Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2022:3946

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-05-2022
Datum publicatie
25-05-2022
Zaaknummer
9485224 \ EZ VERZ 21-249
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Burgerlijk recht, erfrecht, art. 4:194a lid 1 BW. Machtiging tot beneficiaire aanvaarding.

Erfgenaam (kleinzoon) was niet op de hoogte van onverwachte vorderingsrechten voortvloeiend uit het testament van zijn grootvader en die hij ook niet behoorde te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2022-0151
JIN 2022/107 met annotatie van Decupere, I.K.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht / Kantonrechter

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 9485224 \ EZ VERZ 21-249

Beschikking van 18 mei 2021

op een verzoek van

[verzoeker] ,

wonend te [woonplaats] aan de [adres] ,

verzoeker, in zijn hoedanigheid van erfgenaam van de nalatenschap van

[erflaatster] ,

procederend in persoon.

Verzoeker zal hierna [verzoeker] worden genoemd.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen dat op 11 oktober 2021 ter griffie van deze rechtbank is ontvangen

  • -

    de e-mail van [naam notaris 2] van 14 april 2022

  • -

    de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 14 april 2022

  • -

    het verweerschrift met bijlagen van [naam tante verzoeker] (gehuwd met [naam] en hierna: [naam tante verzoeker] ) ingediend door tussenkomst van haar gemachtigde mr. M.M.J.F. Sijben en ter griffie van deze rechtbank ontvangen op 6 mei 2022

  • -

    de brief van mr. Sijben, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op 9 mei 2022

  • -

    de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 11 mei 2022.

1.2.

Bij e-mail van 14 april 2022 heeft een medewerker van notariskantoor [naam notaris 2]

verzocht om in verband met de ziekte van zijn cliënte [naam tante verzoeker] , de mondelinge behandeling op 14 april 2022 af te lasten. De griffier van deze rechtbank heeft de betrokkenen bij dit verzoekschrift daarop bericht dat de mondelinge behandeling op

14 april 2022 geen doorgang zou vinden. Gelet op het tijdstip van de e-mail en dat van de mondelinge behandeling is de zaak uitgeroepen, maar is niemand verschenen. Vervolgens is door de kantonrechter een nieuwe mondelinge behandeling bepaald op 11 mei 2022 om 13.30 uur.

1.3.

Bij brief van 5 mei 2022 heeft mr. Sijben voornoemd bericht dat zijn cliënte

[naam tante verzoeker] wegens bedreigingen van de wederpartij niet bij de mondelinge behandeling van 11 mei 2022 zal verschijnen, een verweerschrift met bijlagen aangeleverd en gesteld dat de zaak schriftelijk kan worden afgedaan.

1.4.

Op 11 mei 2022 heeft de mondelinge behandeling van het verzoekschrift plaatsgevonden waarbij [verzoeker] is verschenen, vergezeld van zijn vader [naam vader verzoeker] (hierna: [naam vader verzoeker] ) en van [naam accountant] , de accountant van erflaatster. Van het verhandelde bij de mondelinge behandeling zijn aantekeningen gemaakt.

1.5.

Vervolgens is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op 10 maart 1990 is overleden [erflater] (hierna: de erflater) en grootvader van [verzoeker] . De erflater heeft bij uiterste wil over zijn nalatenschap beschikt en door middel van een ouderlijke boedelverdeling zijn gehele nalatenschap aan zijn echtgenote [erflaatster] (hierna: de erflaatster) toebedeeld. Daarnaast heeft de erflater, wegens overbedeling van de erflaatster, aan elk van zijn kinderen ( [naam tante verzoeker] en [naam vader verzoeker] ) een rentedragend vorderingsrecht ter grootte van hun erfdeel toebedeeld en bepaald dat voormeld vorderingsrecht drie maanden na het overlijden van de erflaatster opeisbaar zou worden.

2.2.

Op 18 december 1991 is [verzoeker] geboren. Hij is de zoon van [naam vader verzoeker] en de kleinzoon van de erflater en de erflaatster. [verzoeker] is acht à negen jaar geleden bij de erflaatster in huis gaan wonen aan het adres [adres] te [woonplaats] , en zorgde ook voor haar.

2.3.

[verzoeker] heeft op 30 december 2017 de woning van de erflaatster aan voormeld adres gekocht voor € 165.000,--. [verzoeker] heeft van de koopsom € 15.000,00 op de derdengeldrekening van notaris [naam notaris 1] gestort. Verder heeft de erflaatster aan [verzoeker] een lening van € 150.000,00 verstrekt en daarvan € 100.000,00 kwijtgescholden waardoor per saldo een geldlening van de erflaatster aan [verzoeker] van € 50.000,00 resteerde. De levering van de onroerende zaak heeft op 23 februari 2018 plaatsgevonden.

2.4.

Op 8 juni 2021 is de erflaatster overleden. Zij heeft bij uiterste wil van 11 juli 2018 over haar nalatenschap beschikt en daarbij [verzoeker] tot haar enig erfgenaam benoemd.

2.5.

Op 25 augustus 2021 heeft [verzoeker] de nalatenschap van de erflaatster zuiver aanvaard.

2.6.

Bij brief van [naam notaris 2] van 13 september 2021 heeft [naam tante verzoeker] haar geldvordering uit de nalatenschap van de erflater van € 355.402,08, inclusief rente tot aan het overlijden van de erflaatster, bij [verzoeker] opgeëist.

3 Het verzoek en de reactie daarop van belanghebbende

3.1.

[verzoeker] vraagt machtiging van de kantonrechter om de nalatenschap van de erflaatster beneficiair te mogen aanvaarden. Na het overlijden van de erflaatster heeft hij haar nalatenschap zuiver aanvaard omdat de erflaatster hem altijd heeft gezegd dat er geen schulden waren en omdat hij de hele administratie van de erflaatster had uitgezocht en hem ook daaruit bleek dat de erflaatster geen schulden had. [naam accountant] , de accountant van zowel de erflaatster als van [verzoeker] , heeft vanaf 2018 de aangiften inkomstenbelasting van de erflaatster en [verzoeker] verzorgd en ook uit de aangiften van de erflaatster bleek dat er geen schulden waren. De nalatenschap bestond uit een banksaldo en een lening aan hem in verband met de aankoop van het huis van de erflaatster in 2018 en hij was er van overtuigd dat er geen schulden waren. Dat beeld veranderde toen hij op 16 september 2021 de brief [naam notaris 2] ontving waaruit bleek dat zijn tante [naam tante verzoeker] haar vordering uit de nalatenschap van zijn opa in de nalatenschap van zijn oma opeist. Na navraag door accountant [naam accountant] bij notaris [naam notaris 2] bleek dat het in oktober 1991 ging om een bedrag van hfl 305.644,33 dat, vermeerderd met enkelvoudige rente van 5% nu is opgelopen tot een bedrag van € 355.406,91 dat zowel [naam tante verzoeker] als [naam vader verzoeker] ieder uit die nalatenschap van hun vader nog in de nalatenschap van hun moeder te vorderen hebben. Die schulden waren niet in de administratie van de erflaatster terug te vinden. Aangezien [naam tante verzoeker] haar vordering opeist zal de nalatenschap negatief zijn en dreigt hij alles, inclusief zijn huis, kwijt te raken. Hij zal uiteraard zijn eigen inbrengverplichtingen aan de boedel betalen, en vervolgens de schulden van de nalatenschap voor zover mogelijk uit de boedel voldoen, aldus [verzoeker] .

3.2.

[naam tante verzoeker] voert aan dat [verzoeker] na het overlijden van de erflaatster bij notaris [naam notaris 1] is geweest en vermoedelijk over zijn positie als erfgenaam, de uit te brengen keuze ter zake de nalatenschap en de gevolgen daarvan is voorgelicht. In de akte van erfrecht wordt immers naar het vooroverlijden van zijn opa verwezen zodat duidelijk is dat dat onderwerp aan de orde is geweest. Uiteindelijk heeft [verzoeker] besloten om de nalatenschap van de erflaatster zuiver te aanvaarden zodat zij er van uit mag gaan dat [verzoeker] de nalatenschap met een juiste voorstelling van zaken heeft aanvaard. Zelfs indien de notaris [verzoeker] niet volledig over de ouderlijke boedelverdeling had ingelicht dan geldt dat [verzoeker] de daaruit voorvloeiende schulden hoort te kennen althans redelijkerwijze van het bestaan daarvan had kunnen weten. Van een uitzonderingssituatie, dat sprake is van een schuld waarvan gezegd kan worden dat een erfgenaam die redelijkerwijs niet kon weten, is dan ook geen sprake waardoor [verzoeker] niet tegen haar schuld wordt beschermd. Voorafgaand aan de indiening van het onderwerpelijke verzoekschrift heeft [verzoeker] haar benaderd met de vraag om afstand van haar vorderingsrecht te doen. Toen zij dat weigerde werden de verzoeken van [verzoeker] en zijn vader dermate dwingend dat zij dat als bedreigend ervaart. Bij brief van 31 december 2021 heeft notaris [naam notaris 2] tevergeefs getracht om [verzoeker] en zijn vader tot redelijkheid te brengen. Indien [verzoeker] zich zou beroepen op de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:2 BW dan had hij dat gedegen moeten motiveren en onderbouwen en dat heeft hij niet gedaan. Daarbij is van belang dat [verzoeker] bij de verkrijging van de woning is bevoordeeld omdat hij de woning voor een gunstig bedrag heeft verkregen en waarbij de erflaatster [verzoeker] het grootste deel van de koopsom heeft kwijtgescholden en het nog verschuldigde deel niet onder normale zakelijke condities terugbetaald hoefde te worden. Het is geenszins onaanvaardbaar als [verzoeker] uit zijn vermogen, verkregen door een verrijking ten koste van haar een schuld aan haar moet voldoen. Het verzoek moet worden afgewezen met veroordeling van [verzoeker] in de kosten, aldus [naam tante verzoeker] .

4 De beoordeling

4.1.

[verzoeker] heeft op 25 augustus 2021 de onderwerpelijke nalatenschap zuiver aanvaard en is op 13 september 2021 bekend geworden met de vordering van (in elk geval) [naam tante verzoeker] . De kantonrechter stelt voorop dat [verzoeker] het onderhavige verzoek, dat ter griffie van deze rechtbank op 11 oktober 2021 is ontvangen, tijdig heeft ingediend zodat hij daarin kan worden ontvangen.

4.2.

De kantonrechter stelt vast dat [naam tante verzoeker] schuldeiser is van de nalatenschap van de erflaatster en in de onderwerpelijke procedure niet als verweerster maar als belanghebbende heeft te gelden.

4.3.

De kantonrechter stelt voorts vast dat in de akte van erfrecht van 25 augustus 2021 enkel is vermeld dat erflaatster niet hertrouwde weduwe is van [erflater] . Uit deze akte kan niet worden afgeleid dat notaris [naam notaris 1] [verzoeker] heeft ingelicht over de vorderingen die [naam tante verzoeker] en [naam vader verzoeker] in de nalatenschap van erflaatster zouden kunnen opeisen.

4.4.

Bij de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] , stoffeerder van beroep, onder aanvulling van feiten en omstandigheden door verklaringen van hemzelf, zijn vader en de accountant van de erflaatster, de vermoedens en de verweren van [naam tante verzoeker] als vermeld in 3.2. gemotiveerd onderbouwd weerlegd. [naam tante verzoeker] heeft niet gesteld dat zij [verzoeker] voor 25 augustus 2021 op het bestaan van het testament van erflater en haar daaruit voortvloeiende vorderingsrecht op de nalatenschap van de erflaatster heeft gewezen. Ook de accountant van erflaatster wist niets van enig vorderingsrecht van de kinderen van erflater jegens de nalatenschap van erflaatster. Uit de brief van notariskantoor [naam notaris 2] van 31 december 2021 aan [naam vader verzoeker] blijkt dat deze notaris op verzoek van [naam tante verzoeker] haar heeft “geïnformeerd over de rechten in de nalatenschap van haar moeder” naar aanleiding waarvan informatie is opgevraagd om het kindsdeel uit de nalatenschap van de erflater te berekenen. Uit de bij de mondelinge behandeling ter inzage gegeven kopie van de aangifte erfbelasting na het overlijden van de erflater volgt dat erflaatster, als langstlevende, de erfbelasting van de nalatenschap van de erflater ruim 30 jaar geleden heeft betaald. Nu ook de vader van [verzoeker] heeft verklaard dat hij er tot voor kort geen weet van had dat ook hij een aanzienlijke vordering op de nalatenschap van de erflaatster heeft, lag het op de weg van [naam tante verzoeker] om deze gemotiveerde stellingen van [verzoeker] te weerleggen, wat zij heeft nagelaten. Met inachtneming van de door [verzoeker] geschetste omstandigheden, inhoudend dat hij erflater, zijn grootvader, nooit heeft gekend, hij niet door zijn grootmoeder of tante was ingelicht over het testament van erflater en de daaruit voortvloeiende vorderingsrechten op de nalatenschap van erflaatster, hij in de administratie van zijn grootmoeder geen gegevens met betrekking tot de vorderingsrechten van haar kinderen heeft aangetroffen en hij zich heeft laten bijstaan door de accountant van de erflaatster die van dergelijke vorderingsrechten ook niet op de hoogte was, staat in voldoende mate vast dat [verzoeker] de (toen nog niet opeisbare) vorderingsrechten van zijn vader en tante niet kende of behoorde te kennen toen hij op 25 augustus 2021 de nalatenschap van de erflaatster zuiver aanvaardde. De vorderingen van zijn vader en tante kunnen dan ook worden aangemerkt als onverwachte schulden. Nu de nalatenschap nog niet is vereffend en verdeeld, doet zich een situatie voor als bedoeld in art. 4:194a lid 1 BW. Aan het bepaalde in voormeld artikel is voldaan en het verzoek kan worden ingewilligd.

4.5.

De kantonrechter wijst [verzoeker] op het bepaalde in art 4:191 BW.

4.6.

De kantonrechter houdt [verzoeker] verder voor dat hij, op het moment dat hij de nalatenschap beneficiair aanvaardt, van rechtswege vereffenaar van de nalatenschap is en deze overeenkomstig het bepaalde in art. 4:202 e.v. BW dient te vereffenen. In dat kader geeft de kantonrechter [verzoeker] de aanwijzingen dat hij de kantonrechter binnen twee maanden na heden een boedelbeschrijving met bijlagen van de onderhavige nalatenschap, ingericht volgens het model dat op www.rechtspraak.nl staat, en informatie over de verrichte vereffeningswerkzaamheden van deze nalatenschap dient aan te leveren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

machtigt [verzoeker] om de nalatenschap van [erflaatster] beneficiair te aanvaarden,

5.2.

geeft [verzoeker] de aanwijzingen als vermeld in r.o. 4.6.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.E. Elzinga, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.

type: YT