Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:904

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-01-2021
Datum publicatie
20-02-2021
Zaaknummer
8727410 CV EXPL 20-4124
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mocht een werkgeefster gelet op de Xella-beslissing van de Hoge Raad een voorwaarde verbinden aan het beëindigingsvoorstel dat zij deed aan een werknemer met een slapend dienstverband?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2021/57
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8727410 CV EXPL 20-4124

Vonnis van de kantonrechter van 20 januari 2020 (bij vervroeging)

in de zaak van:

[eiseres] ,

wonend te [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. M.C.W.C. van Zon (FNV),

tegen:

de stichting

STICHTING MEANDERGROEP ZUID-LIMBURG,

gevestigd te Landgraaf,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. drs. C.A.H. Lemmens.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Meandergroep genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van de dagvaarding van 14 augustus 2020

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de brief waarin aan partijen is meegedeeld dat de kantonrechter een mondelinge behandeling heeft gelast

  • -

    de bij brief van 10 november 2020 namens [eiseres] ingebrachte bijlage

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 17 november 2020 met aangehechte pleitnota van [eiseres] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] werkte tien uur per week in dienst van Meandergroep als Hulp bij Huishouden toen zij op 15 juni 2016 wegens ziekte uitviel.

2.2.

Met ingang van 12 juni 2018 is aan [eiseres] door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend.

2.3.

Op 29 november 2019 heeft Meandergroep een brief aan [eiseres] gestuurd met onder meer de volgende inhoud:

“Onlangs heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan en hiermee duidelijkheid verschaft in de kwestie ‘slapende dienstverbanden’. Vanaf 1 april 2020 kunnen werkgevers compensatie bij het UWV aanvragen voor het betalen van een transitievergoeding c.q. ontslagvergoeding aan arbeidsongeschikte werknemers. Het niet willen betalen van deze ontslagvergoeding is om deze reden geen goed argument om de werknemer in dienst te houden, aldus de Hoge Raad.

U heeft een slapend dienstverband met Meander. Meander doet u bij deze een concept-voorstel om het dienstverband te beëindigen.

(…)

Wij willen u erop wijzen dat in uw geval, de transitievergoeding verlaagd wordt met ingang van 1 januari a.s. door nieuwe wetgeving die op dat moment in werking zal treden. Om voor de hogere vergoeding in aanmerking te komen, die in dit voorstel is verwerkt, zult u de definitieve vaststellingsovereenkomst nog dit jaar (in 2019) dienen te tekenen. (…).”

2.4.

In het concept-voorstel staat voor zover van belang:

“5. Werkgever kent aan werkne(e)m(st)er een beëindigingsvergoeding van € 9.316,55 toe.

(…)

De beëindigingsvergoeding wordt toegekend onder de voorwaarden dat:

(i) (…)

(ii) (…)

(iii) werkgever volledige compensatie verkrijgt voor de betaalde beëindigingsvergoeding als bedoeld in de Wet compensatie transitievergoeding (Stb. 2018, 234 resp. Stcrt. 2019, 10547) behoudens indien door eigen toedoen of nalaten van werkgever de compensatie door het UWV wordt geweigerd.”

2.5.

[eiseres] is niet akkoord gegaan met het beëindigingsvoorstel vanwege de voorwaarde van artikel 5 onder iii (hierna: de voorwaarde). Meandergroep was niet bereid afstand te doen van de voorwaarde.

2.6.

Per e-mail van 20 december 2019 heeft [naam] van FNV namens [eiseres] een concept-dagvaarding aan Meandergroep verzonden. Op 30 december 2019 heeft Meandergroep [naam] laten weten geen reden te zien de vaststellingsovereenkomst aan te passen.

2.7.

Op 25 juni 2020 heeft Meandergroep een nieuw voorstel gedaan aan [eiseres] . In het nieuwe voorstel was een beëindigingsvergoeding van € 5.075,62 opgenomen en stond de voorwaarde er niet meer in.

2.8.

[eiseres] ging hiermee niet akkoord omdat zij van mening was dat voor de berekening van de vergoeding de oude berekenwijze van 2019 moest worden gebruikt, zodat een vergoeding van € 9.316,55 moest worden geboden.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert in het licht van bovenstaande feiten en samengevat dat Meandergroep bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld tot betaling van:

  • -

    € 9.316,55 bruto uit hoofde van schadevergoeding op grond van artikel 7:611 BW jo. 6:74 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na betekening van dit vonnis,

  • -

    € 200,- exclusief btw ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat dit bedrag verschuldigd is,

  • -

    de proceskosten.

Volgens [eiseres] heeft Meandergroep zich niet als goed werkgever gedragen door aan het beëindigingsvoorstel van 29 november 2019 de voorwaarde te verbinden, zodat Meandergroep op grond van artikel 6:74 BW een schadevergoeding moet betalen ter hoogte van de transitievergoeding zoals die gold in 2019 onder de Wet werk en zekerheid (WWZ) en niet de transitievergoeding zoals die sinds 1 januari 2020 geldt onder de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB).

3.2.

Meandergroep voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De Hoge Raad heeft in de zogenoemde Xella-beslissing1 beoordeeld of een werkgever op grond van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW) gehouden is in te stemmen met een voorstel van de werknemer om een ‘slapend dienstverband’ (een dienstverband dat een werkgever na twee jaar arbeidsongeschiktheid van een werknemer niet heeft opgezegd, hoewel hij daartoe wel bevoegd is, en waarbij hij de werknemer geen loon meer betaalt) te beëindigen, onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer.

4.2.

Meandergroep heeft op 29 november 2019 – drie weken nadat de Xella-beslissing is gewezen – aan [eiseres] (en 187 van haar collega’s met een slapend dienstverband) een beëindigingsvoorstel gedaan, waarbij Meandergroep voorrang heeft gegeven aan 50-plussers omdat voor hen de per 1 januari 2020 in werking tredende WAB nadelig zou uitpakken. De kantonrechter gaat gelet op de beperkte tijd die is verstreken tussen het wijzen van de Xella-beslissing en Meandergroeps voorstel voorbij aan hetgeen [eiseres] naar voren heeft gebracht over de tijdigheid van het voorstel. Hierbij komt dat de Hoge Raad heeft geoordeeld over de plicht van een werkgever in te stemmen met een beëindigingsvoorstel van de werknemer, terwijl [eiseres] überhaupt geen beëindigingsvoorstel heeft gedaan aan Meandergroep.

4.3.

De centrale vraag die de kantonrechter moet beantwoorden is of Meandergroep de norm van goed werkgeverschap heeft geschonden door de voorwaarde op te nemen in het beëindigingsvoorstel.

4.4.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met de Wet compensatie transitievergoeding beoogd werd de gevolgen van cumulatie van financiële verplichtingen – te weten de verplichting om het loon bij ziekte twee jaar door te betalen en daarna een transitievergoeding te moeten betalen bij beëindiging van het dienstverband – voor werkgevers bij langdurige arbeidsongeschiktheid van werknemers weg te nemen door werkgevers compensatie toe te kennen tot het betaalde bedrag aan transitievergoeding, mits dat niet boven het bedrag aan doorbetaald loon uitkomt2 (en daardoor beëindiging van slapende dienstverbanden te bewerkstelligen3). Dat het de bedoeling van de wetgever was de cumulatie van financiële verplichtingen voor de werkgever zo verregaand mogelijk te beperken, blijkt bijvoorbeeld uit de volgende passage in de Memorie van Toelichting:

“Gelet op het voorgaande wordt voorgesteld werkgevers te compenseren voor (in beginsel) de betaalde transitievergoeding en de eventueel daarop in mindering gebrachte transitie- en inzetbaarheidskosten. Dit laatste om te voorkomen dat het in mindering brengen van deze kosten op de transitievergoeding tot gevolg heeft dat de compensatie lager wordt. De kosten in kwestie zou de werkgever in dat geval zelf dragen. Dat wordt – gelet op het doel van de regeling – niet redelijk geacht.”

4.5.

Volgens [eiseres] is de verplichting van de werkgever echter niet verbonden aan de (hoogte van) de compensatie. Zij verwijst naar r.o. 2.7.2. van de Xella-beslissing, waarin onder meer het volgende staat:

“De compensatieregeling en de voor invoering daarvan in de wetsgeschiedenis gegeven redenen brengen mee dat als norm van goed werkgeverschap in de zin van art. 7:611 BW geldt dat een ‘slapend dienstverband’ in beginsel behoort te worden beëindigd als de werknemer dat wenst en de werkgever geen redelijk belang heeft bij voortduring daarvan. Die norm brengt tevens mee dat in dat geval in beginsel door de werkgever aan de werknemer een vergoeding behoort te worden toegekend.

Anders dan in de prejudiciële vraag wordt verondersteld, dient voor de hoogte van die vergoeding niet te worden aangesloten bij de hoogte van het bedrag dat de werkgever ingevolge de compensatieregeling op het UWV kan verhalen.”

4.6.

Voorgaande betekent echter niet, zoals door [eiseres] wel betoogd, dat een werkgever ongeclausuleerd de transitievergoeding moest toekennen in een beëindigingsvoorstel (of eigenlijk: een ongeclausuleerd beëindigingsvoorstel van een werknemer met een slapend dienstverband moest accepteren). De Hoge Raad overweegt immers direct opvolgend aan voorgaande passage:

“Die door de werkgever te verkrijgen compensatie kan onder omstandigheden lager zijn dan het bedrag aan transitievergoeding waarop de werknemer recht zou hebben bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever. Dit is bijvoorbeeld het geval als het totale bedrag aan brutoloon dat de werkgever tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid heeft doorbetaald, lager is dan de wettelijke transitievergoeding (art. 7:673e lid 2 BW). Art. 7:673e BW beoogt slechts om met de geboden compensatie te voorkomen dat de kosten cumuleren die de werkgever heeft gemaakt door de loondoorbetaling tijdens arbeidsongeschiktheid en door de betaling van de transitievergoeding. Aan die strekking wordt recht gedaan indien de vergoeding die de werkgever aan de werknemer toekent ten minste gelijk is aan het bedrag aan transitievergoeding dat verschuldigd zou zijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de dag na die waarop de werkgever wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsovereenkomst zou kunnen (doen) beëindigen. Dit geldt ongeacht of de aanspraak van de werkgever bestaat in compensatie van het bedrag van het tijdens de arbeidsongeschiktheid doorbetaalde brutoloon of van het bedrag aan transitievergoeding.”

4.7.

Hieruit volgt niet, zoals [eiseres] lijkt te stellen, dat (de hoogte van) het recht op compensatie in het geheel geen rol speelt bij de vraag of een werkgever moet instemmen met een beëindigingsvoorstel van een werknemer met een slapend dienstverband. De Hoge Raad overweegt in het eerste deel weliswaar dat de verplichting tot instemming met een beëindigingsvoorstel van een werknemer met een slapend dienstverband ook geldt indien de compensatie lager zal zijn dan de te betalen beëindigingsvergoeding, maar noemt vervolgens enkel het geval waarin het door de werkgever tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid betaalde brutoloon lager was dan de wettelijke transitievergoeding. Dit sluit aan bij de wetsgeschiedenis en is ook begrijpelijk omdat ten aanzien van het verschil tussen het betaalde bruto loon en de transitievergoeding geen sprake is van cumulatie van financiële verplichtingen.

4.8.

De wetgever heeft bedoeld de werkgever te beschermen tegen cumulatie van financiële verplichtingen. Als zou worden aangenomen dat Meandergroep verplicht was de transitievergoeding ongeclausuleerd toe te kennen aan [eiseres] bestond het risico dat Meandergroep uiteindelijk wel met de door de wetgever ongewenst geachte cumulatie zou worden geconfronteerd, namelijk indien het UWV haar aanvraag voor compensatie zou afwijzen. Dit zou acceptabel zijn indien een zodanige afwijzing zou zijn toe te rekenen aan Meandergroep – en op grond van de door haar voorgestelde voorwaarde zou zij in dat geval de kosten ook zelf dragen – maar niet indien dat niet het geval zou zijn.

4.9.

Betekent dit dat Meandergroep de voorwaarde mocht voorstellen zoals zij heeft gedaan? De wetgever heeft immers ook het volgende overwogen4:

“Werknemers worden door de compensatiemaatregel niet geraakt. De transitievergoeding blijft verschuldigd; de werknemer houdt dus zijn aanspraak op de transitievergoeding en er worden geen rechten ontnomen of verminderd.”

4.10.

Het doel van de Wet compensatieregeling transitievergoeding wordt bereikt indien alles volgens het plan van de wetgever verloopt: beëindiging met wederzijds goedvinden onder toekenning van een vergoeding ter hoogte van de transitievergoeding en met compensatie van deze vergoeding (eventueel vermeerderd met de daarop in mindering gebrachte transitie- en inzetbaarheidskosten) of, indien dat lager is, het tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid doorbetaalde brutoloon. In dat geval wordt de werkgever immers niet geconfronteerd met een cumulatie van financiële verplichtingen, terwijl aan de werknemer geen rechten worden ontnomen of verminderd.

4.11.

Maar wat als de compensatie niet wordt toegekend? Dan vindt wel cumulatie plaats indien geen compensatievoorwaarde wordt opgenomen in het beëindigingsvoorstel of verliest de werknemer zijn aanspraak op een transitievergoeding indien wel een compensatievoorwaarde wordt opgenomen. Allebei de uitkomsten zijn onwenselijk geacht door de wetgever.

4.12.

Het was een kip-en-eiprobleem: Meandergroep kon in 2020 pas weten of ze gecompenseerd zou worden (de toekenningscriteria waren volgens het door [eiseres] niet-weersproken verweer van Meandergroep pas in 2020 bekend), terwijl zij volgens de Hoge Raad op grond van goed werkgeverschap pas verplicht was in te stemmen met een beëindigingsvoorstel als zij compensatie zou krijgen.

4.13.

Gelet op deze in 2019 nog bestaande onzekerheid kan niet worden geoordeeld dat Meandergroep de norm van goed werkgeverschap heeft geschonden door in november 2019 de voorwaarde te stellen. Het kan [eiseres] ook niet kwalijk worden genomen dat zij de voorwaarde niet accepteerde (gezien de wellicht ongunstige uitkomst van zo’n voorwaarde voor haar), maar dat maakt niet dat Meandergroep zich niet gedroeg als goed werkgever toen zij de voorwaarde stelde of toen zij geen afstand deed van de voorwaarde toen [eiseres] aangaf hiermee niet akkoord te kunnen gaan.

4.14.

Ook handelde Meandergroep niet in strijd met de vereisten van goed werkgeverschap toen zij in 2020 de lagere vergoeding (WAB) aanbood. Immers bestond er voor haar inmiddels geen recht meer op compensatie van het hogere bedrag (WWZ), dus als wel vereist wordt dat Meandergroep het hogere bedrag aan moet bieden zal wederom sprake zijn van cumulatie van financiële verplichtingen.

4.15.

Nu niet kan worden geoordeeld dat Meandergroep zich niet als goed werkgever heeft gedragen, bestaat er geen grond voor toekenning van een schadevergoeding. Dit betekent dat de vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen.

4.16.

[eiseres] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten van Meandergroep. Deze worden tot vandaag begroot op € 600,- aan salaris gemachtigde.

4.17.

De nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten en nakosten zullen worden toegewezen zoals hieronder in de beslissing verwoord.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst het door [eiseres] gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten van Meandergroep, tot vandaag begroot op € 600,-, bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na vandaag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag tot de dag van betaling,

5.3.

veroordeelt [eiseres] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door Meandergroep aan de proceskostenveroordeling voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 120,- aan salaris gemachtigde, bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na aanschrijving te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na aanschrijving tot de dag van betaling,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na betekening te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening tot de dag van betaling,

5.4.

verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth en in het openbaar uitgesproken.

type: GD

1 Beslissing van 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1734

2 Tweede Kamer, vergaderjaar 2017–2018, 34 699, nr. 6, blz. 5

3 Zie r.o. 2.7.2. van voornoemde Xella-beslissing en de conclusie van de Advocaat-Generaal onder overweging 15.1 (ECLI:NL:PHR:2019:899).

4 Tweede Kamer, vergaderjaar 2017–2018, 34 699, nr. 6, blz. 5