Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:7549

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-10-2021
Datum publicatie
12-10-2021
Zaaknummer
ROE 21 / 743, 21 / 754, 21 / 902, 21 / 903, 21 / 930 en 21 / 21 / 1116
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

(Ex-)werknemers van eiseres hebben het UWV verzocht hen – na afloop van hun wachttijd – in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet WIA. Onder meer vanwege de achterstanden bij de geneeskundige keuringen heeft het UWV deze (ex-)werknemers voorschotten verleend in afwachting van een beslissing op de WIA-aanvraag. Het UWV heeft deze voorschotten aan eiseres toegerekend. De rechtbank heeft geoordeeld dat voor het toerekenen van WIA-voorschotten aan de (ex-)werkgever geen wettelijke grondslag is aan te wijzen. In de Wet WIA staat immers niet dat een eigenrisicodrager ook het risico van betaling van een voorschot op een WIA-uitkering draagt. Daarin staat alleen dat een eigenrisicodrager het risico van betaling van de WGA-uitkering draagt. Dat daaronder mede een voorschot daarop moet worden begrepen, staat niet in de Wet WIA. Daarin is evenmin een bepaling opgenomen die een voorschot op een WIA-uitkering gelijkstelt met een WIA-uitkering. Het UWV wijst weliswaar naar artikel 83 van de Wet WIA, maar ook daaruit volgt niet ondubbelzinnig dat onder het betalingsrisico ook een voorschot op een WIA-uitkering moet worden begrepen. Dat het UWV bevoegd is om een voorschot te verlenen bij WIA-aanvragen betekent voorts niet dat daaruit moet worden afgeleid dat dit voorschot dan ook – net als de vastgestelde en toegekende WGA-uitkering – aan een eigenrisicodrager kan worden toegerekend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: ROE 21/743 tot en met ROE 21/754, ROE 21/902, ROE 21/903, ROE 21/930 en ROE 21/1116


uitspraak van de meervoudige kamer van 06 oktober 2021 in de zaken tussen

HAGO Nederland B.V., te Heerlen, eiseres

(gemachtigde: L. van den Heuvel),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: S. Gootjes).

Procesverloop

In zestien afzonderlijke besluiten heeft verweerder de als voorschot betaalde uitkeringen aan (ex-)werknemers van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan eiseres toegerekend (de toerekenbesluiten).

In zestien afzonderlijke beslissingen op bezwaar (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen deze toerekenbesluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Eiseres en verweerder hebben over en weer gereageerd.

Verweerder heeft in de zaken ROE 21/743, ROE 21/747, ROE 21/748, ROE 21/749 en ROE 21/1116 nieuwe beslissingen op bezwaar genomen.

Eiseres heeft daarop gereageerd.

De rechtbank heeft de beroepen op 30 augustus 2021 gezamenlijk op een zitting behandeld. Beide partijen waren via een skype-verbinding aanwezig. Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigde en [naam], werkzaam als Hoofd Casemanagement voorschotten UWV bij eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaan de zaken over?

1. Eiseres is sinds 1 januari 2007 eigenrisicodrager voor de WIA-uitkeringen op grond van de Werkhervattingsregeling Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA).

De zestien (ex-)werknemers van eiseres zijn allen uitgevallen voor hun werkzaamheden en hebben verweerder verzocht hen – na afloop van hun wachttijd – in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet WIA. Onder meer vanwege de achterstanden bij de geneeskundige keuringen heeft verweerder deze (ex-)werknemers voorschotten verleend in afwachting van een beslissing op de WIA-aanvraag.

In de toerekenbesluiten heeft verweerder deze voorschotten aan eiseres toegerekend en dat in de bestreden besluiten gehandhaafd. Eiseres is van mening dat die voorschotten niet aan haar toegerekend kunnen worden.

Het juridisch kader

2. De voor de beroepen relevante artikelen van de Wet WIA luiden, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 82 ‘Afbakening eigenrisico’

1. De eigenrisicodrager draagt met inachtneming van artikel 83 het risico van betaling van de WGA-uitkering aan de verzekerde […]

Artikel 83 ‘Periode van eigenrisicodragen’

1. De eigenrisicodrager draagt gedurende een bij ministeriële regeling te bepalen periode nadat het recht op een WGA-uitkering is ontstaan het eigenrisico, bedoeld in artikel 82. […]

Artikel 84 ‘Betalingen bij eigenrisicodragen’

1. De eigenrisicodrager is bevoegd, met inachtneming van artikel 72, de door het UWV toegekende WGA-uitkering […] te betalen aan de verzekerde […]

3. Indien de eigenrisicodrager de uitkering […] niet betaalt, betaalt het UWV deze uitkering […] en verhaalt het UWV de uitkering […] op de eigenrisicodrager. […]

Omvang van het geding en het procesbelang

3.1

Eiseres is een niet zelfbetalende eigenrisicodrager als bedoeld in artikel 84, derde lid, van de Wet WIA. Dit betekent dat verweerder de toegekende WGA-uitkering uitbetaalt aan de verzekerde en vervolgens toerekent aan en verhaalt op eiseres. Die bevoegdheid staat in de beroepen niet ter discussie. De vraag is of de bevoegdheid zover strekt dat daarvan ook gebruik kan worden gemaakt als nog geen beslissing is genomen op de WIA-aanvraag en in afwachting daarvan een voorschot is verstrekt.

3.2

Uit de bespreking van de zaken op de zitting is gebleken dat de verlening van de voorschotten aan de werknemers niet in geschil is. Bovendien is ter zitting geconcludeerd dat het in deze zaken alleen gaat om de toerekenbesluiten, en niet om de verhaalsbesluiten waarbij de aan eiseres toegerekende voorschotten daadwerkelijk zijn / worden verhaald (via de maandelijkse facturen). Tot slot heeft eiseres op de zitting verklaard dat in deze beroepen geen verzoeken om schadevergoeding aan de orde zijn en dat de rechtbank daarover in deze beroepsprocedures ook geen oordeel hoeft te geven.

3.3

In de loop van de beroepsprocedures is in veertien zaken alsnog beslist op de WIA-aanvraag van individuele werknemers. Alleen in zaken ROE 21/745 en ROE 21/746 is (op de datum van de zitting) nog geen beslissing op de WIA-aanvraag genomen.

In de vijf zaken ROE 21/743, ROE 21/747, ROE 21/748, ROE 21/749 en ROE 21/1116 is de WIA-aanvraag alsnog afgewezen dan wel een IVA-uitkering (dus geen WGA-uitkering) toegekend. Geen punt van discussie is dat in die zaken geen uitkering is toegekend die aan eiseres toegerekend kan worden. Verweerder heeft daarom nieuwe beslissingen op bezwaar genomen en de bezwaren alsnog gegrond verklaard, de toerekenbesluiten ingetrokken en de betalingen op de maandelijkse facturen gecorrigeerd. Verweerder heeft ook de proceskosten in bezwaar vergoed in al deze zaken. Met deze vijf nieuwe beslissingen op bezwaar komt verweerder in deze vijf zaken dan ook volledig tegemoet aan eiseres. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zal de rechtbank deze nieuwe beslissingen op bezwaar in deze vijf zaken dan ook niet in het beroep betrekken. Wel komt hierna de vraag aan de orde of eiseres nog een procesbelang heeft bij de beroepen tegen de bestreden besluiten in deze vijf zaken.

In de overige negen zaken is een (gedeeltelijke) WGA-uitkering toegekend. Niet in geschil is dat die WGA-uitkering aan eiseres als eigenrisicodrager kan worden toegerekend. In die zaken heeft verweerder de toerekenbesluiten niet ingetrokken, en geen nieuwe beslissingen op bezwaar genomen. Verweerder heeft daarover toegelicht dat de aan eiseres toegerekende voorschotten worden verrekend met de toegekende – en aan eiseres toegerekende – WGA-uitkeringen. Ook in deze zaken is daarom de vraag aan de orde of eiseres nog procesbelang heeft bij de beroepen tegen de bestreden besluiten.

3.4

Eiseres vindt dat zij een procesbelang heeft, omdat zij schade heeft geleden door de – in haar ogen – onrechtmatige toerekenbesluiten. Die schade wil zij vergoed zien. Daarom heeft eiseres er volgens haar belang bij dat de (on)rechtmatigheid van die toerekenbesluiten (daarmee de bestreden besluiten) in de veertien zaken wordt vastgesteld door de rechtbank.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:934) kan de omstandigheid dat schade is geleden door bestuurlijke besluitvorming tot het oordeel leiden dat er nog steeds sprake is van een actueel procesbelang. Daarvoor is wel vereist dat de stelling dat schade is geleden niet op voorhand onaannemelijk is.

Eiseres heeft – onder andere – gesteld dat zij schade heeft geleden omdat zij administratieve werkzaamheden heeft moeten verrichten om alle individuele toerekenbesluiten te verwerken en daaraan vervolgens uitvoering te (kunnen) geven. Ter zitting heeft mw. Reijers verklaard dat zij ook eerst nog heeft moeten uitzoeken hoe een-en-ander geregeld was, omdat dit voor eiseres nieuw was, waarna medewerkers pas de toerekenbesluiten konden verwerken. De rechtbank is van oordeel dat niet op voorhand onaannemelijk is dat eiseres deze gestelde schade geleden heeft. Anders dan verweerder op de zitting (en onder verwijzing naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1626) heeft betoogd, is geen sprake van schade die ziet op (het voeren van) juridische procedures die onder de proceskostenregeling valt. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in het standpunt dat daarom geen sprake is van door eiseres geleden schade die tot procesbelang kan leiden.

Eiseres heeft dus nog een procesbelang. Dit betekent dat de rechtbank de veertien beroepen waarin alsnog op de WIA-aanvraag is beslist ook inhoudelijk zal beoordelen.

De standpunten van partijen

4. Volgens eiseres ontbreekt een rechtsgrond voor het toerekenen van de voorschotten. Op het moment van de voorschotverlening was geen sprake van een vastgesteld recht op een WGA-uitkering. Daar komt volgens eiseres bij dat geen onderzoek is gedaan naar het recht, terwijl achteraf soms blijkt dat toch geen betalingsverplichting bestaat. Eiseres verwijst ook naar een arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:322), waaruit naar haar mening blijkt dat het toerekenen van een voorschot pas mag als het materiële recht op een WGA-uitkering is vastgesteld. Ook is met haar belangen ten onrechte geen enkele rekening gehouden bij het toerekenen van die voorschotten. Volgens eiseres is het onredelijk de voorschotten aan haar toe te rekenen.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat alle voorschotten terecht aan eiseres zijn toegerekend. Het recht op uitkering als bedoeld in artikel 82 van de Wet WIA bestaat ook als dat nog niet is vastgesteld, zo volgt uit artikel 83 van de Wet WIA. Verweerder is verder bevoegd om een voorschot te verlenen, en een voorschot is gelijk te stellen met een WIA-uitkering. Dit betekent dat een voorschot op de WIA-uitkering ook kan worden toegerekend aan een eigenrisicodrager, aldus verweerder.

Het inhoudelijke oordeel van de rechtbank

6.1

De rechtbank stelt voorop dat met de toerekenbesluiten een betalingsverplichting in het leven wordt geroepen voor een eigenrisicodrager. Het gaat dus om belastende besluiten. Dat betekent dat verweerder een wettelijke grondslag moet kunnen aanwijzen waarop deze betalingsverplichtingen worden gebaseerd. Bovendien past daarbij niet dat de wet dan ruim wordt uitgelegd als de tekst dan wel bedoeling daarvan onduidelijk is. Met andere woorden, de grondslag voor de toerekening van de voorschotten aan eiseres moet ondubbelzinnig uit de wet (in dit geval de Wet WIA) voortvloeien.

6.2

De rechtbank is van oordeel dat in de gevallen van de toerekenbesluiten niet aan deze vereisten is voldaan. In de Wet WIA staat immers niet dat een eigenrisicodrager ook het risico van betaling van een voorschot op een WIA-uitkering draagt. Daarin staat alleen dat een eigenrisicodrager het risico van betaling van de WGA-uitkering draagt. Dat daaronder mede een voorschot daarop moet worden begrepen, staat niet in de Wet WIA. Daarin is evenmin een bepaling opgenomen die een voorschot op een WIA-uitkering gelijkstelt met een WIA-uitkering. Verweerder wijst weliswaar naar artikel 83 van de Wet WIA, maar ook daaruit volgt niet ondubbelzinnig dat onder het betalingsrisico ook een voorschot op een WIA-uitkering moet worden begrepen. Dat verweerder bevoegd is om een voorschot te verlenen bij WIA-aanvragen betekent voorts niet dat daaruit moet worden afgeleid dat dit voorschot dan ook – net als de vastgestelde en toegekende WGA-uitkering – aan een eigenrisicodrager kan worden toegerekend. Van belang daarbij is dat aan het verlenen van een voorschot bij een WIA-aanvraag inherent is dat onzekerheid bestaat of uiteindelijk wel een (aan eiseres toe te rekenen) WGA-uitkering wordt toegekend (zoals in vijf zaken in de beroepsprocedure is gebleken). Uit de Wet WIA blijkt niet ondubbelzinnig dat is bedoeld om ook bij die onzekere situatie het betalingsrisico voor rekening van de eigenrisicodrager te laten komen.

Ook in de wetsgeschiedenis over de invoering van ‘eigenrisicodragen’ en het verlenen van voorschotten (Kamerstukken II, 24 698, nr. 3 respectievelijk nr. 10) staat tot slot niets over het toerekenen van dergelijke voorschotten aan een eigenrisicodrager. Daarin kan dus ook geen aanknopingspunt worden gevonden voor verweerders standpunt dat een voorschot op een WIA-uitkering aan een eigenrisicodrager kan worden toegerekend.

6.3

Verweerder heeft betoogd dat toerekenen van voorschotten aan de eigenrisicodrager ook vanuit wetsystematisch oogpunt logisch is: ook de zelfbetalende eigenrisicodrager moet volgens verweerder immers het voorschot betalen. De rechtbank is daarover van oordeel dat dit niet afdoet aan hetgeen hiervoor is overwogen over niet zelfbetalende eigenrisicodragers, namelijk dat uit de Wet WIA niet ondubbelzinnig voortvloeit dat een voorschot kan worden toegerekend aan een (niet zelfbetalende) eigenrisicodrager. Deze vergelijking is daarom niet voldoende om verweerder te kunnen volgen in zijn standpunt.

6.4

Omdat in de Wet WIA en in de wetsgeschiedenis geen grondslag te vinden is om de voorschotten aan een eigenrisicodrager als eiseres toe te rekenen, en daardoor een betalings-verplichting in het leven te roepen, mocht verweerder deze voorschotten dus niet aan eiseres toerekenen. Verweerder heeft dat met de toerekenbesluiten ten onrechte wel gedaan.

Conclusie

7. De beroepen van eiseres zijn gegrond.

De bestreden besluiten moeten worden vernietigd. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en de toerekenbesluiten herroepen in de elf zaken waarin dat nog niet is gebeurd.

Proceskosten en griffierechten

8. Omdat de beroepen gegrond zijn en de toerekenbesluiten worden herroepen, bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres in bezwaar en beroep. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op in totaal € 3.873,-.

8.1

De proceskosten in beroep bedragen € 2.805,- en zijn als volgt opgebouwd.

Er is sprake van zestien samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van het Bpb. Die zaken worden daarom voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, van het Bpb als één zaak beschouwd, waarvoor op grond van onderdeel C2 van de bijlage bij het Bpb een wegingsfactor 1,5 (vier of meer samenhangende zaken) wordt gehanteerd. De rechtbank kent daarbij 1 punt toe voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het reageren op de door verweerder overgelegde beslissingen op de WIA-aanvragen en de nieuwe beslissingen op bezwaar, met een waarde per punt van € 748,- en een gemiddeld gewicht.

8.2

Over de proceskosten in bezwaar overweegt de rechtbank het volgende.

Weliswaar zijn de zaken inhoudelijk identiek, maar anders dan in beroep is in bezwaar geen sprake van zestien samenhangende zaken. De zaken zijn in bezwaar namelijk niet nagenoeg gelijktijdig behandeld.

In ROE 21/743 tot en met ROE 21/751 is in bezwaar sprake van samenhangende zaken. Al die zaken zijn op dezelfde hoorzitting besproken, en vervolgens is de beslissing op bezwaar in al die zaken op 29 januari 2021 genomen. Deze zaken worden daarom beschouwd als één zaak, waarvoor een wegingsfactor 1,5 (4 of meer samenhangende zaken) wordt gehanteerd. In ROE 21/743, ROE 21/747, ROE 21/748 en ROE 21/749 heeft verweerder met de nieuwe beslissingen op bezwaar de proceskosten in bezwaar vergoed. Daarbij is per zaak € 1.068,- toegekend (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor aanwezigheid op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 534,-), in totaal € 4.272,-. De rechtbank is van oordeel dat eiseres daarmee voldoende gecompenseerd is voor de proceskosten in bezwaar voor deze negen samenhangende zaken.

ROE 21/752, ROE 21/753 en ROE 21/754 gelden ook als samenhangende zaken, maar zijn in bezwaar niet (nagenoeg) gelijktijdig behandeld met andere zaken. In deze zaken zijn de beslissingen op bezwaar op 19 februari 2021 genomen. Die drie zaken worden daarom als één zaak beschouwd, waarvoor een wegingsfactor 1 (minder dan 4 samenhangende zaken) wordt gehanteerd. Omdat in deze zaken geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, wordt voor deze drie samenhangende zaken in totaal € 534,- aan proceskosten in bezwaar vergoed.

ROE 21/902 en ROE 21/903, waarin de beslissingen op bezwaar zijn genomen op 10 maart 2021, gelden als samenhangende zaken, maar zijn niet (nagenoeg) gelijktijdig met andere zaken behandeld. Deze twee zaken worden samen als één zaak beschouwd, waarvoor een wegingsfactor 1 (minder dan 4 samenhangende zaken) wordt gehanteerd. In ROE 21/903 zijn de proceskosten in bezwaar reeds vergoed, waarbij € 534,- is toegekend (1 punt voor het bezwaarschrift, geen hoorzitting). Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres daarmee voldoende gecompenseerd voor de proceskosten in bezwaar voor die twee samenhangende zaken.

ROE 21/930 en ROE 21/1116 worden niet als samenhangende zaken aangemerkt, omdat er geen sprake is van (nagenoeg) gelijktijdige behandeling met andere zaken. De beslissingen op bezwaar in deze zaken zijn op 16 maart 2021 respectievelijk 13 april 2021 genomen. In ROE 21/1116 heeft verweerder bij de nieuwe beslissing op bezwaar al de proceskosten in bezwaar vergoed, waarbij € 534,- is toegekend (1 punt voor het bezwaarschrift en geen hoorzitting). Datzelfde bedrag moet worden toegekend in ROE 21/930, waarin ook geen hoorzitting heeft plaatsgevonden.

De nog te vergoeden proceskosten in bezwaar bedragen daarmee in totaal € 1.068,-.

9. Tot slot moet verweerder de door eiseres betaalde griffierechten aan haar vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- herroept de toerekeningsbesluiten in de zaken ROE 21/744, ROE 21/745, ROE 21/746, ROE 21/750 tot en met ROE 21/754, ROE 21/902, ROE 21/903 en ROE 21/930;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.873,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 1.440,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, voorzitter, mr. T.M. Schelfhout en

mr. P.J. Voncken, leden, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 06 oktober 2021

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 06 oktober 2021

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.