Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:8187

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-10-2021
Datum publicatie
12-11-2021
Zaaknummer
C/03/263244 / HA ZA 19-206
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bomen op erfgrens; vernieuwing scheidsmuur

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/263244 / HA ZA 19-206

Vonnis bij vervroeging van 27 oktober 2021

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. M.J.M.H. Nass ,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. R.G.P. Voragen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met drie producties,

  • -

    de conclusie van antwoord,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie gehouden op 23 augustus 2019,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie gehouden op 15 oktober 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

Bij de beoordeling wordt uitgegaan van de volgende aangevoerde feiten die vaststaan omdat zij zijn erkend of onvoldoende betwist.

a. Partijen zijn buren van elkaar

b. Op de grens van de twee percelen van partijen staat een scheidsmuur.

c. Op de grens van de twee percelen of op het perceel van [gedaagde] en binnen de twee meter van de grens, staan bomen.

3 Het geschil

3.1.1

[eiseres] vordert na intrekking ter zitting van 15 oktober 2021 van het in het petitum sub 5 en 6 van de dagvaarding gevorderde, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. een voorlopig deskundigen bericht gelast;

2. [gedaagde] veroordeelt om binnen drie weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis primair de aanwezige bomen op de erfgrens te verwijderen en verwijderd te houden, subsidiair de overhangende beplanting en wortels te verwijderen en verwijderd te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen;

3. [gedaagde] veroordeelt schadevergoeding te voldoen door de rechtbank in goede justitie te bepalen, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te

vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf de bedoelde

termijn voor voldoening;

4. [gedaagde] veroordeelt mee te werken aan het plaatsen van een nieuwe erfafscheiding binnen drie weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis zulks op straffe van

een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan dit

vonnis te voldoen;

5. ( oorspronkelijk sub 7 petitum) [gedaagde] veroordeelt in de buitengerechtelijke kosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over dc proceskosten te rekenen vanaf de bedoelde termijn voor voldoening;

6. ( oorspronkelijk sub 8 petitum) [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure met inbegrip van de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf de bedoelde termijn voor voldoening.

3.1.2

[eiseres] voert aan dat tussen het perceel van partijen op de erfgrens of op het erf van [gedaagde] maar binnen twee meter van de grens, bomen staan in strijd met art. 5:42 BW. De betreffende bomen moeten worden verwijderd. Op de grens tussen het perceel van partijen staat verder een muur die scheef is gedrukt door boomwortels en verder in zo’n slechte staat verkeert, dat deze moet worden vervangen.

3.2

[gedaagde] voert aan dat de bomen geen overlast veroorzaken. Zij is verder van mening dat de vordering tot verwijdering van de bomen is verjaard. De muur is niet gebrekkig, en voor zover dit wel zo is, komt dit omdat [eiseres] eigenhandig en zonder toestemming klimop van de muur heeft verwijderd.

4 De beoordeling

4.1

De wet biedt niet de mogelijkheid om in een bij dagvaarding ingeleide bodemprocedure een voorlopig deskundigenbericht te gelasten. Vordering 1 wordt daarom afgewezen.

4.2.1

[gedaagde] heeft niet betwist dat op de perceelsgrens bomen staan. Het antwoord op de vraag of op haar perceel, maar binnen twee meter van de grens, ook bomen staan is niet relevant. In petitum sub 2 wordt immers alleen melding gemaakt van “de aanwezige bomen op de erfgrens”.

4.2.2

Het enkele feit dat bomen op de erfgrens staan, levert strijd op met art. 5:42 BW, zodat vordering sub 2 in beginsel voor toewijzing gereed ligt. Voor zover [gedaagde] heeft aangevoerd dat de bomen niet veel last veroorzaken, is dat niet relevant omdat de enkele toestand dat de bomen op de grens staan, het recht geeft verwijdering te vorderen. Voor zover dit recht kan worden misbruikt, heeft [gedaagde] geen feiten aangevoerd waaruit een dergelijk misbruik kan worden gedestilleerd.

4.2.3

In haar conclusie van antwoord heeft [gedaagde] zonder enige verfeitelijking aangevoerd dat de vordering tot het eventueel verwijderen van de bomen is verjaard en heeft daarvan uitdrukkelijk bewijs aangeboden. Voordat tot bewijslevering kan worden overgegaan, moeten er feiten zijn gesteld, die zich voor bewijslevering lenen. De stelling dat sprake is van verjaring is niet een bewijsbaar feit. Wel bewijsbaar zijn feiten op grond waarvan de rechter tot het oordeel kan komen dat sprake is van verjaring. Dergelijke feiten zijn in de conclusie van antwoord niet aangevoerd. Tijdens de comparitiezitting heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat de bomen er al 20 of 30 of 40 jaar staan. Die losse opmerking is met niets onderbouwd. [gedaagde] had echter talloze mogelijkheden om die stelling te onderbouwen. Zo had zij kunnen overleggen een of meer foto’s van meer dan 20 jaar geleden of een rapport van een boomdeskundige omtrent de oudheid van de bomen of een of meer schriftelijke verklaringen van mensen die zelf hebben gezien wat de situatie ter plekke 20 jaar of langer geleden was. Bij gebreke van voldoende onderbouwing van de stelling dat de bomen er al 20 jaar of langer staan, wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Al met al wordt vordering sub 2 dan ook toegewezen. [gedaagde] zal een redelijke termijn van drie maanden, worden gegund om tot verwijdering over te gaan. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd.

4.3

De rechtbank begrijpt dat vordering sub 3 een uitvloeisel is van vordering sub 2. Krachtens art. 5:42 lid 4 BW kan ter zake een volgens dit artikel ongeoorloofde toestand alleen schadevergoeding worden toegewezen, indien het betreft schade die is ontstaan na het tijdstip waartegen tot opheffing van die toestand is aangemaand. [eiseres] heeft ter zake haar vordering sub 3 niet duidelijk gemaakt dat sprake is van dergelijke schade. Vordering 3 wordt daarom afgewezen.

4.4

Uit de door [eiseres] overgelegde foto’s blijkt dat de toestand van de scheidsmuur zo slecht is dat er noodzaak voor vernieuwing van de scheidsmuur bestaat. De vraag of de slechte toestand van de muur is veroorzaakt omdat [eiseres] klimop tegen en op de muur heeft verwijderd, is niet relevant. Het staat [eiseres] vrij de klimop aan haar zijde van (mandelige) scheidsmuur te verwijderen. Het antwoord op voornoemde vraag is pas relevant als voldoende onderbouwd wordt aangevoerd dat [eiseres] een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt dat zij die klimop onvoldoende zorgvuldig heeft verwijderd, waardoor de scheidsmuur in een slechte toestand is gaan verkeren. Die stelling is niet door [gedaagde] betrokken. Indien overigens een dergelijke stelling wordt betrokken, dient deze stelling naar behoren te zijn onderbouwd. De vordering ligt voor toewijzing gereed. [gedaagde] zal een redelijke termijn worden gegund alvorens zij moet meewerken. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd.

4.5

Het is de rechtbank niet gebleken dat andere kosten zijn gemaakt dan kosten die alleen zijn gemaakt om [gedaagde] te wijzen op hetgeen volgens [eiseres] rechtens juist is dan wel kosten ter voorbereiding van deze procedure. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.

4.6

[eiseres] heeft, gelet op het voorgaande, te gelden als de grotendeels in het gelijk gestelde partij. Dit betekent dat [gedaagde] zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Die worden aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 297,- aan griffierecht, € 101,05 kosten betekening dagvaarding en € 1.689,- (1 punt dagvaarding en 2 punten voor de twee zittingscomparities) voor salaris advocaat, in totaal € 2.087,05.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1

veroordeelt [gedaagde] om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis de aanwezige bomen op de erfgrens te verwijderen en verwijderd te houden binnen drie maanden na betekening van dit vonnis zulks op straffe van een dwangsom van € 50,- per dag voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen met een maximum van € 7.500,-;

5.2

veroordeelt [gedaagde] mee te werken aan het plaatsen van een nieuwe erfafscheiding binnen drie maanden weken na betekening van dit vonnis zulks op straffe van

een dwangsom van € 50,- per dag voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan dit

vonnis te voldoen met een maximum van € 7.500,-;

5.3

veroordeelt [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op € 2.087,05, met inbegrip van de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, en – voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen niet de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf de bedoelde termijn voor voldoening;

5.4

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2021.