Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2022:3047

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-04-2022
Datum publicatie
19-04-2022
Zaaknummer
03/153836-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontucht met een minderjarige. Bekennende verklaring verdachte. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 178 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uren. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/153836-21

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 april 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] , Syrië, op [geboortedag] 1997,

wonende te [adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.J.H.M. de Crom, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 april 2022. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , die op dat moment de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt. Primair is ten laste gelegd dat de ontucht mede bestond uit het seksueel binnendringen van haar lichaam.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde bewezen. Het slachtoffer [slachtoffer] heeft verklaard dat zij seks heeft gehad met de verdachte, er is sperma van de verdachte aangetroffen in de onderbroek van [slachtoffer] en de verdachte heeft bekend dat hij seksuele handelingen heeft verricht met [slachtoffer] , die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd en zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het ten laste gelegde ter terechtzitting duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en namens hem geen vrijspraak is bepleit.

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen, gelet op:

- het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 1 april 2019;2

- het NFI-rapport d.d. 5 maart 2021;3

- de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 5 april 2022.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

t.a.v. feit 1 primair:

in de periode van 29 maart 2019 tot en met 30 maart 2019 in de gemeente Maastricht, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] .

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

t.a.v. feit 1 primair:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van

2 jaren. Bij het bepalen van de strafeis heeft de officier van justitie gekeken naar straffen die doorgaans worden opgelegd voor een verkrachting, aangezien de zaak daaraan doet denken, mede gelet op de jonge leeftijd van het slachtoffer en de beangstigende situatie waarin zij zich heeft bevonden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat volstaan moet worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis, te combineren met een hoge taakstraf of een voorwaardelijke gevangenisstraf. Volgens de raadsvrouw moet de onderhavige zaak niet vergeleken worden met een verkrachting. Uit het dossier volgt namelijk dat het slachtoffer op meerdere punten niet de waarheid verteld kan hebben. De rechtbank dient dan ook uit te gaan van de verklaring van de verdachte, die inhoudt dat het slachtoffer vrijwillig in de woning verbleef, zelf het initiatief heeft genomen en vrijwillig seks had met de verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft seks gehad met een 14-jarig meisje en zich daarmee schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Door zijn handelen heeft de verdachte de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer ernstig geschonden. Dat deze handelingen mogelijk niet volledig tegen de wil van het slachtoffer hebben plaatsgevonden, maakt de verdachte hierbij niet minder strafbaar. De wetgever heeft er juist voor gekozen dit soort feiten strafbaar te stellen, omdat jongeren zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase bevinden en zij vaak onvoldoende in staat zijn om hun seksuele integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien.

De rechtbank is van oordeel dat er, gelet op de ernst van het feit dat de verdachte heeft gepleegd, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een (deels onvoorwaardelijke) gevangenisstraf. Bovendien dient van de straf een afschrikwekkende, preventieve werking uit te gaan om de verdachte, maar ook anderen, ervan te weerhouden dit soort feiten te plegen.

De rechtbank weegt echter ook in haar oordeel mee dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld is en dat hij na het plegen van het onderhavige feit niet opnieuw met politie in aanraking is gekomen. Verder heeft de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van de verdachte laten meewegen: de verdachte heeft een baan en vormt een gezin samen met mijn vriendin en zoontje van één jaar.

Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de inhoud van het reclasseringsrapport van 30 maart 2022. De reclassering schat het risico op recidive gemiddeld in en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat intervisies of toezicht op dit moment niet nodig zijn.

Anders dan de officier van justitie, zoekt de rechtbank geen aansluiting bij straffen die doorgaans worden opgelegd voor een verkrachting. Op basis van de inhoud van het dossier kan immers niet met zekerheid worden vastgesteld of het slachtoffer de seks onder dwang heeft ondergaan. Dit maakt ook dat deze zaak, anders dan de officier van justitie heeft betoogd, de rechtbank niet doet denken aan een groepsverkrachting. Het enkele feit dat uit het dossier blijkt dat het slachtoffer die nacht met tenminste twee mannen seksueel contact heeft gehad, is onvoldoende om te concluderen dat dit contact tegen haar zin plaatsvond.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ondanks de ernst van het feit en het

soort straffen dat hier doorgaans voor opgelegd wordt, in deze zaak gekozen moet worden voor een andere straf dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op het taakstrafverbod dat geldt voor artikel 245 Sr kan de rechtbank voor het onderhavige feit niet volstaan met het opleggen van enkel een taakstraf. Daarom zal de rechtbank aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het reeds ondergane voorarrest van 2 dagen opleggen. Om de ernst van het feit te benadrukken zal de rechtbank daarnaast een forse voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte opleggen en wel voor de duur van 180 dagen ( = 6 maanden). Door een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen aan de verdachte, wil de rechtbank enerzijds de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds de verdachte ervan weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden, gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport, geen bijzondere voorwaarden gekoppeld. De rechtbank legt hierbij een proeftijd van 2 jaren op.

Naast de forse voorwaardelijke gevangenisstraf, is een taakstraf op zijn plaats. Wat betreft de hoogte van de taakstraf zal de rechtbank kiezen voor de maximale taakstraf van 240 uren.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

[wettelijk vertegenwoordigster] van [slachtoffer] als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. Zij vordert een hoofdelijke veroordeling tot betaling van een bedrag van € 8.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering toewijsbaar is tot een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het meergevorderde dient de benadeelde niet-ontvankelijk verklaard te worden.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering gematigd dient te worden, omdat de door de benadeelde aangehaalde vergelijkbare jurisprudentie niet te vergelijken is met de onderhavige zaak.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade. Dat [slachtoffer] als gevolg van het handelen van de verdachte ‘op andere wijze’ in haar persoon is aangetast, is voldoende onderbouwd en komt uit het dossier ook evident naar voren. De verdachte heeft immers seks gehad met [slachtoffer] terwijl zij slechts 14 jaren oud was. De aard en ernst van dit handelen door de verdachte is dusdanig dat voor de hand ligt dat [slachtoffer] hier zo’n nadelige gevolgen van heeft ondervonden dat zij in haar persoon is aangetast. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag aan de hoge kant is en gematigd dient te worden. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het gevorderde bedrag aan schadevergoeding, mede gelet op vergelijkbare jurisprudentie, te hoog is. De rechtbank acht een vergoeding van € 2.500,00 passend en billijk voor de door [slachtoffer] geleden schade als gevolg van het handelen van de verdachte en zal daarom dit bedrag toewijzen. Voor het meergevorderde wordt [slachtoffer] in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het einde van de periode waarin het feit moet zijn gepleegd, zijnde 30 maart 2019, tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen voor het bedrag van € 2.500,00, opdat de inning van het verschuldigde bedrag de benadeelde partij uit handen wordt genomen door de Staat. Ook dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Gevangenisstraf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor het primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 178 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

Taakstraf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor het primair ten laste gelegde tot een taakstraf voor de duur van 240 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [wettelijk vertegenwoordigster] van [slachtoffer] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 2.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 30 maart 2019 tot aan de dag der gehele voldoening;

  • -

    verklaart de benadeelde partij voor het meergevorderde niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [wettelijk vertegenwoordigster] van [slachtoffer] van een bedrag van € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening, en bij niet-betaling en verhaal te vervangen door 35 dagen gijzeling, met dien verstande dat deze gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.E.M. Hendriks, voorzitter, mr. M.M. Beije en mr. R.J.M.G. Rulkens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.H.J. Muijlkens, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 april 2022.

Buiten staat

mr. L.E.M. Hendriks en mr. R.J.M.G. Rulkens zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 29 maart 2019 tot en met 30 maart 2019 in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[slachtoffer] ;

( art 245 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 29 maart 2019 tot en met 30 maart 2019 in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, te weten het meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- ( tong)zoenen van die [slachtoffer] en/of doende zijn die [slachtoffer] te (tong)zoenen en/of

- uittrekken en/of naar beneden en/of omhoog doen van de kleding en/of de onderkleding van die [slachtoffer] en/of

- aanraken en/of betasten en/of strelen van en/of wrijven over en/of knijpen in de benen en/of de borsten en/of de vagina van die [slachtoffer] en/of

- op die [slachtoffer] gaan en/of blijven liggen en/of

- zich (door die [slachtoffer] laten) aftrekken en/of ejaculeren in de (directe) nabijheid, althans in aanwezigheid van die [slachtoffer] ;

( art 247 Wetboek van Strafrecht )

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, dienst regionale recherche (LB), afdeling thematische opsporing (LB), team zeden (LB), proces-verbaalnummer PL2300-2019049360, gesloten d.d. 8 juni 2021, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 276.

2 Pagina 17-21.

3 Pagina 162-168.