Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:945

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-01-2021
Datum publicatie
09-03-2021
Zaaknummer
ROE 21/13
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom voor het realiseren van een schutting op grond van de derde-partij. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe, omdat onduidelijk is of legalisatie mogelijk is indien de schutting anders wordt gesitueerd en minder hoog is, de schutting er al meer dan een halfjaar zonder problemen staat, de hoorzitting binnen afzienbare tijd zal plaatsvinden, verzoeker van de derde-partij niet tot verwijdering van de schutting hoeft over te gaan voordat is beslist op het bezwaar en verweerder zich ter zitting hiertegen niet heeft verzet.

Schorsing van het primair besluit tot 6 weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar. De eerder getroffen ordemaatregel wordt opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 21/13

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

28 januari 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker(gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenburg aan de Geul, verweerder
(gemachtigde: mr. E.M.J. Mobers).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: Waterschap Limburg, te Roermond

(gemachtigden: [naam gemachtigde 1] en [naam gemachtigde 2] ).

Procesverloop

In het besluit van 15 december 2020, verzonden 23 december 2020, (het primair besluit) heeft verweerder aan verzoeker een last opgelegd om binnen twee weken na dagtekening van het primair besluit een gerealiseerde schutting weg te halen, op straffe van een dwangsom van € 1.500,- per week met een maximum van tien weken.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 6 januari 2021 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij

wijze van ordemaatregel het verzoek voorlopig toegewezen en het primaire besluit van

15 december 2020 geschorst tot twee weken na de uitspraak op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2021.

Op deze zitting is de vraag aan de orde gesteld of de voorzieningenrechter (ambtshalve) toepassing moet geven aan artikel 8:87, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en de op 6 januari 2021 getroffen voorlopige voorziening moet opheffen of wijzigen.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. J.P. van Mulken, een kantoorgenoot van verzoekers gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening tot en schorst het primair besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- heft de bij uitspraak van 6 januari 2021 opgelegde schorsing van het primair besluit op;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan verzoeker te vergoeden.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

3. Verzoeker is eigenaar van het perceel met woning aan de [adres] te [plaats] . Op 22 juli 2020 is door twee opsporingsambtenaren van de gemeente Valkenburg aan de Geul geconstateerd dat om verzoekers perceel heen, op grond die in eigendom toebehoort aan de derde-partij, door verzoeker een schutting werd gerealiseerd. Verweerder heeft op dezelfde dag hiervoor een bouwstop opgelegd. Op

7 september 2020 is gebleken dat verzoeker in strijd met de bouwstop de schutting volledig heeft afgebouwd en geverfd. De schutting heeft een hoogte van ongeveer twee meter.

4. In het primair besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat de schutting in strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is gerealiseerd, omdat de schutting hoger is dan één meter, gebouwd is in de beschermingszone en het Waterschap Limburg een negatief advies heeft uitgebracht. Tevens voldoet de schutting niet aan de welstandscriteria als genoemd in de Welstandsnota bouwwerken 2020 van de gemeente Valkenburg aan de Geul. De schutting is niet legaliseerbaar en er zijn geen bijzondere omstandigheden bekend die het afzien van handhavend optreden rechtvaardigen.

5. Ter zitting is onder andere gebleken dat de derde-partij op 20 oktober 2020 heeft gesproken met verzoeker, waarbij verzoeker heeft aangegeven bereid te zijn om de schutting te verplaatsen. Indien dit gebeurt, is de derde-partij bereid de daarvoor vereiste toestemming te geven. Eveneens is ter zitting gebleken dat de hoorzitting in bezwaar al eind februari of uiterlijk begin maart a.s. zal plaatsvinden. Desgevraagd heeft de derde-partij, als eigenaar van de grond waarop de schutting is gerealiseerd, aangegeven dat verzoeker niet tot verwijdering van de schutting hoeft over te gaan voordat is beslist op het bezwaar. Verweerder heeft zich ter zitting hiertegen niet verzet. Gelet hierop, alsmede gelet op het gegeven dat de schutting er al meer dan een half jaar zonder problemen staat, onduidelijk is of legalisatie mogelijk is indien de schutting verder terug wordt geplaatst en/of in hoogte wordt teruggebracht tot één meter en de mogelijke gevolgen (de juiste wettelijke grondslag) van het nieuwe bestemmingsplan, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet toe te wijzen. Het primair besluit zal worden geschorst tot 6 weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

In dat licht wordt de bij uitspraak van 6 januari 2021 bij wijze van ordemaatregel toegewezen schorsing van het primair besluit opgeheven.

6. Verzoeker heeft ter zitting zijn verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten ingetrokken. Er is dus geen aanleiding voor een dergelijke kostenveroordeling. Verweerder dient wel het griffierecht aan verzoeker te vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Waarvan door de griffier is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de griffier en de voorzieningenrechter is ondertekend.

mr. P.M. van den Brekel (griffier)

mr. R.J.G.H. Seerden (voorzieningenrechter)

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: 5 februari 2021