Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2022:5228

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-07-2022
Datum publicatie
13-07-2022
Zaaknummer
C/03/305036 / HA ZA 22-214
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huur of bruikleenovereenkomst. Verwijzing naar kanton ivm huur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/305036 / HA ZA 22/214

Vonnis van 6 juli 2022

in de zaak van

de commanditaire vennootschap

MAXIMUS VASTGOEDBEHEER C.V.,

gevestigd en kantoorhoudend te Maastricht,

eiseres,

advocaat mr. H.J. Heynen,

tegen

[gedaagde] ,

wonend te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. G.J.E. Schoofs.

Partijen worden hierna Maximus en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de rolbeslissing van 1 juni 2022

  • -

    de akte uitlating bevoegdheid zijdens [gedaagde] .

1.2.

Vervolgens is de zaak naar de rol verwezen voor rolbeslissing. Daarna heeft een rolcorrectie plaatsgevonden en is bepaald dat de zaak verwezen wordt naar de rol voor vonnis.

2 De beoordeling

2.1.

Bij dagvaarding heeft Maximus aangevoerd dat de overeenkomst die de grondslag vormt voor de vorderingen, een bruikleenovereenkomst betreft en niet een huurovereenkomst. Daarmee heeft Maximus impliciet gemotiveerd waarom de zaak volgens haar aangebracht moet worden bij de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank.

2.2.

Bij rolbeschikking van 1 juni 2022 heeft de rechtbank [gedaagde] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of sprake is van een huur- dan wel een bruikleenovereenkomst en dus over de vraag of de kamer voor andere zaken dan kantonzaken bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.

2.3.

[gedaagde] stelt dat er sprake is van een huurovereenkomst. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij aangevoerd dat zowel hij als zijn partner [naam partner] (hierna: [naam partner] ) een overeenkomst hebben gesloten voor het gebruik van unit 1 respectievelijk unit 2 van de eengezinswoning aan de [adres] te [woonplaats] . Er is geen sprake van een onderscheid in units, zodat [gedaagde] en [naam partner] samen in een eengezinswoning wonen. Zij betalen maandelijks afzonderlijk een bedrag van € 190,26 als vergoeding voor het gebruik van de unit. In de overeenkomst is bepaald dat de vergoeding ziet op bestrijding van de bedrijfskosten van Maximus, maar nergens blijkt welke kosten Maximus maakt en waartoe deze vergoeding dan strekt. Gelet op de hoogte van het bedrag, valt dit volgens [gedaagde] niet te kwalificeren als symbolisch bedrag. Daarbij is door [gedaagde] en [naam partner] ieder afzonderlijk
€ 600,00 aan borg betaald, hetgeen niet gebruikelijk is voor een bruikleenovereenkomst. [gedaagde] is gelet op het vorenstaande van mening dat er sprake is van huur en verzoekt derhalve de zaak te verwijzen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank.

2.4.

Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een huurovereenkomst. Het gaat om een eengezinswoning aan de [adres] te [woonplaats] waar op papier een onderscheid is gemaakt in unit 1 ( [naam partner] ) en unit 2 ( [gedaagde] ). Maximus erkent dat een strak feitelijk onderscheid tussen de units niet te maken is.

In de overeenkomst met [gedaagde] (en [naam partner] ) staat dat de maandelijkse vergoeding voor gebruik van de unit € 190,26 bedraagt. In de overeenkomst is vermeld dat deze vergoeding “puur ter bestrijding van de bedrijfskosten van Maximus strekt”. Om welke bedrijfskosten het gaat, is niet toegelicht. Evenmin is duidelijk hoe het bedrag van € 190,26 tot stand is gekomen. Bij die stand van zaken gaat de rechtbank er vanuit dat de te betalen vergoeding in rechtstreeks verband staat met het ter beschikking stellen van een ruimte en geen symbolisch karakter heeft, zodat er sprake is van een huurovereenkomst.

2.5.

Nu de aard van de zaak een onderwerp betreft dat op grond van art. 93 onder c Rv door de kantonrechter wordt behandeld, ongeacht het beloop of de waarde van de vordering, is de rechtbank niet bevoegd van de zaak kennis te nemen.

2.6.

De zaak zal derhalve worden verwezen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, zittingsplaats Maastricht, op 3 augustus 2022 om 10.00 uur voor conclusie van antwoord,

3.2.

wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,

3.3.

wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge art. 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: AH