Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:8027

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-10-2021
Datum publicatie
05-11-2021
Zaaknummer
C/03/279974 / HA ZA 20-359
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2021:6164
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis waarin uit hooofde van een kredietovereenkomst de vordering van de bank wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/279974 / HA ZA 20-359

Vonnis van 20 oktober 2021

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. T.J.P. Jager te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

P1 MANAGEMENT GROUP B.V.,

gevestigd te Heerlen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ANTARIO IMPORT/EXPORT AUTOHANDEL B.V.,

gevestigd te Heerlen,

gedaagden,

advocaat mr. R.J.H.M. Crombaghs te Heerlen.

Partijen zullen hierna “ING” en “P1” en “Antario” genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 28 juli 2021,

  • -

    de akte aan de zijde van ING met productie 24,

  • -

    de antwoordakte aan de zijde van P1 en Antario.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 28 juli 2021 (hierna: “het tussenvonnis”) heeft de rechtbank geoordeeld dat ING een vordering op P1 toekomt en dat zij bij brief van 27 februari 2018 door middel van mededeling een openbaar pandrecht heeft gevestigd op de vordering die P1 heeft op Antario. Gelet daarop dient Antario het bedrag van de vordering van ING op P1 – voor zover de vordering van P1 op Antario daarvoor dekking biedt – te voldoen aan ING. De rechtbank heeft ING voorts in de gelegenheid gesteld om bij akte de omvang van de vordering op P1 nader inzichtelijk te maken. P1 en Antario zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om daarop bij antwoordakte te reageren.

2.2.

ING heeft bij akte een bankafschrift “zakelijke rekening” (productie 24 bij akte) overgelegd, waarop de mutaties op de rekening met nummer [rekeningnummer] tussen 6 oktober 2016 en 5 februari 2018 zijn weergegeven. Onder verwijzing naar dat bankafschrift is door ING in haar akte gesteld dat het negatieve saldo op de rekening in die periode is opgelopen van € 76.227,49 naar € 89.117,26 door contractueel verschuldigde debetrentes, kredietprovisies, overschrijdingsprovisies en kosten zakelijk betalingsverkeer. De rekening is op 23 januari 2018 opgeheven en het tekort is overgeboekt naar de incassogemachtigde van ING, Vesting Finance. Na die datum heeft er nog een mutatie plaatsgevonden, waardoor de hoofdsom is uitgekomen op € 88.699,10. Voor dit laatste bedrag is P1 aangeschreven bij brief van 27 februari 2018 (productie 14 bij dagvaarding), aldus ING.

2.3.

In haar akte heeft ING haar vordering verminderd. De gevorderde hoofdsom van
€ 88.699,10 is verlaagd naar € 86.839,38. Daartoe stelt ING dat in de hiervoor bedoelde mutaties een bedrag van € 1.859,72 aan uitwinningskosten is opgenomen, terwijl in de onderhavige procedure buitengerechtelijke kosten worden gevorderd. ING brengt daarom het bedrag van € 1.859,72 aan uitwinningskosten in mindering op haar vordering. Zij stelt dat na aftrek van dit bedrag een hoofdsom resteert van € 86.839,38, te verhogen met wettelijke rente tot 6 februari 2020 ad € 3.705,37. Tevens wordt de wettelijke rente vanaf 6 februari 2020 gevorderd over het bedrag van € 86.839,38. Dit laatste is eveneens een vermindering van de eis, aangezien bij dagvaarding de wettelijke rente vanaf 6 februari 2020 werd gevorderd over de hoofdsom, vermeerderd met het rentebedrag van € 3.705,37, aldus over € 92.176,63.

2.4.

P1 en Antario hebben zich bij antwoordakte op het standpunt gesteld dat ING in haar akte de omvang van de vordering niet inzichtelijk heeft gemaakt. Volgens P1 en Antario blijkt uit niets dat P1 de genoemde bedragen, en zeker niet de in rekening gebrachte bedragen, voor contractueel verschuldigde debetrentes, kredietprovisies, overschrijdingsprovisies en kosten zakelijk betalingsverkeer aan ING verschuldigd is. Zij betwisten die verschuldigdheid, onder meer vanwege de opzegging van de kredietrelatie met ING. Daarnaast stellen P1 en Antario dat geen rente verschuldigd is, omdat ING dit in haar brief van 18 februari 2016 aangeeft. De grondslag van de bij de mutaties genoemde post ‘RC afrekening betalingsverkeer’ en ‘RC afrek. Rek.’ en het verschil tussen beide posten is volgens P1 en Antario evenmin duidelijk.

2.5.

Naar het oordeel van de rechtbank kan worden vastgesteld dat de verschuldigdheid van de rente en provisies en kosten en de verschuldigde percentages voor rente en provisies blijken uit de door ING overgelegde overeenkomsten tussen ING en P1. Daarnaast blijkt uit artikel 20 van de overgelegde algemene bepalingen van kredietverlening (productie 18 bij akte houdende overlegging producties van mr. Jager met de producties 17 tot en met 23) die van toepassing zijn verklaard op de overeenkomsten tussen ING en P1 dat de rente en provisies in geval van de beëindiging van het krediet verschuldigd zijn totdat het saldo van de rekening(en) volledig is afgelost. In dit geval zijn de rente en provisie berekend tot het moment dat de rekening door ING is opgeheven en het saldo daartoe administratief op nul is gezet. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat ING in haar brief van 18 februari 2016 aangeeft dat geen rente verschuldigd zou zijn. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de op de overgelegde bankafschriften vermelde bedragen. P1 en Antario hebben hier ook overigens geen inhoudelijke verweren tegen aangevoerd. De rechtbank zal daarom de gevorderde hoofdsom van € 86.839,38 toewijzen.

2.6.

Het bedrag van de door ING gevorderde rente tot 6 februari 2020 ad € 3.705,37 is door ING niet nader toegelicht en evenmin is vermeld vanaf welke datum de rente is berekend. Opmerkelijk is dat het gevorderde bedrag ondanks de vermindering van eis ten aanzien van de hoofdsom gelijk is gebleven aan het bij dagvaarding gevorderde bedrag. De rechtbank ziet in deze omstandigheden aanleiding om te bepalen dat de gevorderde hoofdsom zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf, gelet op de inhoud van het als productie 24 overgelegde bankafschrift, 1 januari 2018 tot de dag der algehele voldoening.

2.7.

In het tussenvonnis van 28 juli 2021 is overwogen dat aan de hand van het bij akte door ING toegelichte bedrag, met name de daaruit blijkende hoofdsom, zal worden bepaald of het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten overeenkomstig de toepasselijke staffel is berekend. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat het gevorderde bedrag van € 2.053,09 kan worden toegewezen

2.8.

P1 en Antario zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ING worden begroot op:

- dagvaarding € 112,05

- griffierecht 2.042,00

- salaris advocaat 2.228,00 (2,0 punten × tarief € 1.114,00)

Totaal € 4.382,05

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt P1 en Antario hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan ING te betalen een bedrag van € 88.892,47 (achtentachtig duizendachthonderdtweeënnegentig euro en zevenenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het bedrag van € 86.839,38 met ingang van 1 januari 2018 tot de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt P1 en Antario hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van ING tot op heden begroot op € 4.382,05, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.3.

veroordeelt P1 en Antario hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat P1 en Antario niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

3.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J. Noelmans en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2021.1

1 type: EvdS coll: