Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2022:1359

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-02-2022
Datum publicatie
08-03-2022
Zaaknummer
C/03/299461/ HA ZA 21-605
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet te laat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/299461 / HA ZA 21-605

Vonnis bij vervroeging van 16 februari 2022

in de zaak van

[opposant, verweerder in de incidenten] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

opposant, verweerder in de incidenten,

advocaat mr. N.M.F. Statnik,

tegen:

Nathalie Elisa Reina [geopposeerde, eiseres in de incidenten],

wonende te [woonplaats 2] ,

geopposeerde, eiseres in de incidenten,

advocaat mr. R.P.H.W. Haas.

Partijen zullen hierna [opposant, verweerder in de incidenten] en [geopposeerde, eiseres in de incidenten] genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de verzetdagvaarding met elf producties;

  • -

    de conclusie in oppositie tevens houdende een beroep op niet-ontvankelijkheid met zes producties;

  • -

    de op 19 januari 2022 door de rolrechter genomen beslissing dat sprake is van een incident en dat [opposant, verweerder in de incidenten] in dat incident mag antwoorden;

  • -

    de conclusie van antwoord in incident met een bijlage.

1.2.

Ten slotte is vonnis in het incident bepaald.

2 De feiten

2.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de incidentele vorderingen uit van het volgende.

a. Bij als productie 1 bij de verzetdagvaarding overgelegd verstekvonnis van 13 oktober 2021 met zaaknummer/rolnummer C/03/296037 / HA ZA 21-451 is de verdeling van de nalatenschap van de vader van [opposant, verweerder in de incidenten] en [geopposeerde, eiseres in de incidenten] , de enige twee erfgenamen, vastgesteld. Dit vonnis is op 25 oktober 2021 betekend aan [opposant, verweerder in de incidenten] in persoon (productie 1 conclusie in oppositie).

b. Bij op 3 november 2021 ter griffie ingediend verzoekschrift (bijlage bij het antwoord in het incident) heeft [opposant, verweerder in de incidenten] verlof gevraagd om ten laste van [geopposeerde, eiseres in de incidenten] beslag te mogen leggen op het aan [geopposeerde, eiseres in de incidenten] toekomende onverdeelde helft van de onroerende zaak behorende tot de nalatenschap van vader. Het verlof is verleend op 3 november 2021, waarbij is bepaald dat de hoofdzaak binnen 14 dagen na het beslag dient te worden ingesteld. Het beslag is gelegd op 9 november 2021 (productie 2 conclusie in oppositie).

c. De zich tegen het verstekvonnis richtende verzetdagvaarding is betekend op 23 november 2021.

3 De beoordeling van de incidentele vordering

3.1

De rolrechter heeft op 19 januari 2022 geoordeeld dat [geopposeerde, eiseres in de incidenten] met haar conclusie in oppositie tevens houdende een beroep op niet ontvankelijkheid gelet op de woorden “Voor alle rechten en weren: niet-ontvankelijkheid I en II” voor par. I meende een incident op te werpen. Hierbij zal de rolrechter hebben meegewogen dat [geopposeerde, eiseres in de incidenten] in de “bodem” in beginsel niet meer mocht concluderen. Met de dagvaarding leidend tot het verstekvonnis en de verzetdagvaarding had elke partij een inhoudelijk stuk genomen. Krachtens art. 131 Rv zou dan een mondelinge behandeling hebben moeten volgen. In dat stadium van het debat, dus op 19 januari 2022, is het (nog) niet aan de rolrechter om voorbij te gaan aan de mening van [geopposeerde, eiseres in de incidenten] omdat allereerst de regels van hoor en wederhoor in acht moeten worden genomen. Gelet daarop is [opposant, verweerder in de incidenten] in staat gesteld om een conclusie van antwoord in het incident te nemen.

3.2

Partijen hebben gedebatteerd, zodat nu kan worden bepaald wat de status is van de conclusie in oppositie. De vraag of een opposant tijdig verzet heeft ingesteld en het antwoord daarop betreft geen incident, maar een vraag die betreft de bodemprocedure zelf. Er is dus geen sprake van een incident, en aldus zal in het dictum worden geoordeeld.

4 De beoordeling in de bodem

4.1

De rechtbank begrijpt uit het feit dat partijen vonnis vragen over de vraag of het verzet tijdig is ingesteld, dat zij deze vraag beantwoord willen zien voordat de bodem wordt voortgezet en dat het hen hierbij om het even is of dat antwoord wordt gegeven in een vonnis onder het hoofd “incident” of onder het hoofd “de bodem”. Het geval van HR 16 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7886 doet zich daarmee niet voor.

4.2

Het verstekvonnis is aan [opposant, verweerder in de incidenten] in persoon betekend op 25 oktober 2021. Krachtens art. 143 Rv moet het verzet in dit geval worden ingesteld binnen vier weken (binnen 28 dagen) na 25 oktober 2021, dus uiterlijk op 22 november 2021. De verzetdagvaarding is betekend op 23 november 2021, zodat het verzet naar de regel van art. 143 Rv te laat is ingesteld.

4.3

[opposant, verweerder in de incidenten] heeft nog aangevoerd dat de rechter die het beslagverlof heeft verleend, de verzettermijn heeft verlengd omdat die rechter het beslagverlof heeft verleend onder de bepaling dat de hoofdzaak binnen 14 dagen na het beslag dient te worden ingesteld. De verzetdagvaarding is betekend binnen die 14 dagen. [opposant, verweerder in de incidenten] miskent met deze stelling dat het recht niet de regel kent dat een rechter die beslagverlof verleent, de verzettermijn van art. 143 Rv kan verlengen. Verder miskent [opposant, verweerder in de incidenten] dat die 14-dagentermijn alleen is geschreven voor de geldigheid van het beslag, en daarmee losstaat van de hoofdzaak. Indien die termijn niet wordt gehaald, vervalt het beslag. De hoofdzaak daarentegen kan in beginsel gewoon worden voortgezet. Tenslotte miskent [opposant, verweerder in de incidenten] dat zelfs als de rechter die beslagverlof verleent, een verzettermijn kan verlengen – hetgeen dus niet zo is – in elk geval in het verzoekschrift tot het leggen van beslag in voor die rechter voldoende duidelijke en expliciete bewoordingen om verlenging van de termijn van art. 143 Rv moet worden gevraagd. Wat dat betreft heeft [opposant, verweerder in de incidenten] zelfs nagelaten om in het op 3 november 2021 door zijn raadsman ondertekende verzoekschrift tot het leggen van beslag de datum te vermelden waarop het wel in dat verzoekschrift door [opposant, verweerder in de incidenten] genoemde verstekvonnis aan hem is betekend (zie nrs. 14 en 22 verzoekschrift beslag, bijlage bij conclusie van antwoord in incident). Dat in nr. 22 van het verzoekschrift tot het leggen van beslag is vermeld dat de “eis in de hoofdzaak geschiedt in de vorm van een verzetdagvaarding en zal niet later dan 22 november 2021 (4 weken na betekening vonnis), of een andere door u in goede justitie te bepalen termijn, ingesteld na het verlenen van verlof tot beslaglegging” maakt dit alles niet anders. Zonder duidelijk expliciet verzoek om verlenging van de verzettermijn, hoefde de beslagverlof verlenende rechter toen hij op 3 november 2021 beslagverlof verleende, geen rekening te houden met het feit dat pas zo laat beslag zou worden gelegd dat zijn 14-dagen termijn de verzettermijn zou overschrijden.

4.4

Al met al is het verzet te laat ingesteld. Gelet op dit oordeel heeft [geopposeerde, eiseres in de incidenten] geen belang meer bij beoordeling van haar stelling dat [opposant, verweerder in de incidenten] art. 3:301 lid 2 BW niet in acht heeft genomen.

De kosten van het verzet worden tussen partijen, broer en zus, gecompenseerd.

5 De beslissing

De rechtbank:

In het incident

5.1

verstaat dat geen sprake is van een incident;

in de hoofdzaak

5.2

verklaart dat het verzet ingesteld tegen het tussen partijen op 13 oktober 2021 gewezen verstekvonnis met zaaknummer/rolnummer C/03/296037 / HA ZA 21-451 te laat is ingesteld;

5.3

compenseert de kosten van dit verzet aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2022.