Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:7806

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-10-2021
Datum publicatie
15-11-2021
Zaaknummer
ROE 19/2940
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak Wob; gebreken hersteld. Terecht geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 19/2940

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2021

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigde: mr. G.P.F. van Duren).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op eisers verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Bij besluit van 11 oktober 2019 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit (deels) gegrond verklaard en nog vier documenten aan eiser verstrekt.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Op 20 december 2019 heeft verweerder een wijzigingsbesluit (het bestreden besluit 2) genomen, als aanvulling op het bestreden besluit 1 en daarbij twee documenten overgelegd.

Het beroep van eiser heeft, gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit 2.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door [naam vader] (zijn vader). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij tussenuitspraak van 31 mei 2021 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in de bestreden besluiten te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.

Eiser heeft hierop een schriftelijke reactie gegeven op 21 juli 2021 en 5 augustus 2021.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke omstandigheden. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2013:BX4694).

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank – kort gezegd – overwogen dat verweerder de ongecensureerde versies van de documenten, waarvan (gedeeltelijke) openbaarmaking is geweigerd, niet heeft ingestuurd. De rechtbank kan hierdoor niet per document beoordelen of het algemeen belang bij openbaarmaking opweegt tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Verder heeft verweerder ook geen inzicht gegeven waarom de andere namen van ambtenaren in de organogrammen zijn weggelakt. Met betrekking tot de twee documenten, die zijn overgelegd bij het bestreden besluit 2, heeft de rechtbank opgemerkt dat verweerder niet heeft toegelicht waarom de weggelakte gegevens persoonsgegevens zijn en waarom het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich tegen het openbaar maken daarvan verzetten.

3. Bij brief van 9 juli 2021 heeft verweerder de stukken waarop het Wob-verzoek betrekking heeft overgelegd en verzocht met toepassing van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb te bepalen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van de stukken waarvan de openbaarmaking (deels) is geweigerd. De rechtbank heeft de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht en eiser heeft de rechtbank op 21 juli 2021 toestemming verleend om mede op grond van deze geheimhouding uitspraak te doen. Verder heeft verweerder een afschrift aan de rechtbank doen komen van de brief van 5 juli 2021, waarin een aanvullende motivering van de bestreden besluiten heeft plaatsgevonden.

4. In de aanvullende motivering heeft verweerder ten aanzien van de vier organogrammen, die bij het bestreden besluit 1 waren gevoegd, de namen – op de naam van [naam] na – en doorkiesnummers van ambtelijke functionarissen, die uit hoofde van hun functie aan het hoofd staan van de in de organogrammen opgenomen organisatieonderdelen, verwijderd. Volgens verweerder treden deze ambtelijke functionarissen niet uit hoofde van hun functie in de openbaarheid. Deze mededeling van verweerder komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. De rechtbank ziet geen reden om aan verweerders verklaring te twijfelen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt kunnen stellen dat de naam van de betreffende functionarissen persoonsgegevens zijn en het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich tegen openbaarmaking daarvan verzet. Dit geldt ook voor de weggelakte doorkiesnummers. Aan de hand van deze nummers kan achterhaald worden wie de betrokken ambtelijke functionarissen zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid voornoemde informatie geweigerd met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob en de belangen van ambtelijke functionarissen die werkzaam zijn voor verweerders gemeente in zijn besluitvorming zwaarder mogen laten wegen dan het belang bij openbaarmaking van deze gegevens.

5. Ten aanzien van de bijlagen bij het bestreden besluit 2, te weten de brieven van 21 januari 2013 (voornemen toewijzing functieprofiel) en 25 april 2013 (definitieve toewijzing functieprofiel), heeft verweerder in de brief van 5 juli 2021 uitgebreid gemotiveerd waarom bepaalde gegevens in deze brieven zijn verwijderd en niet openbaar zijn gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geweigerd de persoonsgegevens vervat in beide documenten openbaar te maken onder de toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. De rechtbank stelt vast dat ook in deze twee documenten de weggelakte gegevens / passages persoonsgegevens bevatten van ambtelijke functionarissen die niet uit hoofde van hun functie in enige mate in de openbaarheid treden dan wel betrekking hadden op het persoonlijk functioneren van [naam] .
Verweerder mocht het openbaarheidsbelang minder zwaar laten wegen dan het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de personen waarvan de gegevens zijn weggelakt.

6. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. Nu verweerder in zijn reactie op de tussenuitspraak de gebreken heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. Er is de rechtbank niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,00 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, rechter, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2021.

De griffier is niet in staat deze uitspraak mee te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 15 oktober 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.