Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2022:2311

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-03-2022
Datum publicatie
24-03-2022
Zaaknummer
03/176368-20 en 03/027122-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 9 jaar wegens doodslag op buurman en na het uitgeoefende geweld het in vereniging stelen van diens televisie, computer, alarmkast en portemonnee. Vol opzet, gelet op eerdere uitlatingen over het slachtoffer en de aard van het uitgeoefende geweld. Geen medeplegen van het geweldsdelict. Toerekening van het overlijden aan de verdachte, ook al heeft het slachtoffer mogelijk een epileptische aanval gehad nadat hij was geslagen en getrapt.

Vordering namens het (overleden) slachtoffer afgewezen omdat de mededeling ex art. 6:95 lid 2 BW niet is gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummers : 03/176368-20 en 03/027122-20 (ttz.gev.)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 maart 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1996,

nu gedetineerd in het Huis van Bewaring van de Penitentiaire Inrichting Vught te Vught, Lunettenlaan 501.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. G.J. Woodrow, advocaat kantoorhoudende te Tilburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 februari 2022. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. [benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en was ter terechtzitting aanwezig. De benadeelde partij is bijgestaan door mr. P.J.G.M. Boonen. Namens (de erven van de) benadeelde partij [slachtoffer 1] was aanwezig mr. F.W. Oehlen. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 10 maart 2022, waarna op 24 maart 2022 uitspraak is gedaan.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

in de zaak met parketnummer 03/176368-20:

Feit 1: op 27 juni 2020 in Maastricht al dan niet samen met een ander opzettelijk en met voorbedachte raad [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd (primair), dan wel opzettelijk en met voorbedachte raad zwaar lichamelijk letsel aan hem heeft toegebracht terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad (subsidiair), dan wel hem met voorbedachte raad heeft mishandeld terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad (meer subsidiair);

Feit 2: op 27 juni 2020 in Maastricht al dan niet samen met een ander een tv, een computer, een alarmkast, een telefoon en/of een portemonnee met inhoud van [slachtoffer 1] heeft gestolen;

in de zaak met parketnummer 03/027122-20:

Feit 1: op 16 januari 2020 in Eckelrade een portemonnee met inhoud van [slachtoffer 2] heeft gestolen;

Feit 2: op één of meer tijdstippen op of omstreeks 16 januari 2020 in Maastricht een hoeveelheid geld van [slachtoffer 2] heeft weggenomen door middel van een valse sleutel.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het aan de verdachte (voor de leesbaarheid van dit hoofdstuk hierna te noemen: [verdachte] ) onder feit 1 van de zaak met parketnummer 03/176368-20 primair ten laste gelegde medeplegen van doodslag. De officier van justitie ziet géén bewijs voor het bestanddeel ‘voorbedachte raad’, zodat de [verdachte] daarvan partieel moet worden vrijgesproken.

Voorts acht de officier van justitie de onder feit 2 ten laste gelegde diefstal in vereniging bewezen. De officier van justitie heeft zijn standpunten verwoord conform het door hem overgelegde schriftelijk requisitoir.

De officier van justitie heeft – kort samengevat – naar voren gebracht dat [verdachte] samen met medeverdachte [medeverdachte] (voor de leesbaarheid van dit hoofdstuk hierna te noemen: [medeverdachte] ) [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) heeft gedood door geweldshandelingen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] te plegen. Hij heeft betoogd dat beide verdachten dit opzettelijk hebben gedaan en heeft zijn oordeel gebaseerd op de verklaringen van de verdachten dat zij op de plaats delict zijn geweest, de tapgesprekken waarin [verdachte] heeft verteld dat hij meermaals tegen het hoofd van [slachtoffer 1] heeft getrapt, de latere verklaringen van [verdachte] omtrent het door hem en [medeverdachte] toegepaste geweld en de daarbij passende bevindingen zoals beschreven in het NFI-rapport van 13 januari 2022, het op de schoen van [verdachte] aangetroffen bloed van [slachtoffer 1] , de medische rapportages omtrent [slachtoffer 1] , de verklaring van [medeverdachte] dat hij [verdachte] handelingen op [slachtoffer 1] heeft zien verrichten en de inhoud van de Facebook Messenger berichten die door de verdachten naar elkaar zijn gestuurd. Na het plegen van de geweldshandelingen hebben de verdachten enkele goederen uit de woning van [slachtoffer 1] weggenomen.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 03/027122-20 heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van [verdachte] heeft overeenkomstig de inhoud van de door hem overgelegde pleitnota bepleit dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde medeplegen van moord dan wel doodslag en het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van zware mishandeling. Volgens de raadsman kan wel bewezen worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling, waarbij [verdachte] van het ten laste gelegde gevolg (de dood van [slachtoffer 1] ) partieel moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2 van de zaak met parketnummer 03/176368-20 en beide feiten van de zaak met parketnummer 03/027122-20 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze feiten bewezen kunnen worden, gelet op de bekennende verklaringen van [verdachte] daaromtrent.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Parketnummer 03/176368-20 feiten 1 en 2 1

3.3.1

Bewijsmiddelen

Inleiding en bevindingen ter plaatse

Op zondag 28 juni 2020 omstreeks 19.00 uur gingen verbalisanten naar de woning aan [adres] te Maastricht in verband met een melding dat de bewoner in zijn woning op zijn buik op de grond zou liggen. Ter plaatse werd door de verbalisanten geconstateerd dat de lamellen van de woning dicht waren en er geen zicht in de woning was. Nadat de verbalisanten zich de toegang tot de woning hadden verschaft, werd de bewoner, het slachtoffer [slachtoffer 1] , op zijn buik op de grond aangetroffen, liggend in een groenige vloeistof. [slachtoffer 1] ademde, maar was buiten bewustzijn. Hij had zichtbare verwondingen, blauwe plekken en zwellingen in zijn gezicht. Hij werd met spoed per ambulance naar het MUMC+ ziekenhuis te Maastricht gebracht.2 Op 17 juli 2020 kwam [slachtoffer 1] in het ziekenhuis te overlijden.3

In de woning van [slachtoffer 1] werd in de nabijheid van de voordeur een Aware knop, behorend bij het persoonsalarm van [slachtoffer 1] , aangetroffen met een kapot koordje.4 [slachtoffer 1] had een persoonlijk alarm in verband met zijn epileptische aanvallen. Verder zagen de verbalisanten dat de televisie van het dressoir ontbrak.5 Voorts bleken een computer, een portemonnee en een smartphone weggenomen.6 De alarmkast van het persoonsalarm van [slachtoffer 1] werd later in een dressoir in de woning van [verdachte] aangetroffen.7 De televisie van [slachtoffer 1] werd tijdens de doorzoeking in de woning van [medeverdachte] aangetroffen.8 De computer werd in de kofferbak van de auto van [verdachte] aangetroffen. 9 De uit de woning van [slachtoffer 1] ontvreemde portemonnee (met daarin onder andere de ABN/AMRO bankpas) evenals de telefoon van [slachtoffer 1] zijn niet meer aangetroffen.10 [medeverdachte] heeft verklaard dat [verdachte] de portemonnee van [slachtoffer 1] heeft weggenomen.11 Volgens [verdachte] heeft [medeverdachte] de portemonnee ontvreemd.12

Forensisch onderzoek

Tijdens het forensisch onderzoek in de woning van [slachtoffer 1] zagen de verbalisanten op diverse locaties op de vloer, rondom de positie waar [slachtoffer 1] werd aangetroffen, sporen van mogelijk bloed en (een combinatie van) lichaamsvloeistof(fen). In de doorgang van de eetkamer naar de zitkamer, ter hoogte van het bankstel, zagen zij een rode ingedroogde vloeistof op de vloer, welke vloeistof bloed bleek te zijn.13 Het DNA-profiel dat werd opgesteld uit het celmateriaal van de bemonstering van dit bloed kwam overeen met het DNA-profiel van [slachtoffer 1] (frequentie van het DNA-profiel kleiner dan één op één miljard).14 De ingedroogde sporen van bloed (bloedspatten) op de vloer voor en onder de bank vallen binnen de hoofdgroep ‘bloedspoorpatronen als gevolg van een uitgeoefende kracht’. De spatten passen bij een krachtinwerking (zoals een veegbeweging) van een voorwerp/lichaamsdeel in het bloed op de vloer. De overige bloedsporen op de vloer voor de bank zijn geclassificeerd als afdruk- en/of veegsporen.15

Tijdens het forensisch onderzoek in de woning van [verdachte] werden onder andere witte schoenen veiliggesteld.16 Op de rechter buitenzijde van de rechterschoen waren twee bloedvlekjes en een langgerekte aftekening van bloed zichtbaar.17 Van de bemonstering van de langgerekte aftekening van bloed werd een onvolledige DNA-profiel verkregen, waarbij de resultaten van het onderzoek meer dan een miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA van [slachtoffer 1] bevat dan wanneer de bemonstering DNA bevat van een onbekende, niet verwante persoon.18 Van het celmateriaal uit de bemonstering van de veter van de rechterschoen van [verdachte] werd een DNA-mengprofiel verkregen , waarbij de resultaten van het onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer de monstering DNA van [verdachte] , [slachtoffer 1] en een onbekende, niet verwante persoon bevat dan wanneer de bemonstering DNA bevat van [verdachte] en twee onbekende, niet verwante personen.19

De verklaringen van [verdachte]

heeft tijdens zijn tweede verhoor op 8 juli 2020 bij de politie voor het eerst een voor zichzelf belastende verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij nu de waarheid ging vertellen. [verdachte] verklaarde dat hij eerder dat jaar in de buurt had gehoord dat zijn buurman [slachtoffer 1] meisjes had aangerand. Hij dacht ook dat [slachtoffer 1] op een seksuele manier naar zijn dochtertje had gekeken. Naar aanleiding daarvan had [verdachte] de woningbouwvereniging en de wijkagent verzocht om een andere woning, maar zij hadden niets gedaan. [verdachte] had zich vervolgens maandenlang getreiterd gevoeld door [slachtoffer 1] , doordat deze bleef lachen en zwaaien naar [verdachte] dochtertje. [verdachte] verklaarde dat hij op 27 juni 2020 samen met [medeverdachte] terugkwam van een feest waarbij hij drugs (XTC, MDMA en cocaïne) had gebruikt. Zij zaten rond 17.00 uur op het terras voor de woning van [verdachte] bier te drinken. Ook heeft hij nog een lijntje (naar de rechtbank begrijpt: cocaïne) genomen. Rond 17.30 uur zag hij zijn buurman [slachtoffer 1] naar buiten komen lopen. [verdachte] verklaarde dat [slachtoffer 1] geniepig naar hem lachte toen hij terug naar zijn woning liep. Naar eigen zeggen werd het toen “zwart voor zijn ogen”. Hij is over het hek gesprongen en is achter [slachtoffer 1] aan diens woning in gelopen. [medeverdachte] kwam achter hem aan. [verdachte] heeft [slachtoffer 1] met zijn rechtervuist een klap tegen zijn achterhoofd gegeven. Dit gebeurde bij de tussendeur van de gang naar de woonkamer. [slachtoffer 1] viel op de grond tussen de woonkamer en de keuken in. [verdachte] heeft hem toen een schop gegeven. Daarna heeft hij de televisie en alarmkast gepakt. [verdachte] zag [medeverdachte] voor het eerst in de woning van [slachtoffer 1] toen hij de tv in zijn handen had en zich omdraaide. [verdachte] zag dat [medeverdachte] [slachtoffer 1] aan het “stampen” was. [medeverdachte] heeft de computerkast gepakt. [verdachte] heeft verklaard dat ze de woning van [slachtoffer 1] met de televisie, computerkast en alarmkast hebben verlaten. Ze hebben eerst alle spullen in de woning van [verdachte] gezet. Vervolgens heeft [verdachte] zijn auto gehaald op de parkeerplaats en toen zijn de spullen uit de woning in de auto gezet. [medeverdachte] heeft de televisie uiteindelijk mee naar huis genomen.20

Op 9 juli 2020 heeft [verdachte] tijdens zijn verhoor bij de politie nogmaals verklaard dat hij [slachtoffer 1] één klap en één schop heeft gegeven. De schop was tegen het achterhoofd, net boven de nek. Op het moment dat hij de televisie pakte en zich omdraaide, zag hij dat [medeverdachte] [slachtoffer 1] meerdere keren schopte.21

[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat het vermeende incident rondom zijn dochter, alsmede het ontbreken van hulp vanuit diverse instanties, ertoe heeft geleid dat het gebeuren op 27 juni 2020 heeft plaatsgevonden. [verdachte] heeft verklaard dat hij eerst slippers aan had, daarna bouwschoenen heeft aangedaan en deze vervolgens heeft verwisseld voor zijn witte sneakers. Op het moment dat [slachtoffer 1] bij zijn woning liep en “het is gebeurd”, droeg [verdachte] de witte sneakers. Verder heeft [verdachte] ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer 1] niets zei en zich niet bewoog toen hij op de grond lag. Ook heeft hij verklaard dat [medeverdachte] tegen de achterkant van het lichaam van [slachtoffer 1] heeft geschopt. Toen de verdachten de woning verlieten hebben zij de televisie, computer en alarmkast uit de woning van [slachtoffer 1] meegenomen.

De verklaring van [medeverdachte]

heeft tijdens zijn verhoor op 20 juli 2020 bij de politie verklaard dat hij [verdachte] op 27 juni 2020 op een feestje tegenkwam. Na het feestje zijn zij samen in [verdachte] auto naar diens woning gereden waarna zij bier hebben gehaald. [medeverdachte] heeft verklaard dat zij voor de deur bij de woning van [verdachte] pilsjes zaten te drinken toen die man (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]) uit zijn woning kwam gelopen en naar rechts liep. Voorts heeft [medeverdachte] verklaard dat toen hij de woning van de buurman van [verdachte] binnenliep, waar [verdachte] ook was, hij die eerdergenoemde man op de grond naast de bank zag liggen en zag dat er bloed bij zijn hoofd lag. Ook heeft [medeverdachte] verklaard dat [verdachte] de auto is gaan halen en dat hij ( [medeverdachte] dus) de computerkast van [slachtoffer 1] in de auto van [verdachte] heeft gezet. [verdachte] heeft de televisie van [slachtoffer 1] in de auto geplaatst.22

Medische rapportages

[slachtoffer 1] is op 30 juni 2020 door een forensisch arts onderzocht. [slachtoffer 1] lag op de ‘intensive care’ van het MUMC+ in Maastricht en was buiten bewustzijn. De forensisch arts, die alleen de voorzijde van het lichaam kon onderzoeken, heeft onder andere de volgende letsels geconstateerd: een schaafwond op de linkerzijde van het voorhoofd, een schaafwond op de rechterzijde van het gezicht/hoofd, meerdere oppervlakkige huidletsels op de rechterzijde van het hoofd, een schaafwond op de rechterschouder, een schaafwond aan de voorzijde van de linkerschouder en twee hematomen aan de binnenzijde van de rechterbovenarm. De arts beschrijft een hematoom als “een niet wegdrukbare, matig scherp begrensde verkleuring van de huid als uiting van hieronder liggende bloed- en vochtophoping na beschadiging van bloedvaten en weefsels, die net zoals een zwelling kan ontstaan door uitwendige inwerking van stomp mechanische, botsende of samendrukkende krachten met of tegen een voorwerp op een lichaamsdeel, zoals bijvoorbeeld slaan (al dan niet met een voorwerp), stompen, schoppen, stoten, vallen of bijvoorbeeld knijpen”.23

Op 28 juni 2020 is van de schedel van [slachtoffer 1] een CT-scan gemaakt, waaruit is gebleken dat zich rechts op het hoofd een uitgebreide induratie (zwelling) met bloedingen in de onderhuidse wekedelen bevond, van boven het rechteroog tot achter het oor en van de kruin tot het oor, alsmede een kleine bloeding tussen het harde hersenvlies en het spinnenwebvlies ter hoogte van de slaapkwab aan de rechterzijde van het hoofd.24 Diezelfde dag is een CT-scan gemaakt van de wervelkolom van [slachtoffer 1] , waaruit is gebleken dat zich in de onderhuidse wekedelen van de rechter bovenarm, juist onder de oksel, zwellingen bevonden.25

Uit de MRI-scan van het brein van [slachtoffer 1] op 30 juni 2020 is gebleken dat zich zwellingen in de onderhuidse wekedelen van de rechterwang en in de onderhuidse wekedelen van de rechterzijde van het hoofd bevonden. In een deel van de kleine hersenen en in de verbinding tussen de kleine hersenen en de hersenstam waren zwellingen en bloedingen aanwezig. Voorts waren er puntvormige bloedingen ter hoogte van de slaapkwab aan de rechter zijde van het hoofd en aan de voorzijde van het hoofd. Ook op de MRI-scan was de kleine bloeding tussen het harde hersenvlies en het spinnenwebvlies aan de rechterzijde van het hoofd ter hoogte van de slaapkwab te zien.26

Voornoemde letsels zijn door de radioloog, prof. dr. P.A.M. Hofman, als volgt geïnterpreteerd: “De zwellingen van de onderhuidse wekedelen van de bovenarm zijn het gevolg van stompe externe geweldsinwerking op de rechter bovenarm. De zwellingen van de onderhuidse wekedelen van het hoofd zijn met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het gevolg van heftig stomp externe geweldsinwerking op de rechterzijde van het hoofd. De bloeding tussen het harde hersenvlies en het spinnenwebvlies, en de bloedingen in de hersenen, zijn met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid veroorzaakt door heftige stomp externe geweldsinwerking op het hoofd”. Volgens de radioloog is er sprake van minimaal 2 geweldsinwerkingen, te weten één op de rechter bovenarm en één op de rechterzijde van het hoofd. Er kan sprake zijn geweest van meerdere geweldsinwerkingen.27

De radioloog heeft op 12 oktober 2020 opnieuw gerapporteerd. In dat rapport heeft de radioloog de bevindingen en radiologische beeldvorming zoals weergegeven in het rapport van 7 juli 2020 (betreffende de antemortale scans van 28 juni 2020) vergeleken met de postmortale CT-scan en MRI-scan die beide op 18 juli 2020, de dag na het overlijden van [slachtoffer 1] , hebben plaatsgevonden. De radioloog heeft geconstateerd dat aan de onderrand van het rechter schildkraakbeen genezingsweefsel is ontstaan dat niet zichtbaar was op de antemortale opname, zodat dit letsel zeer waarschijnlijk is ontstaan in de 2 tot 4 weken vóór 18 juli 2020. De locatie van het letsel maakt het zeer onwaarschijnlijk dat dit het gevolg is van medisch handelen. Het is zeer veel waarschijnlijker dat dit het gevolg is van stompe externe geweldsinwerking. Voorts heeft de radioloog gerapporteerd dat er op minimaal drie punten (de rechter bovenarm, rechts op de hals en op de rechterzijde van het hoofd) externe stompe geweldsinwerking heeft plaatsgevonden. Ten gevolge van het stomp extern inwerkend geweld op het hoofd hebben diffuse bloedingen in de hersenen plaatsgevonden, die leidden tot functiestoornissen van de hersenen en bewustzijnsverlies. De functiestoornissen van de hersenstam uitten zich onder andere in stoornissen in de vitale functies, waaronder ademhaling, de regulatie van bloeddruk en hartslag, alsmede slikstoornissen. De vastgestelde tekenen van inademing van vocht en dense structuren en het vastgestelde hersenletsel maakt dat het zeer waarschijnlijk is dat de dood is ingetreden door functiestoornissen van de hersenen gevolgd door ziekelijke verwikkelingen door deze functiestoornissen (waaronder de inademing van vocht). Hierdoor zijn de functiestoornissen van de longen ontstaan. De combinatie van de functiestoornissen van de hersenen en die van de longen hebben met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geleid tot het intreden van de dood.28

Forensisch patholoog dr. J. Fronczek van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft in het voorlopig sectierapport d.d. 20 juli 2020 gerapporteerd dat hij aan het lichaam van [slachtoffer 1] tekenen van bij leven ingewerkt uitwendig mechanisch stomp botsend geweld op het hoofd heeft vastgesteld, welke letsels ontstaan kunnen zijn door bijvoorbeeld vallen of slaan.29 De forensisch patholoog heeft in het rapport van 26 november 2020 geconcludeerd dat [slachtoffer 1] , na doorgemaakt geweld op het hoofd, ernstige hersenfunctiestoornissen heeft ontwikkeld met de noodzaak tot ziekenhuisopname, waarbij een uitzichtloze situatie is ontstaan die het uiteindelijke overlijden tot gevolg heeft gehad.30

Forensisch arts en patholoog drs. B.G.H. Latten heeft op 22 februari 2022 gerapporteerd dat het geheel aan letsels niet verklaard kan worden door één simpele val, met dien verstande dat het niet (meer) mogelijk is te achterhalen of alle letsels op hetzelfde moment zijn opgetreden. [slachtoffer 1] was bekend met epilepsie met onder andere tonisch-clonische aanvallen. Dat zijn episodes waarbij men ‘schokt’ met het lichaam. Volgens de arts/patholoog is het mogelijk dat een deel van de letsels bij [slachtoffer 1] is verergerd door een tonisch-clonische aanval, maar dit zal vermoedelijk geen noemenswaardige bijdrage hebben geleverd aan het uiteindelijke overlijden.31

Tapgesprekken en Facebook Messenger berichten

Op 3 juli 2020 heeft [verdachte] via de telefoon contact gehad met een persoon waarvan het telefoonnummer op naam staat van [naam 1] . Tijdens dit gesprek, dat middels een “telefoontap” is afgeluisterd, heeft [verdachte] onder andere het volgende gezegd:

  • -

    “Nee, ik ben niet mol, de buurman is wel mol”;

  • -

    “Dan moet ie met zijn poten van de kinderen afblijven”;

  • -

    “Moet ie maar niet, moet ie maar niet z’n eigen aftrekken aan mijn dochter, snap je”;

  • -

    “Hij is eeehh, 2 dagen heeft hij dood in zijn huis gelegen”;

  • -

    “Ik had gezopen enzo. En ik heb hem gelijk Morske dee gemaakt”;

  • -

    “En dan ben ik daar gaan buizen. En dan kwam [medeverdachte] die kwam ook nog, dus je weet hoe dat ging, huphuphup dit en nog een flinke en nog een halve, klaar naar huis toe. En toen kwam tie naar binnen”;

  • -

    “Nee, en (NTV), die (NTV) erachteraan. En ik geef hem een paar. Hij ligt op de grond, met met mijn bouwschoenen, achterop die kop blijven nastampen. En bovenop he, bovenop blijven doen. 2 Dagen heeft hij mol in zijn kiet gelegen, toen is de wouten gekomen”;

  • -

    “Ja, ik ben moordenaar, hehehehe, ja nou voor dat ben ik trots op”;

  • -

    “Het gaat nou al rond he. [verdachte] dat is een moordenaar, die het er ene kapot gestampt, gewoon gestampt, zonder wapen, gewoon gestampt”;

  • -

    “Jaja, ze geven ons ook gelijk”. 32

Op 18 juli 2020 heeft [verdachte] telefonisch contact gehad met zijn ex, tevens de moeder van zijn dochtertje [naam 2] , [naam 3] . Tijdens dit gesprek vraagt [naam 3] wat er aan de hand is. [verdachte] zegt dat “hij” zich had afgetrokken op [naam 2] en dat “hij” [naam 2] wilde aanranden en dat de zaak toen uit de hand is gelopen. De politie en de wouten deden maar niets. [verdachte] heeft onder andere gezegd:

  • -

    “Toen kwam die langs gelopen en in een keer zei hij waar is je dochtertje toen ben ik uit geflipt”;

  • -

    “Ja, hij is volgens mij mol”; (..)

  • -

    “Ja uh, binnen 24 uur moet hij sterven en dan is het pas moord hé”; (..)

  • -

    “.. ik heb me altijd ingehouden. En de politie deed maar niks, niks deden ze.”

  • -

    “Ja, daarna pas die dag toen die langs kwam lopen zei hij weer Waar is je dochtertje, toen is de stoppen doorgeslagen. Ik heb me maanden lang liggen op te fokken”;

Op de vraag van [naam 3] wie “die 47-jarige” is die ook is opgepakt, antwoordde [verdachte] : “Die [medeverdachte] ? (..) Ja, die is er achteraan gevlogen en die heeft de roof gedaan. Die is naar binnen toe gegaan. Die heeft alles meegenomen. Uh, voor mij was alleen de bedoeling om hem een lesje te leren. Maar ik wist niet dat het zo uit de hand liep”.

Op de vraag van [naam 3] “of ze wel alles weten”, antwoordde [verdachte] : “Ja, ze weten, ik heb alles eerlijk toe moeten geven. Ik moest wel (..)”.33

[medeverdachte] maakte gebruik van meerdere Facebookaccounts, waarvan de meest actuele [medeverdachte] . [medeverdachte] .9 betrof. Dit account is na 6 juli 2020 verwijderd.34 In de Facebook Messenger chat van 1 juli 2020 tussen ‘ [medeverdachte] ’ en ‘ [verdachte] [naam 2] ’ staan de volgende door ‘ [medeverdachte] ’ verzonden berichten “Deisje nhe” en “1stttttttrt”, waarop [verdachte] antwoordde “Ja pik”. Het contact ‘ [medeverdachte] ’ heeft hierop “Wahahahahah” verstuurd. ‘ [verdachte] [naam 2] ’ antwoordde hierop “Hahahaha” en “Molio maas die”, waarop door ‘ [medeverdachte] ’ werd geantwoord met de berichten “Schijt” “Wahahahaha”.35

Getuigenverklaringen

Getuige [naam 4] heeft op 29 juni 2020 verklaard dat zij op 28 juni 2020 rond 18.30 uur thuis was en dat de buurman van 130A op de deur klopte. Ze hoorde dat hij zei: “Gisterenavond rond half 7 kwamen er twee jongens naar buiten bij [slachtoffer 1] met een tv. Volgens mij ligt hij op de grond en hebben ze hem flink afgeranseld”. Op de vraag van [naam 4] waarom hij de politie niet had gebeld, antwoordde [verdachte] : “Ik bel pas als ik hem ruik”.36

Getuige [naam 5] heeft op 1 juli 2020 verklaard dat zij gisteren hoorde dat die man die naast [slachtoffer 1] woont, genaamd [verdachte] , zei: “KRKRRK KRKRRK, hij is dood”. Verder klapte hij in zijn handen en zei: “Zo, die is dood”.37

Getuige [naam 6] heeft verklaard dat [verdachte] op 30 juni 2020 tegen hem zei: “hij is dood, hij is dood, hij is dood. Zijn we van hem af. Kan hij niet meer naar mijn dochtertje kijken”. 38

Getuige [naam 7] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] door de directe buurman werd bedreigd en dat [slachtoffer 1] bang voor hem was.39

Getuige [naam 8] heeft verklaard dat zij de man die op de hoek woont, genaamd [verdachte] , tijdens de corona tijd heeft horen zeggen: “Ik maak je hartstikke kapot”. Op een ander moment, in ieder geval na de uitspraak dat hij [slachtoffer 1] hartstikke kapot zou slaan, heeft de getuige gehoord dat [verdachte] zong: “Op 130A woont een pedofiel”.40

Getuige [naam 9] heeft verklaard dat de buurman die rechts naast [slachtoffer 1] woont heel fel tegenover [slachtoffer 1] was en dat de buurman ongeveer twee maanden geleden een paar keren had gezegd dat als hij de kans kreeg om [slachtoffer 1] te pakken, hij dat zou doen.41

Getuige [naam 10] heeft verklaard dat hij vaak vanaf zijn balkon heeft gehoord dat buurjongen [verdachte] schreeuwde en dreigde met woorden zoals: “Heb je je deur open staan vuile teringlijder, ik ruik je hier al. Eerstdaags maak ik je af”, en “Ik zal je een keer kapot maken”.42

Tussenconclusies

De rechtbank stelt op basis van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen vast dat [slachtoffer 1] op 27 juni 2020 in zijn woning is aangevallen. [slachtoffer 1] is zwaargewond achtergelaten en bijna 3 weken later in het ziekenhuis aan zijn verwondingen overleden. Vanuit de woning van [slachtoffer 1] zijn een computer, televisie, alarmkast en een portemonnee met inhoud weggenomen.

De rechtbank stelt eveneens vast dat [verdachte] in tapgesprekken met anderen over de bewuste dag heeft gesproken. Uit verklaringen van de beide verdachten en uit die tapgesprekken leidt de rechtbank af dat beide verdachten op die dag ter plekke zijn geweest en dat beide verdachten in de woning van [slachtoffer 1] zijn geweest.

Voorts constateert de rechtbank dat het Facebook Messenger gesprek tussen ‘ [verdachte] [naam 2] ’ en ‘ [medeverdachte] ’ slechts enkele dagen na het geweldsincident heeft plaatsgevonden. De rechtbank gaat er hierbij vanuit dat ‘ [medeverdachte] ’ [medeverdachte] betreft, nu door [medeverdachte] geen andersluidende verklaring is gegeven na hierover ter terechtzitting te zijn bevraagd. Zoals reeds ter terechtzitting besproken constateert de rechtbank dat de woorden ‘deisje nhe’ volgens de website www.mijnwoordenboek.nl/dialect/Bargoens vanuit het Bargoens dialect betekenen ‘rustig zijn/niet praten he’. Het woord ‘molio’ betekent ‘dood’, en het woord ‘maas’ betreft het werkwoord ‘zijn/ben’, zodat de woorden ‘molio maas die’ naar het oordeel van de rechtbank niet anders betekenen dan ‘die is dood’.

3.3.2

De overwegingen van de rechtbank

Feitelijke geweldshandelingen

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld welke feitelijke geweldshandelingen op 27 juni 2020 jegens [slachtoffer 1] hebben plaatsgevonden. Voorts ziet zij zich voor de vraag gesteld of beide verdachten geweldshandelingen hebben gepleegd en zo ja, welke geweldshandelingen.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft grotendeels in het teken gestaan van de vraag welke verklaringen van de verdachten betrouwbaar genoeg zijn om te gebruiken voor het bewijs van de door de [verdachte] en/of [medeverdachte] gepleegde feitelijke geweldshandelingen.

De verdediging heeft betoogd dat aan het door [verdachte] geschetste scenario de meeste waarde moet worden gehecht. Dit scenario is gebleken tijdens de reconstructie die met medewerking van [verdachte] op 24 februari 2021 is uitgevoerd en moet uitgangspunt zijn bij de beoordeling van de zaak. Dat scenario komt er in de kern op neer dat [verdachte] [slachtoffer 1] één klap tegen het achterhoofd heeft gegeven en vervolgens tegen zijn bovenbeen heeft getrapt. Daarna zou [slachtoffer 1] ten val zijn gekomen en zou [medeverdachte] twee stampen tegen de achterzijde van het bovenlichaam van [slachtoffer 1] hebben gegeven.

De rechtbank overweegt als volgt.

[verdachte] heeft op 8 juli 2020 verklaard dat hij [slachtoffer 1] met zijn vuist een klap op/tegen zijn achterhoofd heeft gegeven en hem daarna, toen [slachtoffer 1] op de grond lag, heeft geschopt. Op 9 juli 2020 heeft hij verklaard dat die schop tegen het achterhoofd van [slachtoffer 1] was, net boven de nek.

De rechtbank zal déze verklaringen, en niet de verklaring van [verdachte] tijdens de eerst op 24 februari 2021 uitgevoerde reconstructie, als uitgangspunt nemen. Immers, deze verklaringen zijn het kortst na het gebeuren afgelegd en [verdachte] belast zichzelf daarin in de meest verstrekkende mate. Dat maakt dat de meest waarschijnlijk reden voor deze verklaring is, dat het inderdaad zo heeft plaatsgevonden. In het tapgesprek met zijn ex-vriendin [naam 3] van 18 juli 2020 geeft [verdachte] over déze verklaringen aan dat ze (naar de rechtbank begrijpt: de politie) alles weten en dat hij alles eerlijk heeft verteld.

De rechtbank leidt uit deze verklaringen af dat door [verdachte] twee geweldshandelingen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] hebben plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat in voornoemde verklaringen van [verdachte] alsmede in de tapgesprekken een rode draad is af te leiden omtrent hetgeen op 27 juni 2020 heeft plaatsgevonden. De verklaringen van [verdachte] wisselen weliswaar op detailniveau, maar in de kern blijft [verdachte] zichzelf belasten door zichzelf als initiator van het geweld aan te wijzen én neemt hij de verantwoordelijkheid voor de ernstigste geweldshandelingen, namelijk die tegen het hoofd van [slachtoffer 1] . De door [verdachte] beschreven geweldshandelingen passen bij de geconstateerde letsels aan en bloedingen in het hoofd van [slachtoffer 1] , die volgens de radioloog zijn ontstaan door heftige stomp externe geweldsinwerking op de rechterzijde van het hoofd. De zwellingen aan de bovenarm van [slachtoffer 1] zijn volgens de radioloog het gevolg van stompe externe geweldsinwerking op de rechter bovenarm, hetgeen betekent dat er minimaal twee geweldsinwerkingen hebben plaatsgevonden, te weten aan het hoofd en aan de rechter bovenarm. De geweldsinwerking aan de rechter bovenarm van [slachtoffer 1] past naar het oordeel van de rechtbank bij de verklaring van [verdachte] dat ook [medeverdachte] [slachtoffer 1] heeft geschopt. De verklaringen van [verdachte] hierover zijn op dit punt in de kern telkens consistent gebleven, namelijk dat [medeverdachte] ook in de woning van [slachtoffer 1] is geweest was en dat hij iets tegen het lichaam van [slachtoffer 1] heeft gedaan. In zijn bekennende verklaringen van 8 en 9 juli 2020 heeft [verdachte] daar meer precies over verklaard dat [medeverdachte] [slachtoffer 1] schopte toen deze op de grond lag. Verder heeft [verdachte] het in het tapgesprek van 3 juli 2020 met [naam 1] over “ons”, hetgeen de betrokkenheid van een mededader impliceert.

Tussenconclusie over de feitelijke geweldshandelingen

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, gebruikt de rechtbank de verklaringen van [verdachte] zoals afgelegd op 8 en 9 juli 2020 voor het bewijs van de door beide verdachten gepleegde feitelijke geweldshandelingen, zoals hiervoor ook weergegeven bij de bewijsmiddelen. Voorts passen deze verklaringen bij het bij [slachtoffer 1] geconstateerde letsel. De rechtbank neemt de hiervoor genoemde verklaringen alsmede de medische rapportages omtrent [slachtoffer 1] en de inhoud van de tapgesprekken, in onderlinge samenhang bezien, dan ook als basis voor de vaststelling dat de door [verdachte] toegepaste geweldshandelingen (tenminste) hebben bestaan uit het toedienen van één klap en één trap tegen het hoofd van [slachtoffer 1] . Het door [medeverdachte] toegepaste geweld heeft eruit bestaan dat hij [slachtoffer 1] heeft geschopt tegen de achterzijde van het lichaam toen deze al op de grond lag.

Causaal verband geweldshandelingen en overlijden

De verdediging heeft betoogd dat er onvoldoende zekerheid bestaat omtrent het causaal verband tussen de geweldshandelingen van [verdachte] en het overlijden van [slachtoffer 1] . Volgens de raadsman kan niet worden uitgesloten dat [slachtoffer 1] na het gewelddadig handelen van [verdachte] uit eigen beweging is opgestaan, maar op enig moment weer is gevallen als gevolg van een epileptische aanval. Het bij leven ingewerkt uitwendig mechanisch stomp botsend geweld dat het letsel heeft veroorzaakt, kan volgens het sectierapport ook zijn ontstaan door vallen.

De beantwoording van de vraag of causaal verband bestaat tussen het overlijden van [slachtoffer 1] en door [verdachte] verrichte gedragingen, dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of het overlijden redelijkerwijs als gevolg van de gedragingen aan [verdachte] kan worden toegerekend.

Zoals hierboven genoemd gaat de rechtbank bij de vaststelling van de door [verdachte] gepleegde geweldshandelingen uit van één klap en één trap tegen het hoofd van [slachtoffer 1] . Verder stelt de rechtbank op basis van de medische stukken vast dat [slachtoffer 1] tekenen van bij leven ingewerkt heftig uitwendig mechanisch stomp botsend geweld op het hoofd vertoonde en dat deze letsels tot ernstige hersenfunctiestoornissen hebben geleid, die werden gevolgd door ziekelijke verwikkelingen waardoor tevens functiestoornissen van de longen zijn ontstaan. De combinatie van voornoemde functiestoornissen zijn met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de doodsoorzaak bij [slachtoffer 1] geweest. De forensisch arts en patholoog drs. B.G.H. Latten heeft gerapporteerd dat het geheel aan letsels niet verklaard kan worden door één simpele val en dat het mogelijk is dat een deel van de letsels zijn verergerd door een epileptische aanval, maar dat dit vermoedelijk geen noemenswaardige bijdrage zal hebben geleverd aan het uiteindelijke overlijden van [slachtoffer 1] .

De rechtbank leidt uit deze omstandigheden af dat het jegens het hoofd van [slachtoffer 1] gepleegde geweld met een zekere mate van kracht moet hebben plaatsgevonden. De rechtbank heeft reeds vastgesteld dat [verdachte] [slachtoffer 1] tegen zijn hoofd heeft geslagen waardoor [slachtoffer 1] ten val is gekomen, waarna [verdachte] [slachtoffer 1] tegen zijn hoofd heeft geschopt. Op basis van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen en overwegingen stelt de rechtbank tevens vast dat deze geweldshandelingen van heftige aard waren en aldus met kracht moeten zijn geschied, zodat het overlijden van [slachtoffer 1] verklaard kan worden uit het jegens hem toegepaste geweld door [verdachte] . [slachtoffer 1] is bijna drie weken later aan zijn verwondingen overleden. De rechtbank heeft, gelet op de medische stukken, geen enkele aanleiding om aan te nemen dat [slachtoffer 1] ook zou zijn overleden als [verdachte] geen geweldshandelingen jegens zijn hoofd had verricht. De rechtbank kan niet uitsluiten dat [slachtoffer 1] in de tijd tussen het geweld en het aantreffen door de politie nog een epileptische aanval heeft gehad en/of in die periode nog is gevallen, maar dat neemt niet weg dat het door [verdachte] uitgeoefende geweld de hoofdoorzaak is geweest van het overlijden van [slachtoffer 1] . De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat het overlijden van [slachtoffer 1] door de gedragingen van [verdachte] is veroorzaakt, waarmee het overlijden redelijkerwijs als gevolg van de gedragingen van [verdachte] aan hem kan worden toegerekend.

3.3.2.1 De juridische kwalificatie van de handelingen van [verdachte]

Het opzet

De raadsman heeft gesteld dat [verdachte] geen opzet had op de dood van [slachtoffer 1] en heeft daartoe het volgende aangevoerd. [verdachte] handelde in een opwelling en had niet de bedoeling om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Evenmin heeft [verdachte] door het slaan tegen het hoofd van [slachtoffer 1] willens en wetens de aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer 1] willen aanvaarden. De raadsman heeft aangevoerd dat niet gezegd kan worden dat de gedragingen van [verdachte] naar hun uiterlijke verschijningsvorm slechts uit te leggen zijn als handelingen met de intentie om [verdachte] om het leven te brengen, omdat het toegepaste geweld relatief te beperkt van aard en omvang is geweest.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Zoals hierboven is beschreven in paragraaf 3.3.2 heeft de rechtbank vastgesteld dat [verdachte] [slachtoffer 1] een klap tegen zijn hoofd heeft gegeven en daarna, toen [slachtoffer 1] al op de grond lag, tegen zijn hoofd heeft geschopt. Ook heeft de rechtbank vastgesteld dat deze geweldshandelingen van heftige aard waren en deze aldus met de nodige kracht moeten zijn gebeurd. Het is algemeen bekend dat het hoofd een zeer kwetsbaar en uiterst vitaal deel van het menselijk lichaam is.

Uit de diverse getuigenverklaringen naar aanleiding van het buurtonderzoek leidt de rechtbank af dat [verdachte] zijn frustratie en haatgevoelens jegens [slachtoffer 1] maandenlang heeft opgekropt en dat hij herhaaldelijk heeft geuit [slachtoffer 1] kapot te willen maken. Ook uit [verdachte] eigen verklaringen en mededelingen over de telefoon blijkt dat die voorgeschiedenis tot de geweldsuitbarsting op 27 juni 2020 heeft geleid, op een moment waarop [verdachte] behoorlijk onder invloed van alcohol en diverse harddrugs was. Volgens [verdachte] werd het hem “zwart voor de ogen” op het moment dat [slachtoffer 1] terug kwam gelopen naar zijn woning en (in de beleving van [verdachte] “geniepig”) naar hem lachte. Dat [verdachte] op dat moment behoorlijk onder invloed van alcohol en diverse harddrugs was, staat aan ‘vol opzet’ op de dood naar het oordeel van de rechtbank niet in de weg. Uit de verklaringen van [verdachte] , alsmede de tapgesprekken en uitlatingen achteraf blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat [verdachte] [slachtoffer 1] wilde doden en dat hij meende dat het door hem jegens [slachtoffer 1] uitgeoefende geweld daartoe ook had geleid.

De rechtbank concludeert dat het handelen van [verdachte] naar de uiterlijke verschijningsvorm, in combinatie met zijn veelvuldig geuite wens om [slachtoffer 1] te doden vanwege diens vermeende pedofiele gerichtheid, zodanig gericht is geweest op de dood van [slachtoffer 1] dat hieruit valt af te leiden dat [verdachte] met vol opzet heeft gehandeld en willens en wetens heeft gehandeld om [slachtoffer 1] te doden. De omstandigheden dat [verdachte] zijn buurvrouw een dag later de politie heeft laten bellen, dat [verdachte] ter terechtzitting heeft verklaard spijt te hebben van hetgeen er is gebeurd en dat hij moeite heeft met het feit dat [slachtoffer 1] is overleden, neemt niet weg dat [verdachte] op 27 juni 2020 opzet had op de dood van [slachtoffer 1] en maakt het oordeel van de rechtbank hieromtrent dan ook niet anders. Met de officier van justitie is de rechtbank aldus van oordeel dat [verdachte] , op het moment dat hij [slachtoffer 1] tegen het hoofd sloeg en trapte, vol opzet had op de dood van [slachtoffer 1] .

Moord of doodslag?

Voorts ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of [verdachte] met voorbedachte raad [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat [verdachte] zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat voorbedachte raad op de dood van [slachtoffer 1] niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Weliswaar zijn er, zoals hiervoor ook is opgemerkt, aanwijzingen dat [verdachte] [slachtoffer 1] “naar het leven stond”, en verklaren getuigen dat hij herhaaldelijk heeft gezegd dat hij [slachtoffer 1] dood wilde hebben en leek hij blij te zijn toen hij dacht dat [slachtoffer 1] dood was. Dit is echter niet voldoende om tot bewezenverklaring van moord te kunnen komen. Daarvoor is een daadwerkelijk “besluit” nodig om iemand te doden én moet er enige tijd en gelegenheid zijn geweest om na te denken over dat besluit, de betekenis en de gevolgen daarvan. Daarvan is in dit geval niet gebleken. Uit de verklaringen van [verdachte] valt af te leiden dat hij, overmand door frustratie en boosheid, en onder invloed van alcohol en diverse harddrugs, achter [slachtoffer 1] aan is gegaan toen hij zag dat [slachtoffer 1] terug kwam gelopen naar zijn woning en in [verdachte] beleving “geniepig” naar hem lachte. Tussen het moment dat [verdachte] [slachtoffer 1] zag en het moment waarop hij de woning van [slachtoffer 1] binnendrong en hem fysiek aanviel, hebben slechts enkele seconden gezeten. Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit een dermate korte tijdspanne dat niet vastgesteld kan worden dat sprake is geweest van een kalm beraad. De rechtbank stelt dan ook vast dat [verdachte] in een gemoedsopwelling heeft gehandeld en aldus geen sprake was van voorbedachte raad. Hij dient hiervan dan ook partieel te worden vrijgesproken. Naar het oordeel van de rechtbank is wel bewezen dat [verdachte] doodslag heeft gepleegd.

Medeplegen

Van medeplegen van doodslag is sprake indien [verdachte] en [medeverdachte] het feit gezamenlijk hebben gepleegd, waarbij sprake moet zijn geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hun beiden. Die samenwerking is gericht op de totstandkoming van het strafbare feit. Aan de totstandkoming van dit feit dient de medepleger een substantiële bijdrage te leveren om als zodanig te kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van doodslag op [slachtoffer 1] . Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is immers niet gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten bij de geweldshandelingen die tot de dood van [slachtoffer 1] geleid hebben.

Uit de bewijsmiddelen is immers komen vast te staan dat het [verdachte] is geweest die, overmand door emoties op het moment dat [slachtoffer 1] (in [verdachte] beleving “geniepig”) naar hem lachte, achter [slachtoffer 1] aan zijn woning is binnengerend en hem aldaar tegen zijn hoofd heeft geslagen om hem vervolgens, toen [slachtoffer 1] op de grond lag, tegen zijn hoofd te schoppen. [slachtoffer 1] lag vervolgens bewegingsloos op de grond, aldus [verdachte] .

[verdachte] heeft vervolgens de televisie van [slachtoffer 1] gepakt en toen hij zich omdraaide zag hij ook [medeverdachte] in de woning. Er heeft aldus enige (zij het korte) tijd gezeten tussen de door [verdachte] gepleegde geweldshandelingen en de aanwezigheid van [medeverdachte] in de woning. Het moet [medeverdachte] duidelijk zijn geweest dat [verdachte] geweld jegens [slachtoffer 1] had uitgeoefend. Hij zag [verdachte] immers achter [slachtoffer 1] aan naar binnen rennen en trof daarna [slachtoffer 1] binnen aan, die bewegingsloos op de grond lag met bloed bij zijn hoofd. Desondanks kan uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat [medeverdachte] op de hoogte was van de aard en ernst van de door [verdachte] uitgeoefende geweldshandelingen.

Als vaststaand kan wel worden aangenomen dat [medeverdachte] niet heeft ingegrepen noch anderszins zich om [slachtoffer 1] heeft bekommerd, integendeel, ook hij heeft [slachtoffer 1] vervolgens geschopt (tegen de achterzijde van het lichaam) toen die bewegingsloos op de grond lag en ook hij heeft hem voor dood achtergelaten. Daarvan kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet worden gezegd dat hij een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het fatale letsel noch dat hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] door zijn (na)schoppen het leven zou laten. Op basis van het dossier kan niet worden gezegd dat [medeverdachte] er rekening mee hoefde te houden dat de door het handelen van [verdachte] ontstane verwondingen van [slachtoffer 1] van dien aard waren, en dat de (door hem immers mogelijk niet waargenomen) geweldshandelingen door [verdachte] dusdanig waren, dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden. Van een bewuste en nauwe samenwerking bij het plegen van geweldshandelingen, gericht op de dood van [slachtoffer 1] , is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

Nu naar het oordeel van de rechtbank is gebleken dat alleen [verdachte] verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer 1] , dient hij van het ten laste gelegde ‘medeplegen’ te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1 (parketnummer 03/176368-20)

Op grond van vorenstaande acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] op 27 juni 2020 in Maastricht opzettelijk . [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd door hem met kracht tegen zijn hoofd te slaan en te schoppen.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 2 (parketnummer 03/176368-20)

De rechtbank acht op basis van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, eveneens bewezen dat [verdachte] op 27 juni 2020 in Maastricht samen met [medeverdachte] een televisie, een computer, een alarmkast en een portemonnee met inhoud heeft gestolen van [slachtoffer 1] . Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier onvoldoende dat de mobiele telefoon van [slachtoffer 1] is weggenomen. Deze telefoon is weliswaar niet gevonden bij de doorzoeking, maar er is geen bewijs dat één van de verdachten deze telefoon heeft meegenomen.

Wat de overige goederen betreft is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen genoegzaam blijkt dat de verdachten die samen, in de betekenis van medeplegen, uit de woning van [slachtoffer 1] hebben gestolen.

(Vanaf hier zal [verdachte] als “de verdachte” worden aangeduid.)

Parketnummer 03/027122-20 43

Feit 1

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte op 16 januari 2020 in Eckelrade een portemonnee (met inhoud) van [slachtoffer 2] heeft gestolen, gelet op:

-het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] d.d. 21 januari 2020;44

-de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd tijdens zijn verhoor bij de politie d.d. 31 januari 2020.45

Feit 2

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte op meerdere tijdstippen op 16 januari 2020 in Maastricht geld heeft gestolen van [slachtoffer 2] door onbevoegd gebruik te maken van haar pin-/betaalpas, gelet op:

-het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] d.d. 21 januari 2020;46

-de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd tijdens zijn verhoor bij de politie d.d. 31 januari 2020.47

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

Parketnummer 03/176368-20

1

op 27 juni 2020 te Maastricht [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door

- die [slachtoffer 1] met kracht met gebalde vuist te slaan op/tegen zijn (achter)hoofd ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en

- die [slachtoffer 1] , terwijl hij op de grond lag, met kracht te schoppen op/tegen zijn hoofd;

2

op 27 juni 2020 te Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander, een TV en een computer en een alarmkast en een portemonnee met inhoud (waaronder een bankpas), die toebehoorden aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Parketnummer 03/027122-20

1

op 16 januari 2020 te Eckelrade, gemeente Eijsden-Margraten, een portemonnee (met inhoud), die toebehoorde aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2

op meerdere tijdstippen op 16 januari 2020 te Maastricht (telkens) een hoeveelheid geld (van in totaal ongeveer 40 euro), dat toebehoorde aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen hoeveelheid geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door onbevoegd gebruik te maken van de pin-/betaalpas van die [slachtoffer 2] .

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Hierdoor is de verdachte niet in zijn belangen geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

t.a.v. parketnummer 03/176368-20 feit 1: doodslag;

t.a.v. parketnummer 03/176368-20 feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen;

t.a.v. parketnummer 03/027122-20 feit 1: diefstal;

t.a.v. parketnummer 03/027122-20 feit 2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren op te leggen met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met het langdurig voorarrest van ruim 20 maanden, het beperkte strafblad van de verdachte, het reclasseringsrapport d.d. 18 februari 2022 alsmede met de omstandigheid dat de gebeurtenissen de verdachte hebben aangegrepen en hij een groot schuldgevoel draagt. Indien de rechtbank, evenals de raadsman, tot een bewezenverklaring van het meer subsidiair tenlastegelegde komt, verzoekt de raadsman om aansluiting te zoeken bij een vergelijkbare zaak (ECLI:NL:RBZWB:2020:5314) waarin een gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden is opgelegd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag van [slachtoffer 1] . In de vooravond van zaterdag 27 juni 2020 zat hij samen met de medeverdachte op het terras voor zijn woning toen zijn buurman, het latere slachtoffer [slachtoffer 1] , terug naar zijn woning kwam gelopen. De verdachte meende dat [slachtoffer 1] op dat moment “geniepig” naar hem lachte en het werd hem “zwart voor de ogen”, mede als gevolg van overmatig gebruik van alcohol en drugs. Hij is achter [slachtoffer 1] aan diens woning in gegaan en heeft hem een klap tegen zijn achterhoofd gegeven waardoor [slachtoffer 1] ten val is gekomen. Vervolgens heeft de verdachte [slachtoffer 1] tegen zijn hoofd getrapt. Daarna kwam de medeverdachte binnen, die [slachtoffer 1] ook schoppen (na) heeft gegeven toen die reeds roerloos op de grond lag, en hebben zij van de gelegenheid gebruik gemaakt om een televisie, computer, alarmkast en portemonnee uit de woning van [slachtoffer 1] weg te nemen. Zij hebben [slachtoffer 1] voor dood achtergelaten. In werkelijkheid is [slachtoffer 1] een dag later zwaargewond in zijn woning aangetroffen en heeft hij nog drie weken in coma gelegen alvorens hij aan zijn verwondingen is overleden. Door het gewelddadige handelen van de verdachten en het vervolgens wegnemen van diens persoonlijk alarmkastje was [slachtoffer 1] kansloos en was zijn overlijden uiteindelijk niet meer af te wenden. Het overlijden van [slachtoffer 1] brengt voor de naaste omgeving veel verdriet met zich, zoals treffend verwoord in de door zijn dochter Melissa en andere nabestaanden ter zitting afgelegde slachtofferverklaringen. Ook de maatschappij ervaart bij een dergelijk feit gevoelens van schok, verontwaardiging en verdriet.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat de beschuldiging door de verdachte dat [slachtoffer 1] pedofiele neigingen zou hebben in het dossier op geen enkele wijze concreet is geworden. Toch is dit voor de verdachte naar eigen zeggen nu juist de aanleiding geweest voor de uiteindelijke aanval op [slachtoffer 1] . Als gezegd is het gebleven bij een gerucht - dat overigens juist door de verdachte is verspreid - maar voorop staat dat het gegeven dat een persoon een zogenoemde ‘pedofiel’ zou zijn, hoe dan ook nimmer het recht geeft om tot geweld over te gaan.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 16 november 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder wegens geweldsdelicten met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Het reclasseringsrapport van 18 februari 2022 laat zien dat de verdachte zijn leven vóór de delictpleging redelijk goed op orde had. Hij had een woning, werk en een goed inkomen. Wel is er sprake van alcohol- en verdovende middelengebruik. In de weken vóór 27 juni 2020 was de verdachte naar eigen zeggen “opgefokt”. De reclassering toont haar zorgen omtrent de plotselinge geweldsexplosie van de verdachte. De verdachte is sterk geneigd zijn problemen zelf op te lossen, zoekt geen hulp en deelt geen gevoelens van onlust en spanningen. De kans op herhaling van het plegen van een soortgelijk feit kan door de reclassering niet worden ingeschat.

De straf

Gelet op de ernst van het feit en vanuit het oogpunt van een juiste normhandhaving is de rechtbank van oordeel dat deze zaak niet anders kan worden afgedaan dan met een forse gevangenisstraf. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de aard van het door de verdachte toegepaste geweld en de gewelddadige context waarin het feit zich heeft afgespeeld, alsmede het gegeven dat de verdachte [slachtoffer 1] in diens eigen woning heeft aangevallen en voor dood heeft achtergelaten.

De rechtbank heeft zich voor de straftoemeting mede georiënteerd op de voor soortgelijke strafbare feiten gebruikelijke straffen. Voor het bepalen van de strafmaat voor het plegen van doodslag bestaan geen algemene oriëntatiepunten. Uit de jurisprudentie blijkt dat bij een voltooide doodslag doorgaans gevangenisstraffen van 8 tot 10 jaren worden opgelegd. De rechtbank zal de hoogte van deze straffen als uitgangspunt nemen. Bij het bepalen van de strafmaat zal de rechtbank er in strafverminderende zin rekening mee houden dat de verdachte een blanco strafblad heeft, dat hij nog relatief jong is en dat hij vanaf zijn tweede verhoor bij de politie min of meer openheid van zaken heeft gegeven over zijn eigen aandeel in de zaak. Weliswaar heeft de verdachte in de loop der tijd inconsistente verklaringen afgelegd, maar over zijn eigen rol heeft hij telkens belastend verklaard. Voorts heeft de rechtbank er oog voor dat de verdachte ter terechtzitting ten overstaan van de aanwezige nabestaanden berouw heeft getoond. In strafvermeerderende zin zal de rechtbank meewegen dat sprake is van vol opzet van de verdachte en de omstandigheid dat de verdachte er na afloop kennelijk geen enkele moeite mee had om ook nog persoonlijke bezittingen van [slachtoffer 1] weg te nemen.

Alles afwegende zal de rechtbank de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Ten aanzien van de gevoegde zaak 03/027122-20 overweegt de rechtbank dat zij, gelet op de omvang van bovengenoemde straf, ondanks de bewezenverklaring van deze vermogensdelicten niet tot een hogere strafoplegging zal komen.

De tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel in de zaak met parketnummer 03/176368-20

7.1

De vordering van de benadeelde partijen

[slachtoffer 1] (feit 1)

Namens de benadeelde partij (de erven van) [slachtoffer 1] heeft de raadsvrouw een vordering tot schadevergoeding ingediend, ter hoogte van € 20.000,- ter zake van immateriële schade. Namens de benadeelde is verzocht om het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade.

[benadeelde] (feit 1)

De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde vordert een schadevergoeding van € 17.500,- ter zake van immateriële schade (affectieschade). De benadeelde verzoekt om het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

[slachtoffer 1]

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde [slachtoffer 1] . De officier van justitie acht een bedrag van € 1.000,- per dag dat [slachtoffer 1] in coma heeft gelegen, te weten 20 dagen, redelijk en passend. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd voor het aan de benadeelde toe te wijzen bedrag.

[benadeelde]

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde [benadeelde] . Dit bedrag is conform het Besluit vergoeding affectieschade. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd voor het aan de benadeelde toe te wijzen bedrag.

7.3

Het standpunt van de verdediging

[slachtoffer 1]

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de schade niet het gevolg is van de strafbare feiten die volgens de verdediging bewezen kunnen worden verklaard.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is gemotiveerd en is niet voldaan aan het mededelingsvereiste van artikel 6:95, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.

De raadsman verzoekt – uiterst subsidiair – om het toe te wijzen bedrag fors te matigen vanwege de onduidelijkheid op basis van welke elementen tot de bepaling van de hoogte van het bedrag kan worden gekomen.

[benadeelde]

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de schade niet het gevolg is van de strafbare feiten die volgens de verdediging bewezen kunnen worden verklaard.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering tot vergoeding van affectieschade niet wordt betwist in het geval de rechtbank wel tot het oordeel komt dat de verdachte verantwoordelijk kan worden gehouden voor het overlijden van [slachtoffer 1] .

7.4

Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 1] (feit 1)

De rechtbank stelt voorop dat een benadeelde op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) recht heeft op schadevergoeding indien er immateriële schade is ontstaan ten gevolge van het strafbare feit. Het recht op vergoeding van immateriële schade is een hoogstpersoonlijk recht. Dit recht kan in beginsel overgaan op de erfgenamen van de gerechtigde middels overgang onder algemene titel, op voorwaarde dat degene die het recht toekomt ex artikel 6:95 lid 2 BW aan de wederpartij heeft medegedeeld aanspraak te willen maken op vergoeding daarvan, het zogenoemde ‘mededelingsvereiste’. Van een dergelijke mededeling door de benadeelde aan de wederpartij is uit het dossier echter niet gebleken, zodat niet vast is komen te staan dat de benadeelde zelf de wens heeft gehad aanspraak te maken op het (hoogstpersoonlijke) recht op vergoeding van immateriële schade. De benadeelde heeft die mededeling ook niet zelf kunnen doen, doordat hij niet meer bij kennis is geweest. Niet gesteld of gebleken is dat op andere wijze aan het mededelingsvereiste is voldaan of kon worden voldaan. De rechtbank zal de vordering dan ook niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte, tot op heden begroot op nihil. Namens de benadeelde partij kan zijn vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

[benadeelde] (feit 1)

De rechtbank heeft hiervoor geconcludeerd dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte verantwoordelijk is voor de dood van het slachtoffer [slachtoffer 1] . De vordering van de benadeelde wordt conform het subsidiaire standpunt van de verdediging niet betwist.

De rechtbank overweegt dat de in artikel 6:108 lid 4 BW genoemde naasten van een door een misdrijf overleden slachtoffer vanaf 1 januari 2019 affectieschade kunnen vorderen. De aanspraak op affectieschade is een naar omvang beperkte vergoeding, die vooral beoogt het leed van de naasten en nabestaanden te erkennen. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij bij haar vordering aansluiting heeft gezocht bij het in het Besluit vergoeding affectieschade vermelde bedrag. Voorts stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij als dochter van de overledene tot de kring van gerechtigden behoort die recht heeft op affectieschade. De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding van € 17.500,- acht de rechtbank dan ook toewijsbaar, waarbij de verdachte en diens medeverdachte, [medeverdachte] , daarvoor hoofdelijk aansprakelijk zijn, gelet op het tegen [medeverdachte] gewezen strafvonnis van heden. Voorts zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8 Het beslag

Onder [verdachte] is een ploertendoder in beslag genomen. Daarvan zal de onttrekking aan het verkeer worden bevolen, nu het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. De onder de verdachte in beslag genomen twee paar schoenen, jas en broek dienen aan hem te worden geretourneerd. De onder het slachtoffer in beslag genomen twee paar schoenen, computer en broek zullen worden geretourneerd aan de rechthebbenden, te weten de erven van [slachtoffer 1] .

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36d, 36f, 57, 287, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor alle bewezen verklaarde feiten tot een gevangenisstraf van 9 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van feit 1 (parketnummer 03/176368-20)

[slachtoffer 1]

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil;

[benadeelde]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (nabestaande van [slachtoffer 1] ) ten aanzien van feit 1 toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 17.500,- wegens immateriële schade (affectieschade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij ter zake van het bewezenverklaarde onder feit 1 van € 17.500,- wegens immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet-betaling te vervangen door 122 dagen gijzeling, met dien verstande dat de vervangende gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat, in zoverre de verdachte of diens medeverdachte, [medeverdachte] , heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte of diens medeverdachte, [medeverdachte] , heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

Beslag

- onttrekt aan het verkeer het volgende in beslag genomen voorwerp:

1 STK Wapen (ploertendoder);

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen voorwerpen aan de verdachte:

  • -

    1 STK Schoeisel (bruin, merk: Adidas);

  • -

    1 STK Schoeisel (wit);

  • -

    1 STK Jas (Lacoste);

  • -

    1 STK Broek (Non Grada);

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen voorwerpen aan de rechthebbenden (de erven van [slachtoffer 1] ):

  • -

    1 STK Computer;

  • -

    1 STK Broek;

  • -

    1 STK Schoeisel;

  • -

    1 STK Schoeisel.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Verkijk, voorzitter, mr. A.P.A. Bisscheroux en mr. C.G.A. Wouters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J.A. Colen en D.G.W. Doensen MSc, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 maart 2022.

Buiten staat

D.G.W. Doensen Msc is niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

Parketnummer 03/176368-20

1

hij op of omstreeks 27 juni 2020 te Maastricht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd, door

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, (telkens) (met kracht) (met gebalde vuist) te slaan en/of stompen op/tegen zijn (achter)hoofd en/of op/tegen zijn lichaam en/of die [slachtoffer 1] tegen het (boven)been, althans tegen het lichaam te trappen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of

- die [slachtoffer 1] , terwijl hij op de grond lag, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (met kracht) (met geschoeide voet) te schoppen en/of trappen op/tegen zijn hoofd en/of op/tegen zijn lichaam, althans (heftig) (extern stomp inwerkend) geweld op/tegen de hals en/of het hoofd, althans het bovenlichaam, toe te passen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 juni 2020 te Maastricht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachte raad zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere zware verwonding(en) in/aan het hoofd (onder meer traumatisch hersenletsel en/of een traumatisch subduraal hematoom onder het harde hersensvlies), althans in/aan het lichaam, heeft toegebracht, door

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, (telkens) (met kracht) (met gebalde vuist) te slaan en/of te stompen op/tegen zijn (achter)hoofd en/of op/tegen zijn lichaam en/of die [slachtoffer 1] tegen het (boven)been, althans tegen het lichaam te trappen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of,

- die [slachtoffer 1] , terwijl hij op de grond lag, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (met kracht) (met geschoeide voet) te schoppen en/of te trappen op/tegen zijn hoofd en/of op/tegen zijn lichaam, althans (heftig) (extern stomp inwerkend) geweld op/tegen de hals en/of het hoofd, althans het bovenlichaam, toe te passen,

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 juni 2020 te Maastricht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen met voorbedachte raad [slachtoffer 1] heeft mishandeld door

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, (telkens) (met kracht) (met gebalde vuist) te slaan en/of te stompen op/tegen zijn (achter)hoofd en/of op/tegen zijn lichaam en/of die [slachtoffer 1] tegen het (boven)been, althans tegen het lichaam te trappen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of

- die [slachtoffer 1] , terwijl hij op de grond lag, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (met kracht) (met geschoeide voet) te schoppen en/of te trappen op/tegen zijn hoofd en/of op/tegen zijn lichaam, althans (heftig) (extern stomp inwerkend) geweld op/tegen de hals en/of het hoofd, althans het bovenlichaam, toe te passen,

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

2

hij op of omstreeks 27 juni 2020 te Maastricht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een TV en/of een computer en/of een alarmkast(je) en/of een telefoon en/of een portemonnee met inhoud (waaronder bankpassen en diverse pasjes), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Parketnummer 03/027122-20

1

hij op of omstreeks 16 januari 2020 te Eckelrade, gemeente Eijsden-Margraten

een portemonnee(met inhoud), in elk geval enig goed, dat geheel often dele aan

een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2

hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 16 januari 2020 te Maastricht

(telkens) een hoeveelheid geld (van in totaal ongeveer 40 euro), in elk geval enig

goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2]

, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft en/of die weg te nemen hoeveelheid geld onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van een valse sleutel, door onbevoegd gebruik te maken van de

pin-Zbetaalpas van die [slachtoffer 2] .

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit Algemeen dossier, een proces-verbaal van Districtsrecherche Zuid-West-Limburg, proces-verbaalnummer LB3R020119-149, gesloten d.d. 3 mei 2021, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 319, Zaaksdossier deel 1, een proces-verbaal van Districtsrecherche Zuid-West-Limburg, proces-verbaalnummer LB3R020119-152, gesloten d.d. 3 mei 2021, doorgenummerd van pagina 320 tot en met pagina 806, en Forensisch dossier, een proces-verbaal van Forensische opsporing Limburg, proces-verbaalnummer 2020100958-253, gesloten d.d. 15 december 2020, doorgenummerd van pagina 1138 tot en met pagina 1543.

2 Algemeen dossier, proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juni 2020, pagina’s 9 en 10.

3 Algemeen dossier, (aanvullend) proces-verbaal van verdenking d.d. 30 juli 2020, pagina 124.

4 Zaaksdossier deel 1, proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 juni 2020, pagina 390, in samenhang bezien met zaaksdossier 1, proces-verbaal van verdenking d.d. 29 juni 2020, pagina 368.

5 Forensisch dossier, proces-verbaal Eerste oriëntatie en fotografie maagdelijke plaats delict ( [adres] Maastricht) d.d. 7 juli 2020, pagina 1158.

6 Zaaksdossier deel 1, proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 augustus 2020, pagina 467, en forensisch dossier, proces-verbaal forensisch onderzoek d.d. 5 juli 2020, pagina 1186.

7 Zaaksdossier deel 1, proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2020, pagina 440.

8 Zaaksdossier deel 1, proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 juli 2020, pagina’s 428 tot en met 439.

9 Zaaksdossier deel 1, proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 juli 2020, pagina 406, in onderlinge samenhang bezien met zaaksdossier deel 1, proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 juli 2020, pagina 408.

10 Zaaksdossier deel 1, proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 augustus 2020, pagina 467.

11 Algemeen dossier, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 juli 2020, pagina 314.

12 Algemeen dossier, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 21 juli 2020, pagina 207.

13 Forensisch dossier, proces-verbaal forensisch onderzoek d.d. 5 juli 2020, pagina’s 1185 en 1186.

14 Forensisch dossier, een ander geschrift, te weten TMFI Deskundigenrapportage Forensisch DNA-onderzoek d.d. 9 juli 2020, pagina 1271, in samenhang bezien met forensisch dossier, een ander geschrift, te weten TMFI Deskundigenrapportage Forensisch DNA-onderzoek d.d. 18 augustus 2020, pagina 1305.

15 NFI-rapport Bloedspoorpatroononderzoek d.d. 13 januari 2022, niet doorgenummerd.

16 Forensisch dossier, proces-verbaal forensisch onderzoek woning d.d. 7 juli 2020, pagina 1441.

17 Forensisch dossier, proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 13 oktober 2020, pagina 1473.

18 Forensisch dossier, een ander geschrift, te weten TMFI Deskundigenrapportage Forensisch DNA-onderzoek d.d. 18 augustus 2020, pagina 1305.

19 Forensisch dossier, proces-verbaal aanvullend DNA-onderzoek d.d. 26 maart 2021, pagina‘s 1521 tot en met 1525, in samenhang bezien met forensisch dossier, een ander geschrift, te weten TMFI Deskundigenrapportage Forensisch DNA-onderzoek d.d. 15 februari 2021, pagina 1538

20 Algemeen dossier, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 8 juli 2020, pagina’s 184 tot en met 190.

21 Algemeen dossier, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 juli 2020, pagina’s 193 en 194.

22 Algemeen dossier, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 juli 2020, pagina’s 310 tot en met 315.

23 Forensisch dossier, een ander geschrift, te weten een Forensisch Geneeskundige Letselbeschrijving door forensisch arts M. van den Bongard van GGD Zuid Limburg d.d. 14 juli 2020, pagina’s 1306 tot en met 1311.

24 Forensisch dossier, een ander geschrift, te weten een rapport MUMC+ Forensische Radiologie d.d. 7 juli 2020, pagina’s 1325 en 1326.

25 Forensisch dossier, een ander geschrift, te weten een rapport MUMC+ Forensische Radiologie d.d. 7 juli 2020, pagina 1326.

26 Forensisch dossier, een ander geschrift, te weten een rapport MUMC+ Forensische Radiologie d.d. 7 juli 2020, pagina’s 1327 en 1328.

27 Forensisch dossier, een ander geschrift, te weten een rapport MUMC+ Forensische Radiologie d.d. 7 juli 2020, pagina 1328.

28 Forensisch dossier, een ander geschrift, te weten een rapport MUMC+ Forensische Radiologie d.d. 12 oktober 2020, pagina’s 1362 tot en met 1371.

29 Forensisch dossier, een ander geschrift, te weten een NFI voorlopig sectierapport d.d. 20 juli 2020, pagina 1380.

30 Forensisch dossier, een ander geschrift, te weten een NFI-rapport pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood d.d. 26 november 2020, pagina 1388.

31 Een ander geschrift, te weten een aanvullend bericht inzake NFI-zaaknummer 2020.07.17.051, sectienummer 2020-145, betreffende [slachtoffer 1] , geboren op [datum] 1972 d.d. 22 februari 2022, niet doorgenummerd.

32 Zaaksdossier deel 1, proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 juli 2020, pagina’s 417 en 418, in onderlinge samenhang bezien met zaaksdossier deel 1, proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 juli 2020, pagina 420, en zaaksdossier deel 1, een ander geschrift, te weten bijlage 2 van het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 augustus 2020, pagina 546.

33 Zaaksdossier deel 1, proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 augustus 2020, pagina 540, in onderlinge samenhang bezien met zaaksdossier deel 1, een ander geschrift, te weten bijlage 17 van het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 augustus 2020, pagina’s 569 en 570.

34 Zaaksdossier deel 1, proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 juli 2020, pagina’s 450 en 452.

35 Zaaksdossier deel 1, proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 december 2020, pagina’s 683 tot en met 686.

36 Zaaksdossier deel 1, proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] d.d. 29 juni 2020, pagina 717.

37 Zaaksdossier deel 1, proces-verbaal van verhoor getuige [naam 5] d.d. 1 juli 2020, pagina 783

38 Zaaksdossier 1, proces-verbaal van verhoor getuige [naam 6] d.d. 3 juli 2020, pagina 796.

39 Zaaksdossier 1, proces-verbaal van verhoor getuige [naam 7] d.d. 3 juli 2020, pagina 786.

40 Zaaksdossier 1, proces-verbaal van verhoor getuige [naam 8] d.d. 14 juli 2020, pagina 803.

41 Zaaksdossier 1, proces-verbaal van verhoor getuige [naam 9] d.d. 3 juli 2020, pagina 790.

42 Zaaksdossier 1, proces-verbaal van verhoor getuige [naam 10] d.d. 1 juli 2020, pagina’s 800 en 801.

43 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, District Zuid-West-Limburg, Basisteam Heuvelland, registratienummer PL2415-2020029573, gesloten d.d. 23 februari 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 48.

44 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] d.d. 21 januari 2020, pagina’s 18 en 19.

45 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 31 januari 2020, pagina’s 15 en 16.

46 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] d.d. 21 januari 2020, pagina’s 18 en 19.

47 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 31 januari 2020, pagina’s 15 en 16.