, p. 289.

11 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, p. 83.

12 Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 228.

13 Kennisgeving van inbeslagneming, p. 285.

14 Kennisgeving van inbeslagneming, p. 289.

15 Kennisgeving van inbeslagneming, p. 287.

16 Proces-verbaal hennepknipscharen/seal bags, p. 236.

17 Het betreft de memorie van toelichting bij de wet van wet van 26 nov. 1986, Stb. 593, houdende herziening van de regeling betreffende voorwaardelijke veroordeling en de voorwaardelijke invrijheidstelling.