Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:8105

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-10-2021
Datum publicatie
25-03-2022
Zaaknummer
ROE 21/531 V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft beroep ingesteld wegens niet tijdig beslissen op haar verzoek om inzage (op grond van artikel 7.3.10 van de Jeugdwet en/of artikel 15 van de Avg) in de afgesloten huipverleningsdossiers van haar beide zonen. De rechtbank heeft zich (kennelijk) onbevoegd verklaard om op het beroep te

beslissen. Uit de wet volgt namelijk dat verweerder in beide gevallen niet als bestuursorgaan beslist.

Beide zonen kunnen zich met een inzageverzoek tot verweerder wenden of eiseres daartoe machtigen. Als dit niet tot de gewenste inzage leidt kunnen eiseres dan wel haar zonen zich wenden tot de door de vet voor deze geschillen aangewezen burgerlijke rechter. De rechtbank heeft het verzet van eiseres ongegrond verklaard. De buiten-zittingsuitspraak blijft in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

Zaaknummer: ROE 21/531 V


Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2021 op het verzet van

[opposante] , te [woonplaats] , opposante.

Procesverloop

Opposante heeft bij Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg inzage verzocht in de afgesloten hulpverleningsdossiers van haar beide zonen. Opposante is van oordeel dat niet tijdig op voormeld verzoek is beslist. Daarom heeft zij beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij uitspraak van 17 mei 2021 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard.

Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

De rechtbank heeft het verzet op 27 september 2021 op zitting behandeld. Opposante is verschenen. De Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] .

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft zich kennelijk onbevoegd geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat niet de bestuursrechter maar de civiele rechter bevoegd is om te oordelen over het inzageverzoek.

2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

3. Opposante voert (kort samengevat) tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat zij de bestuursrechter wel bevoegd acht om over het inzageverzoek te oordelen onder meer omdat geopposeerde per 1 januari 2015 onder het takenpakket van de gemeente valt en dat daarmee het civiele jeugdbeschermingsrecht de nodige bestuursrechtelijke aspecten heeft gekregen. Opposante stelt verder dat geopposeerde bij het nemen van (schriftelijke) beslissingen als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Awb is aan te merken. Hieronder vallen volgens opposante ook beslissingen in het kader van de Jeugdwet die volgens haar door de rechter, naast toetsing aan het civiele recht, ook aan het algemene bestuursrecht moeten worden getoetst.

4. Geopposeerde heeft aangegeven de door de rechtbank in de uitspraak van 17 mei 2021 vastgestelde grond van het inzageverzoek te onderschrijven en stelt verder dat zij in deze kwestie ingevolge artikel 7.3.17 van de Jeugdwet niet als bestuursorgaan kan worden aangemerkt. Dit maakt volgens geopposeerde dat de bestuursrechter niet bevoegd is om te oordelen. Geopposeerde verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Raad van State van 21 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:983). Geopposeerde acht de onbevoegd verklaring van de rechtbank en de verwijzing naar de civiele rechter terecht.

5. In de uitspraak van 17 mei 2021 heeft de rechtbank vastgesteld dat geopposeerde het inzageverzoek terecht heeft opgevat als een verzoek op grond van de inzageregeling in de Jeugdwet en/of de Algemene verordening gegevensbescherming (Avg). In verzet is deze vaststelling door opposante niet bestreden. De cruciale vraag in deze kwestie is daarom of geopposeerde bij beslissingen over inzageverzoeken conform de Jeugdwet en/of Avg is aan te merken als een bestuursorgaan en of daarmee de toepasselijkheid van het bestuursrecht is gegeven. In de uitspraak van 17 mei 2021 heeft, onder verwijzing naar de relevante wetsartikelen en jurisprudentie, de rechtbank naar het oordeel van de verzetrechter terecht aangegeven waarom het bestuursrecht geen rechtsingang biedt voor de beoordeling van deze kwestie en dat uitsluitend de civiele rechter bevoegd is om te oordelen over geschillen inzake inzageverzoeken op grond van de Jeugdwet en/of Avg.

6. In wat opposante heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 17 mei 2021. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van R.A.H. Viester, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 28 oktober 2021

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.