Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:8630

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-09-2021
Datum publicatie
19-11-2021
Zaaknummer
9282219 AZ VERZ 21-78
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet houdt stand. Verzoek van werknemer om vergoedingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1464
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer 9282219 AZ VERZ 21-78

Beschikking van de kantonrechter d.d. 9 september 2021

in het verzoek van

[verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] ,

wonend in [woonplaats] , aan de [adres 1] ,

verzoekende partij,

verweerder in het tegenverzoek,

gemachtigde mr. P.J.C. Bolton

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] .,

gevestigd en kantoorhoudend in [vestigingsplaats] , aan de [adres 2] ,

verwerende partij,

verzoeker in het tegenverzoek,

gemachtigde mr. S.T.W. Verhaagh.

Partijen worden hierna [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] en [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 29 juni 2021 ter griffie ontvangen verzoekschrift

  • -

    het verweerschrift, tevens inhoudend een tegenverzoek

  • -

    de nagekomen productie van de zijde van [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] , zijnde een usb-stick met beeldmateriaal

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting d.d. 25 augustus 2021.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] is sinds 3 april 2018 krachtens arbeidsovereenkomst (bijlage 1 bij het verzoekschrift) voor onbepaalde tijd in dienst van [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] in de functie van Eerste auto technicus met APK bevoegdheid / diagnose specialist tegen een (laatstverdiend) loon van

€ 3.370,74 bruto per maand exclusief emolumenten.

2.2.

Op 26 april 2021 heeft [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] op staande voet ontslagen tijdens een persoonlijk gesprek met de beide directeuren [naam directeur 1] en [naam directeur 2] . Het ontslag is per brief van diezelfde datum aan [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] bevestigd. De brief luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

Geachte Heer [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] ,

Via deze weg bevestig ik het ontslag op staande voet, zoals wij jou dat gisteren hebben aangezegd. De reden hebben wij gisteren meteen aan je medegedeeld en was jou ook duidelijk. Het gaat om het volgende:

Afgelopen Woensdag 21 april heeft zich een voorval voorgedaan met een auto, een Opel Corsa, die wij voor onderhoud hier hadden. [naam] had aan deze auto gewerkt en heeft daarna de auto buiten neergezet. De auto vertoonde geen mankementen. Hij heeft de sleutel zoals te doen gebruikelijk bij het tankstation afgegeven.

Rond 16.00 uur komt de eigenaar van de Corsa deze ophalen. Binnen 2 minuten is hij alweer terug, omdat het olielampje aan staat. Dan blijkt er ook een grote plas olie op de plek te liggen waar de auto was geparkeerd. De carterplug ligt daar ook nog.

Omdat er de laatste tijd meer vreemde dingen zijn gebeurd met auto’s die wij hier hebben gehad, hebben wij de beelden van die middag bekeken. Daarop is te zien dat jij rond 14.00 uur een zwarte Opel Antara links van onze garage parkeert, aan de overkant van de weg. Je stapt uit en loopt achter een aantal andere auto’s langs, rechtstreeks naar de Opel Corsa waar [naam] eerder aan gewerkt had. Je bukt en voert een handeling uit. Je staat daarna op, loopt terug naar de Antara en steekt daar de straat weer over. Later blijkt dus dat de carterplug (die nog intact was) losgedraaid te zijn, waardoor de olie uit de Corsa is gelopen.

Wij hebben jou eerst gevraagd of je bij de Corsa geweest was. Dat heb je ontkend. Daarna hebben wij je de beelden laten zien, waarna je niet meer kon ontkennen. Op de vraag wat je daar bij de auto deed, heb je niets andere gezegd dan “ik weet het niet, ik weet het niet.”

De laatste tijd zijn al meer vreemde dingen gebeurd, “toevallig” steeds als [naam directeur 1] en ik er niet waren.

Op 22 April was er – na de vervanging van een stang – een storing in de stuurbekrachtiging van een BMW X-5. [naam directeur 1] ontdekte dat er diep onder de wielkast een kabel was doorgeknipt.

Op 8 April spuit een inruilauto na vervanging van de distributieriem olie aan de zijkant van de motor Ook hier bleek een bout losgedraaid te zijn. Dat was zeker niet gebeurd bij het vervangen van de distributieriem , dus ook toen is er een aparte handeling verricht om die los te draaien.

Op 6 April heeft een Opel Astra precies hetzelfde probleem als de Corsa van Woensdag. Ook toen geen spoor olie vanuit de werkplaats tot bij de auto, maar wel een grote plas olie onder de auto en een losse carterplug.

Begin Maart is er een nagenoeg nieuwe Opel Grandland Hybride bij ons binnengebracht voor een software update. De auto was bij binnenkomst helemaal in orde. Jij hebt aan deze auto gewerkt en sindsdien loopt hij niet meer. De auto is in onderzoek gegeven bij Opel Nederland. Wij hebben deze week te horen gekregen dat er met deze auto geknoeid is, waardoor de auto dus niet meer rijdt.

De bevestigende e-mail en de foto’s hebben wij als bewijs.

En verder is er begin Maart nog een Opel Vivaro binnengekomen voor een onderhoud.

Bij het wegrijden deed de dasbord erlichting het niet meer.

[naam directeur 1] ontdekt dat er een zekering miste. Die lag kapotgebroken in een bakje.

Wij hebben jou gevraagd of jij ook achter deze voorvallen zit. Je hebt dat niet ontkend. Uit je houding hebben wij afgeleid dat jij hier inderdaad ook verantwoordelijk voor bent. Een verklaring kon je niet geven.

Ieder van deze voorvallen op zichzelf is een dringende reden voor een ontslag op staande voet en dat geldt des te meer voor al deze voorvallen tezamen. Het is overduidelijk dat je moedwillig diverse auto’s gesaboteerd hebt, met alle gevolgen van dien. De beelden van Woensdag spreken - samen met de lekkage - voor zich.

(…)

Wij hebben je om een verklaring gevraagd. Die is er niet gekomen.

Gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder ook jouw persoonlijke omstandigheden, en de verschillende belangen tegen elkaar afwegend, komen wij tot de conclusie dat ons geen andere keuze rest dan direct afscheid van je te nemen. (…)”

2.3.

[verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] heeft het loon over de hele maand april 2021 aan [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] uitbetaald.

3 De verzoeken en het geschil

in het verzoek

3.1.

[verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] verzoekt een verklaring voor recht inhoudend dat [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd in strijd met art. 7:671 BW juncto 7:677 BW, maar berust verder in het gegeven dat de arbeidsovereenkomst door die - in zijn optiek onterechte - opzegging is beëindigd (hij verzoekt niet de vernietiging van de opzegging).

Daarnaast verzoekt hij de veroordeling van [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] tot betaling van:

  1. € 3.827,66 bruto transitievergoeding met rente

  2. € 3.370,74 bruto vergoeding wegens onregelmatige opzegging met rente

  3. € 15.080,84 billijke vergoeding met rente

  4. € 6.000,00 vergoeding van immateriële schade,

een en ander onder verwijzing van [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] in de proceskosten.

3.2.

[verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] betwist niet dat hij degene is die op de in het geding gebrachte beeldmateriaal te zien is, zodat dit in deze procedure vaststaat. Volgens hem heeft hij de carterplug niet moedwillig losgedraaid, maar heeft hij slechts het werk van [naam] , de collega monteur die aan de Corsa gewerkt had, willen controleren. [naam] was namelijk een nieuw aangenomen monteur en er waren reeds diverse voorvallen geweest met olielekkages. Die controle heeft hij - kennelijk - niet goed uitgevoerd, maar een verdergaand verwijt aan zijn adres is onterecht, aldus [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] .

[verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] ontkent voorts betrokken te zijn bij de andere voorvallen die hem in de ontslagbrief verweten worden.

3.3.

Volgens [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] was er sprake van een dringende reden voor het onverwijlde ontslag en zij handhaaft hetgeen in de ontslagbrief daaromtrent is geschreven. Indien de carterplug niet goed zou zijn ingedraaid door [naam] , dan zou er onder meer een oliespoor vanuit de garage naar de overkant van de straat (waar de auto werd geparkeerd) zichtbaar moeten zijn, hetgeen niet het geval is. Bovendien zou het [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] tijdens zijn vermeende controle dan opgevallen moeten zijn dat de auto olie lekte. [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] heeft nimmer, niet tijdens het gesprek op 26 april 2021, maar ook daarna niet en zelfs niet in het verzoekschrift, expliciet ontkend dat hij de carterplug heeft losgedraaid (slechts dat hij dat “moedwillig” heeft gedaan).

in het tegenverzoek

3.4.

[verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] verzoekt een verklaring voor recht inhoudende dat de onverwijlde opzegging wegens een dringende reden rechtsgeldig is gegeven en dat [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] derhalve geen transitievergoeding toekomt.

Daarnaast verzoekt zij de veroordeling van [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] tot betaling van € 4.964,18, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der indiening van het verweerschrift tot aan de dag van voldoening, een en ander onder verwijzing van [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] in de proceskosten en de nakosten. Het bedrag van € 4.964,18 is als volgt opgebouwd:

€ 4.302,29 vergoeding wegens onregelmatige opzegging

€ 661,89 onverschuldigd betaald loon over de periode 27 tot en met 30 april 2021.

3.5.

Nu [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] aan [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] een dringende reden heeft gegeven om tot ontslag op staande voet over te gaan, is hij aan [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] een vergoeding ex art. 7:677 lid 2 en 3 verschuldigd.

4 De beoordeling

in het verzoek

4.1.

Zoals ook uit de tekst van de hiervoor geciteerd ontslagbrief volgt, was de directie van [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] inmiddels alert geworden na een reeks van onverklaarbare, ernstige mankementen aan ter reparatie of onderhoud aangeboden auto’s. Op 21 april 2021 wordt opnieuw een ernstige en onverklaarbare olielekkage aan een aan de overkant van de weg geparkeerde Opel Corsa geconstateerd. De carterplug bleek losgedraaid en lag op de grond. In de werkplaats hangen geen camera’s. Gezien de positie van de auto viel deze echter wel binnen het bereik van de camera’s van het tankstation, behorende bij het garagebedrijf. Op die beelden, die door [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] in het geding zijn gebracht, is goed te zien dat [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] , nadat hij zelf een andere auto aan de overkant van de weg heeft geparkeerd, doelbewust naar deze Opel Corsa toeloopt, aan de voorkant van die auto knielt, onder de auto kijkt en vervolgens met zijn linkerarm onder die auto reikt en een handeling verricht.

4.2.

Nog los van zijn aanvankelijke ontkenning dat hij ook maar in de buurt van de betreffende auto was geweest, mag in deze zaak van een werknemer als [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] toch op zijn minst een aanvaardbare verklaring worden verwacht voor zijn gedrag rond die bewuste auto op 21 april 2021. Eerst bij verzoekschrift heeft [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] daarover verklaard dat hij het werk van zijn collega-monteur [naam] controleerde, juist vanwege de reeks eerdere incidenten. Hoogstens kan hem worden verweten dat hij dat kennelijk slordig had gedaan. In diens verzoekschrift schrijft [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] deze incidenten ook toe aan slordigheden, kennelijk van deze andere monteur. Die lezing wordt door [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] gemotiveerd betwist.

4.3.

Vast staat dat [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] geen opdracht had gekregen om het werk van zijn collega te controleren, terwijl gesteld noch gebleken is dat er enige aanleiding was om juist deze auto te gaan controleren en dan ook nog alleen op een mogelijke olielekkage. Bovendien werd er geen oliespoor van de werkplaats naar de parkeerplaats aan de overzijde van de straat aangetroffen, hetgeen wél kon worden verwacht als deze lekkage al in de werkplaats was veroorzaakt. Dát [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] de carterplug heeft losgedraaid, heeft hij - zoals [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] terecht opmerkt - ook in het verzoekschrift (en zelfs ter zitting) niet expliciet ontkend.

4.4.

De verklaring die [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] voor zijn op camera vastgelegde gedrag eerst in het kader van deze procedure geeft, acht de kantonrechter ongeloofwaardig. Als [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] al specifiek op een olielekkage had willen controleren, dan is het onbestaanbaar dat een monteur met zijn kennis en ervaring een missende of zelfs maar losgedraaide carterplug zou hebben gemist, zeker nu dat het enige was waarop hij zich kennelijk richtte. Dat hem slechts verweten zou kunnen worden dat hij slechts ‘slordig’ zou hebben gecontroleerd, is dan ook geen aanvaardbaar verweer in het licht van de context.

4.5.

Verder had het voor de hand gelegen dat [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] al tijdens het gesprek met beide directieleden op 26 april 2021 had aangegeven de auto juist op gebreken te hebben willen controleren. Hij gaf destijds echter geen enkele verklaring voor zijn gedrag. Desgevraagd heeft [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] tijdens de zitting daaromtrent slechts gesteld dat hij zich tijdens dat gesprek onder druk gezet voelde. Het was een ‘onprettig gesprek’, aldus [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] , maar dat verklaart op zichzelf niet dat hij zich de reden van zijn handelen tijdens het gesprek - zelfs nadat hem de camerabeelden getoond werden - niet kon herinneren.

4.6.

De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat het [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] was, die deze olielekkage moedwillig heeft veroorzaakt. Naar de redenen van dit gedrag kan men slechts gissen.

4.7.

Op grond van bovenstaande overwegingen dient de conclusie te luiden dat [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] zijn werkgever een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. Het verzoek van [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] zal daarom integraal worden afgewezen.

in het tegenverzoek

4.8.

Gelet op de overwegingen in het verzoek, zal de verzochte verklaring voor recht worden toegewezen. Op grond daarvan is ook de verzochte veroordeling tot betaling van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging, die qua omvang onweersproken is gelaten en in ieder geval met inachtneming van de juiste opzegtermijn (tot en met 31 mei 2021) is berekend, toewijsbaar, inclusief de daarover gevorderde rente.

4.9.

Dat het loon over de gehele maand april 2021 is uitbetaald, is onbetwist gelaten en staat daarmee in deze procedure tussen partijen vast. Nu de arbeidsovereenkomst op

26 april 2021 rechtsgeldig is geëindigd staat daarmee tevens vast dat het loon periode 27 tot en met 30 april 2021 onverschuldigd is betaald. Ook dit onderdeel zal derhalve inclusief de daarover gevorderde rente worden toegewezen.

in het verzoek en in het tegenverzoek

4.10.

[verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] tot de datum van deze beschikking begroot op € 747,00 aan salaris gemachtigde.

4.11.

De door [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] gevorderde nakosten zullen op de hierna in de beslissing weergegeven wijze worden toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter

in het verzoek

5.1.

wijst het verzoek af;

in het tegenverzoek

5.2.

verklaart voor recht dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op

26 april 2021 door [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] rechtsgeldig onverwijld is opgezegd wegens een dringende reden;

5.3.

veroordeelt [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] om aan [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] € 4.964,18 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der indiening van het verweerschrift tot aan de dag van voldoening;

in het verzoek en in het tegenverzoek

5.4.

veroordeelt [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] tot de datum van deze beschikking begroot op € 747,00;

5.5.

veroordeelt [verzoeker, verweerder in het tegenverzoek] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen twee weken na aanschrijving door [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek] volledig aan de veroordelingen onder 5.3. en 5.4. voldoet, tot betaling van de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op € 124,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van die betekening;

5.6.

verklaart de veroordelingen onder 5.3., 5.4. en 5.5. uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.H.J. Otto en is in het openbaar uitgesproken.

RK