Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:7407

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-09-2021
Datum publicatie
07-10-2021
Zaaknummer
AWB 21/2254
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Sluiting loods op grond van artikel 13b Opiumwet.

Het verzoek is gedaan door de huurder en de verhuurder van de loods.

Het betreft verzoeken om voorlopige voorziening waarbij de rechtbank tevens uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedures.

De sluiting van de loods was, conform de uitspraak van de voorzieningenrechter in bezwaar, noodzakelijk, gelet op de faciliterende rol in de grootschalige handel in hennep en de negatieve invloed daarvan op de openbare orde en het woon- en leefklimaat.

De sluiting is onevenredig t.o.v. beide verzoekers.

Ten aanzien van verhuurder: Het pand stond ten tijde van de inspectie leeg. Geen aanwijzingen die duiden op ondermijnende of criminele activiteiten. Geen sprake van betalingsachterstand van de huur of andere tekortkomingen van de kant van de huurder. Verzoekers hebben voldaan aan hun kwartaalgewijze onderzoekplicht.

Ten aanzien van nieuwe huurder: Op de eerste plaats is er een nieuwe huurder. Daarbij laat de voorzieningenrechter niet alleen wegen de periode die voorafging aan de indiening van de zienswijzen en de in die periode getroffen maatregelen door verzoekster maar ook de overige belangen die verzoekster heeft aangevoerd, zoals het aangaan van contracten, het in dienst nemen van werknemers, het feit dat de onderneming zich in een opstartfase bevindt en dat derhalve van belang is dat daadwerkelijk gestart kan worden en anders klanten niet bediend kunnen worden met als uiterste consequentie een faillissement.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB/ROE 21/2128, ROE 21/2253, ROE 21/2254 en ROE 21/2476

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 september 2021 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[bedrijfsnaam 1] , te [plaatsnaam] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M.M.J.P. Penners)

en

[naam 1] en [naam 2] , te [plaatsnaam 2] , verzoekers

(gemachtigde: mr. H. J. Koop),

en

de burgemeester van de gemeente Sittard-Geleen, verweerder

(gemachtigde: mevr. P.M. Hellenbrand)

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2021 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een last onder bestuursdwang opgelegd aan verzoekers die ertoe strekt dat zij met ingang van 18 mei 2021 de loods/het bedrijfspand aan de [straatnaam] [nr.] te [plaatsnaam] (hierna: de loods) dienen te sluiten en voor de duur van zes maanden gesloten dienen te houden.

Bij besluiten van 15 juli 2021 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van verzoekster en verzoekers ongegrond verklaard.

Zowel verzoekster als verzoekers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

In de loop van de procedure heeft mr. H.J. Koop zich in de plaats van mr. G.W. Weeninck als gemachtigde van verzoekers gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2021. De zaken zijn gelijktijdig en gevoegd behandeld.

Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Namens verzoekster zijn [naam 3] , algemeen directeur, en de gemachtigde verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Het gaat in deze zaken om de sluiting van een loods op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Deze bepaling maakt het mogelijk – kort gezegd – een woning of lokaal te sluiten indien vanuit die woning of vanuit dat lokaal hard- of softdrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn, dan wel wanneer er daartoe voorbereidingshandelingen getroffen worden.

Feiten

2. Verzoekers [naam 1] en [naam 2] zijn beiden voor de helft eigenaar van de loods. Verzoekster is met ingang van 1 mei 2021 de nieuwe huurster van de loods. Op

24 maart 2021 heeft de politie, naar aanleiding van een onderzoek door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: FIOD) in samenwerking met de Belastingdienst een niet in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Blijkens de rapportage van de politie van 1 april 2021 werd tijdens het onderzoek naar illegale sigarettenproductie een grote hal aangetroffen met daarin diverse apparaten ten behoeve van hennepteelt zoals assimilatielampen, koolstoffilters, ventilatoren en potgrond. Deze grote hal is verdeeld in twee ruimten, hierna te noemen kweekruimte 1 en kweekruimte 2. Kweekruimte 1 is circa 10 x 10 meter, voorzien van verschillende draagbalken ten behoeve van assimilatielampen, een opticlimate en 4 koolstoffilters. Boven kweekruimte 1 is kweekruimte 2 aangetroffen van circa 10 x 10 meter, voorzien van 4 koolstoffilters, 2 opticlimates, 80 lampen en 15 ventilatoren.

3. Bij brief van 13 april 2021 heeft verweerder verzoekers bericht voornemens te zijn de loods te sluiten op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Verzoekster heeft op 19 april 2021 haar zienswijze kenbaar gemaakt, verzoekers hebben op 20 april 2021 hun zienswijze kenbaar gemaakt. De ingediende zienswijzen hebben geen verandering gebracht in het voornemen van verweerder.

4. Bij uitspraak van deze rechtbank van 14 juni 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:4738, heeft de voorzieningenrechter de door verzoekers verzochte voorziening in bezwaar toegewezen. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld -verkort weergegeven – dat het vaste jurisprudentie is dat van een eigenaar van een pand mag worden verwacht dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het door hem verhuurde pand wordt gemaakt (zie onder meer ECLI:NL:RVS:2019:2462). De voorzieningenrechter was voorlopig van oordeel dat verzoekers in voldoende mate aan deze verplichting hebben voldaan. Verzoekers hebben in bezwaar een rapport ingebracht waaruit blijkt dat de loods op 19 februari 2021 is gecontroleerd door een inspecteur van Curo in aanwezigheid van de toenmalige huurder [naam 4] en waaruit blijkt dat geen afwijkende zaken zijn aangetroffen en niet is gebleken van voorbereidingshandelingen in verband met de productie van softdrugs. Dit rapport is eerst in bezwaar ingebracht, waardoor verweerder dit niet heeft kunnen betrekken in de besluitvorming. Het (vrij korte) tijdsverloop tussen de controle op 19 februari 2021 en de inval van de politie op 24 maart 2021, dient verweerder te betrekken bij het bepalen van de sluitingsduur in het nog te nemen besluit op bezwaar van verzoekers. De voorzieningenrechter heeft daarbij gewezen op de uitspraak van de Afdeling van

13 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:794), waarbij de Afdeling in een zaak met soortgelijke omstandigheden de sluiting van een bedrijfspand onevenredig heeft gevonden. De voorzieningenrechter was dan ook van voorlopig oordeel dat het handelen van verweerder overeenkomstig het Damoclesbeleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding met de met dit beleid te dienen doelen.

Ten aanzien van verzoekster heeft de voorzieningenrechter overwogen dat ook de belangen die verzoekster naar voren heeft gebracht, namelijk dat de sluiting van de duur van zes maanden ervoor zal zorgen dat zij haar bedrijf niet kan voortzetten, er al veel tijd en geld is gestopt in het opknappen van de loods en dat met de huidige activiteiten de loods al onttrokken is aan het criminele circuit, eveneens, in deze stand van het geding, zwaarder mogen wegen dan het belang van de burgemeester om de loods te sluiten. In het bestreden besluit is onvoldoende blijk gegeven van een deugdelijke belangenafweging. In de nog te nemen beslissingen op bezwaar dient verweerder meer aandacht te besteden aan de omstandigheden die in het voordeel van verzoekers wegen.

Het verzoek is toegewezen en het besluit is geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

5. In het bestreden besluit is verzoekers bezwaar, conform het advies van de bezwaarschriftencommissie, ongegrond verklaard. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit de uitspraak van de voorzieningenrechter de volgende bijzondere omstandigheden zijn te destilleren:

  • -

    de eigenaren hebben niets te maken gehad met de voorbereidingshandelingen;

  • -

    de eigenaren hebben de huurder vooraf voldoende gecheckt;

  • -

    de eigenaren hebben het pand laten inspecteren en

  • -

    na de inval op 24 maart 2021 hebben zij vrijwel meteen het huurcontract ontbonden.

Ten aanzien van het eerste punt stelt verweerder zich op het standpunt dat dit niet betekent dat verzoekers geen enkel verwijt treft. Het is vaste jurisprudentie dat van een eigenaar van een pand mag worden verwacht dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik van het pand. Er waren twee punten die een nader onderzoek naar het gebruik van het pand van het pand rechtvaardigen. [bedrijfsnaam 2] , [bedrijfsnaam 3] en [naam 4] (huurders) zijn gevestigd/hebben standplaats in [plaatsnaam 3] respectievelijk [plaatsnaam 4] , provincie [*] . Verzoekers hadden zich de vraag moeten stellen waarom zij uitgerekend een bedrijfspand in verweerders gemeente huren. Daarbij valt op dat huurder [naam 4] een leeftijd van [-] jaar heeft en in [jaartal] een hartinfarct heeft gehad. Op de tweede plaats blijkt uit het inspectierapport van Curo Vastgoed B.V. (Curo) van 19 februari 2021 dat het bedrijfspand volledig leeg stond, terwijl het al 4,5 maanden was verhuurd. Een leegstand pand is een makkelijk doelwit voor criminelen. Er had van verzoekers dan ook actie mogen verwacht. Verweerder is van mening dat sprake is van verwijtbaarheid van de zijde van verzoekers. Dat zij na de inval gelijk de ontbinding van het huurcontract in gang hebben gezet maakt dit niet anders nu een soortgelijke bepaling is opgenomen in het huurcontract. Bovendien had de huurder reeds twee maanden geen huur meer betaald. Er zijn geen bijzondere omstandigheden. Verweerder verwijst naar jurisprudentie terzake. Bovendien is verweerder gebleken dat de verzoekster niet verplicht was de huurovereenkomst te tekenen en op 1 mei 2021 te laten ingaan. Het risico om een advocaat later in te schakelen (met betrekking tot een advies over het laten ingaan van de huur op een later tijdstip) komt voor rekening van verzoekers. De tijdens de hoorzitting genoemde bepaling uit het huurcontract neemt men niet op indien men geen weet heeft van de gevolgen van de aangetroffen materialen. Verzoekster heeft willens en wetens op 1 mei 2021 het huurcontract getekend nadat op 19 april 2021 het voornemen tot sluiting is ontvangen. Eerdere stukken van controle van Curo ontbreken. Of verzoekers voldoende maatregelen hebben genomen is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Vervolgens is verweerder nog op de bezwaargronden afzonderlijk ingegaan. De reactie daarop – verkort weergegeven – houdt het navolgende in. Het besluit zou summier gemotiveerd zijn en van risico’s voor de volksgezondheid is niet gebleken. Verweerder heeft hierop aangegeven dat uit de politierapportage blijkt dat sprake is van een professionele opzet van de in voorbereiding hennepkwekerij. De loods heeft een faciliterende rol vervuld in het drugscircuit en gefungeerd als schakel in de drugsketen. Het is van belang de loods uit het drugscircuit te halen. De strijdige situatie is direct na de ontdekking beëindigd. De hennepplanten zijn in beslag genomen en vernietigd. Dit betekent niet dat er geen last onder dwangsom meer kan worden opgelegd. Het pand wordt hierdoor onttrokken aan het criminele circuit. Een sluiting ex artikel 13 van de Opiumwet bewerkstelligt dat het pand voor niemand toegankelijk en dat de sluiting bovendien zichtbaar is. De huurovereenkomst is per 6 april 2021 ontbonden. Dit betreft volgens verweerder een logische stap maar betekent niet dat moet worden afgezien van een bestuurlijke maatregel. De financiële gevolgen hiervan zijn volgens verweerder geen bijzondere omstandigheden. De sluiting van het pand voor de duur van zes maanden is niet afhankelijk van de duur van het huurcontract. Verzoekers hebben gebruik gemaakt van betrouwbare partners om te voldoen aan het vereiste van concreet toezicht en controle. Verweerder is ervan overtuigd dat verzoekers bij het aangaan van de huurovereenkomst er alles aan gedaan hebben om met een betrouwbare huurder in zee te gaan. Echter, ook ten tijde van de huurperiode dient regelmatig toezicht gehouden te worden. De enkele verwijzing naar een vastgoedbeheerder is onvoldoende. Dat verzoekers concreet toezicht hebben gehouden en periodiek controles hebben uitgevoerd is niet onderbouwd. Er is slechts sprake van een eenmalige controle door Curo. Deze maatregelen vormen geen bijzondere omstandigheden. Hetzelfde geldt voor het door verzoekers gedane onderzoek naar de bedrijfshistorie van de toenmalige huurder, de sluiting van het huurcontract tegen marktconforme tarieven en betaling huur per bancaire overschrijving en het feit dat uit het huurcontract blijkt dat men niets te maken wil hebben met criminele activiteiten in het pand. Ten aanzien van het gestelde dat geen loop naar het pand is geweest en geen geldelijk gewin is behaald stelt verweerder dat de nieuwe huurder/verzoekster weet heeft gehad van de activiteiten rondom de hennepkwekerij. Toch is men gestart met het opknappen van de loods. Daarmee is een nieuw belang gecreëerd. Het opknappen van de loods bewerkstelligt niet het voorkomen van overtredingen van de Opiumwet. Ten aanzien van de vraag of verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, het besluit deugdelijk gemotiveerd is en voldoende rekening is gehouden met de belangen van verzoekers verwijst verweerder naar het algemeen deel. Ten aanzien van de stelling dat verweerder bij een juiste belangenafweging tot een minder ingrijpende maatregel zou zijn geraakt stelt verweerder dat het nog steeds noodzakelijk wordt geacht de loods te sluiten in plaats van te volstaan met bijvoorbeeld een waarschuwing. Ten aanzien van de gestelde bijzondere omstandigheden en de eisen van proportionaliteit en noodzakelijkheid verwijst verweerder naar het eerder gestelde. Ten aanzien van de afweging van belangen verwijst verweerder hetgeen is overwogen ten aanzien van de evenredigheid. Ten aanzien van het feit dat geen sprake is van recidive, het pand niet eerder als drugspand is gebruikt, een nieuwe huurder is gevonden en maatregelen zijn getroffen om concreet toezicht te houden overweegt verweerder dat geen persoonlijke verwijtbaarheid is vereist. Er is sprake van een pand-gebonden maatregel. Recidive is enkel van belang bij de beoordeling van de ernst van de zaak en de duur van de sluiting. Dat geen sprake was van loop naar het pand c.q. overlast is inherent aan het feit dat sprake was van voorbereidingshandelingen. Voor de toepassing van artikel 13 Opiumwet is bovendien niet vereist dat de openbare orde is verstoord. Daarbij dient de openbare orde ook op industrieterreinen te worden gehandhaafd. De verwijtbaarheid is niet aan de orde. De omstandigheid dat verzoekers mogelijk contractbreuk plegen ten opzichte van verzoekster is een privaatrechtelijke aangelegenheid waarbij verweerder geen partij is. Verzoekster had kunnen weten wat de gevolgen van het Damoclesbeleid kunnen zijn.

6. Verzoekers hebben hiertegen aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van art. 4:84 Awb en dat verweerder had af te zien van het handelen overeenkomstig de beleidsregel, aangezien dat voor verzoekers gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Verder menen verzoekers dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering, zodat het in strijd is met artikel 7:12 van de Awb en geen stand kan houden en vernietigd dient te worden.

Verzoekers verwijzen naar het navolgende. De regio Limburg heeft - verkort weergegeven - te maken met bovengemiddelde drugs gerelateerde criminaliteit en wil de regio naast een repressieve aanpak, waarvan verzoekers de gevolgen hebben ondervonden, ook preventief actie ondernemen. Verzoekers verwijzen naar de publieke campagne tegen drugshandelen, waarbij de gemeente Sittard-Geleen partij is. Een onderdeel van de campagne is het op publiekelijke wijze informeren van (bedrijfsmatig) verhuurders en deze te waarschuwen over de mogelijke risico's en gevolgen van het verhuren aan gebruikers die het pand voor activiteiten gebruiken die in strijd zijn met de Opiumwet. Zo volgt een opsomming van te nemen maatregelen met onder meer de volgende vermeldingen:

- laat de verhuur van jouw bedrijfspand bij voorkeur regelen door een erkende

makelaar;

  • -

    zorg dat de papieren kloppen;

  • -

    laat een huurcontract ondertekenen;

  • -

    maak zelf een kopie van het originele identiteitsbewijs en controleer op echtheid via

de Dutch ID app via Apple of Google;

  • -

    accepteer nooit contante betalingen en/of stortingen en vraag om een borg;

  • -

    neem in het huurcontract op dat u ieder kwartaal komt inspecteren en doe dit ook;

  • -

    controleer of de foto van het identiteitsbewijs overeenkomt met de eventuele huurder,

laat alleen de huurder de sleutel ophalen;

- laat de huurder zelf het elektriciteitscontract sluiten en vraag daar een kopie van.

Aan alle vorenstaande maatregelen hebben verzoekers zich geconformeerd.

De campagne geeft overigens ook tips en aanbevelingen om bedacht te zijn op zorgwekkende omstandigheden die mogelijk wijzen op overtreding van de Opiumwet. En dat betreft een omvangrijke lijst met signalen waarop gelet dient te worden. Deze signalen hebben zich nimmer voorgedaan. Op geen enkele wijze valt in te zien hoe verzoekers bekend hadden moeten worden met de genomen voorbereidingshandelingen in de zin van art. 13b Opiumwet. Een verwijt kan verzoekers niet gemaakt worden.

Voorts verwijzen verzoekers naar de conclusie van 7 juli 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1468) van de advocaten-generaal mr. Widdershoven en mr. Wattel waarin zij zich uitlaten over de vraag hoe indringend de evenredigheidstoets door de bestuursrechter dient plaats te vinden, De toepassing van art. 3:4 lid 2 Awb dient om redenen van rechtseenheid en rechtszekerheid én ter voorkoming van omgekeerde discriminatie in alle zaken te bestaan uit de driestaps-doel-/middel-toetsing op (i) geschiktheid, (ii) noodzakelijkheid en (iii) evenredigheid stricto sensu (ofwel de maatvoering van de sanctie na vaststelling van geschiktheid en noodzakelijkheid ervan). Een gevolg van het vorenstaande advies van de advocaten-generaal voor de evenredigheidstoets bij het Damocles-sluitingsbeleid van verweerder is dat wanneer geen sprake is van feitelijke handel (in drugs, red.) het niet aannemelijk is dat sluiting noodzakelijk is voor de bescherming van de rechten van anderen (waarvoor Opiumwet art. 13b ooit bedoeld werd), zodat volgens de advocaten-generaal de bewijslast om die noodzaak aannemelijk te maken naar het bestuursorgaan zou moeten verschuiven. Indien de bestuursrechters voortaan indringender de evenredigheidstoets toepassen op niet bestraffende sancties zoals het onderhavige besluit waartegen beroep ingesteld werd, dan heeft dat volgens verzoekers tot gevolg dat in het besluit de noodzaak voor de sluiting onvoldoende gemotiveerd werd door verweerder. Immers, verweerder verwijst slechts naar jurisprudentie — zonder enige verwijzing naar de lokale situatie — dat sluiting noodzakelijk is in het geval sprake is van voorbereidingshandelingen. Van daadwerkelijke ordeverstoring is geen sprake geweest. Verweerder dient derhalve maatwerk te leveren en dat is in het bestreden besluit niet aan de orde geweest. Gezien de omstandigheden van het onderhavige geval dient geconcludeerd te worden dat de toepassing van de beleidsregel en met inachtneming van de evenredigheidstoets conform de conclusie van de advocaten-generaal, geleid heeft tot een besluit dat niet voldoet aan invulling met de in art. 3:4 lid 2 Awb. vastgelegde norm voor belangenafweging.

Verzoekers hebben voorts verwezen naar de motie Buitenweg-Van-Nispen waarin de Tweede Kamer de regering verzoekt om de toepassing van de bevoegdheid in artikel 13b Opiumwet te monitoren en haar driejaarlijks te informeren over de rechtmatigheid en zorgvuldigheid van die toepassing alsmede de gevolgen daarvan voor betrokkenen. Het beleid is per regio verschillend. Per 1 januari 2019 is verweerder tevens bevoegd om een last onder bestuursdwang op te leggen indien voorwerpen of stoffen aanwezig zijn waarvan de betrokkene wist of behoorde te weten dat zij worden gebruikt voor onder meer de verkoop van drugs. Verder concluderen de onderzoekers dat de sluiting van een pand dat niet bekend stond als drugspand of overlastgevend pand, zoals in het onderhavige geval, er voor kan zorgen dat het gevoel van veiligheid in de wijk of omgeving afneemt. Eén van de aanbevelingen van de onderzoekers betreft het standpunt dat burgemeesters meer maatwerk moeten leveren en het lokaal (of regionaal) beleid zou hier meer ruimte voor moeten bieden. Het onderzoek laat zien dat het gebrek aan differentiatie in maatregelen en sluitingsduur in de beleidsregel burgemeesters beperkt in het leveren van maatwerk. Het gebrek aan maatwerk kan vervolgens leiden tot uitkomsten met onevenredige gevolgen.

Uit het onderzoek blijkt verder dat burgemeesters relatief weinig gebruik maken van de bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen. Dit kan een passende maatregel zijn als een sluiting disproportioneel is, maar een waarschuwing te vrijblijvend. Het opleggen van een last onder dwangsom zorgt ervoor dat na een tweede overtreding van de Opiumwet, de dwangsom wordt verbeurd of het pand kan worden gesloten. In het onderhavige geval is duidelijk naar voren gekomen dat verweerder geen maatwerk toe wil passen. Verzoekers concluderen naar aanleiding van de inhoud van het WODC-rapport dat sluiting het gevoel van onveiligheid in de regio juist doet toenemen. In het onderhavige geval is aan de zijde van verzoekers geen sprake van verwijtbaarheid en, als zou die er zijn (quod non), dan ligt een minder ingrijpende maatregel voor de hand.

Tijdens de hoorzitting heeft verweerder gewezen op het bestaan van de publieke campagne van de regio Limburg, 'Wat staat er op het Spel?' Zoals eerder geconstateerd hebben verzoekers de daarin genoemde maatregelen één-op-één overgenomen. Daarvoor ontvangen verzoekers in het besluit van verweerder van 11 mei 2021 een 'klopje op de schouder'. Zo wordt onder andere door verweerder opgenomen in zijn besluit: "Uw cliënten hebben gedegen (voor)werk gedaan bij het aangaan van de huurovereenkomst". "Hoewel ik ervan overtuigd ben dat uw cliënten er alles aan hebben gedaan om bij het aangaan van de huurovereenkomst, zeker te zijn dat zij een overeenkomst sloten met een betrouwbare huurder” en "Uw cliënten zijn voortvarend te werk gegaan voor wat betreft de ontbinding van de huurovereenkomst ". Verzoekers interpreteren deze woorden als een bevestiging van het feit dat zij alles in het werk gesteld hebben om te voldoen aan de eisen aan een goed verhuurder. Het standpunt van verweerder is echter 180 graden gedraaid in de weken na indiening van het bezwaarschrift. Ineens stelt diezelfde verweerder, in de verweerschriften d.d. 31 mei 2021 en 24 juni 2021 en onder verwijzing hiernaar in de beslissing op bezwaar dat verzoekers onvoldoende concreet toezicht gehouden hebben.

Het aanvullend verweerschrift d.d. 24 juni 2021, opgesteld nadat de voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende het belang van verzoekers had meegewogen in de besluitvorming, herbergt de volgende onderbouwing om het besluit nader te motiveren: "Er zijn in casu twee in het oog springende zaken die aanleiding hadden moeten zijn om het gebruik van het bedrijfspand nader te onderzoeken. Op de eerste plaats blijkt uit de huurovereenkomst dat [bedrijfsnaam 2] , [bedrijfsnaam 3] en [naam 4] (gezamenlijk de huurder) zijn gevestigd / standplaats hebben in [plaatsnaam 3] respectievelijk in [plaatsnaam 4] . Beide plaatsen zijn gelegen op [**] , provincie [*] . Reclamanten hadden zich de vraag kunnen stellen waarom deze (rechts)personen uitgerekend in Sittard-Geleen een bedrijfspand zouden willen huren. Daarbij valt ook de leeftijd van de [naam 4] op, te weten [-] jaar in combinatie met het feit dat hij in [jaartal] een hartinfarct heeft gehad." Het is verzoekers duidelijk waarom verweerder zijn ingenomen stellingname 180 graden wijzigt. De voorzieningenrechter oordeelde immers dat verweerder nader diende te motiveren waarom sprake zou zijn geweest van onvoldoende concreet toezicht en de verwijtbaarheid van verzoekers. Verzoekers hebben alles in het werk gesteld om een betrouwbare huurder te vinden. De daarvoor ingeschakelde makelaar heeft verzoekers bericht dat zij conform NVM-richtlijnen onderzoek gedaan heeft naar de betrouwbaarheid van de huurder. Het ingenomen standpunt van verweerder dat daaropvolgend, dus na het sluiten van de huurovereenkomst, onvoldoende concreet toezicht gehouden werd is onjuist.

De commissie voor bezwaarschriften adviseert het bezwaar ongegrond te verklaren aangezien met de verweerschriften d.d. 31 mei 2021 en 24 juni 2021 verweerder alsnog weerlegd heeft dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van art. 4:84 Awb. In Nederland heeft echter te gelden, net als binnen de overige lidstaten van de Europese Unie, dat er sprake is van vrijheid om te mogen ondernemen. Het zou onrechtmatig zijn, om de vestiging van [bedrijfsnaam 2] te weigeren, zeker nu er geen andere 'red flags' te bespeuren zijn en de huurder voldeed aan de toetsing door professioneel bedrijfsmakelaar Boek & Offermans. Het is een volstrekt ondeugdelijke motivatie van het standpunt van verweerder dat verzoekers vraagtekens hadden moeten plaatsen bij de verplaatsing van de activiteiten van [bedrijfsnaam 2] vanuit [*] naar Limburg, nota bene 147 km verderop gelegen, nog geen 2 uur autorijden. De leeftijd van de bestuurder van huurder zou eveneens de wenkbrauwen moeten doen fronsen, aldus verweerder. Ook hier heeft te gelden dat het slechts om een suggestieve onderbouwing gaat aan de zijde van verweerder om aan te tonen dat verzoekers onvoldoende concreet toezicht gehouden hebben. Er is geen maximumleeftijd om te mogen ondernemen, slechts een minimumleeftijd. En daarbij geldt dat er in Nederland 154.000 60+-ers een onderneming exploiteren. Tot slot de verwijzing naar de medische toestand van huurder. De AVG merkt een aantal (limitatief opgesomde) persoonsgegevens aan als 'bijzondere' persoonsgegevens. Daarbij gaat het om persoonsgegevens die (in ieder geval) privacygevoelig zijn. Het betreft onder andere persoonsgegevens over ras, gezondheid en religieuze overtuiging. Uit art. 9 lid 1 AVG volgt dat het gebruik daarvan verboden is, tenzij daar een uitzondering voor is. Verwerking door de (bedrijfsmatig) verhuurder is geen in voornoemde artikelen opgenomen uitzondering en derhalve verboden, daar waar het gaat om verwerking van 'bijzondere' persoonsgegevens. Daarnaast was het doel van de huur van de bedrijfspand om er Poolse uitzend- of detacheringskrachten te werk te stellen c.q. gebruik te laten maken van het pand om van daaruit tot uitvoering van bouwwerkzaamheden over te kunnen gaan. Bouwprojecten waarin [bedrijfsnaam 2] adviseerde. Het door verweerder als eerstgenoemde zaak in het aanvullend verweerschrift d.d. 24 juni 2021 hetwelk aanleiding voor verzoekers had moeten zijn om het gebruik van het pand nader te onderzoeken is derhalve geen rechtmatige onderbouwing van het genomen besluit.

Verweerder draagt daaropvolgend een tweede situatie aan op grond waarvan volgens hem geen sprake kan zijn van 'bijzondere omstandigheden', betreffende het concreet toezicht door verzoekers op verhuurder. "Op de tweede plaats ligt er een inspectierapport van Curo Vastgoed B. V., inzake de inspectie van het bedrijfspand aan de [straatnaam] [nr.] te [plaatsnaam] op 19 februari 2021. Verzoekers had moeten opvallen dat uit de foto's bij het inspectierapport blijkt, dat het bedrijfspand volledig leeg staat terwijl het bedrijfspand al vanaf

1 oktober 2020 is verhuurd (4,5 maand). Zelfs het logo van de eerdere huurder, [--] , is op een van de foto's nog zichtbaar. Een volledig leegstand pand op een bedrijventerrein, gedurende een periode van meerdere maanden, valt op en is een makkelijk/ mogelijk doelwit voor criminelen. Dat er tussen de inspectie van 19 februari 2021 en de inval op 24 maart 2021 een te korte periode zou zijn geweest om tussentijds nog een controle / inspectie uit te voeren, houdt dan ook geen stand. Ook het tweede door verweerder aangedragen punt betreft een suggestieve motivatie, zonder dat verweerder van feitelijkheden uitgaat. Dat een leegstaand pand een makkelijk- of mogelijk doelwit voor criminelen oplevert is geen zekerheid, maar dat volgt reeds uit de toevoeging van het woord 'mogelijk'. En het is dan in het algemeen belang juist de taak van de handhavende instantie om daarop toezicht te houden. Handhaving in de gemeente Sittard-Geleen op dit punt betreft een taak van verweerder zelf, niet die van verzoekers. Verzoekers hadden, uitgaande van de stelling van verweerder dat sprake was van een leegstaand pand (quod non), hoogstens een melding kunnen doen bij verweerder.

In opdracht van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie en Veiligheid is in het kader van de preventief-bestuurlijke aanpak van ondermijning een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de aard van het misbruik van de verhuur van woon- en bedrijfsruimten voor criminele doeleinden en naar mogelijke handelingsperspectieven voor betrokken partijen om dit misbruik tegen te gaan. Daarin wordt het inspecteren van leegstaande panden genoemd als mogelijkheid die de gemeente heeft, niet de verhuurder, om na te gaan of sprake is van criminele activiteiten. De verhuurder controleert of inspecteert slechts op 'gebruik' van het pand. Niet op het ontbreken van een volledige inrichting, materialen of voorraden die een indicatie kunnen zijn, aldus de gemeente, van potentieel criminele activiteiten. De controle op het gebruik van het pand wil zeggen dat in ieder geval vast moet komen te staan dat van gebruik van het pand voor ondermijnende activiteiten geen sprake is. En leegstand is geen indicatie of feitelijke omstandigheid dat daadwerkelijk sprake is van ondermijnende- of criminele activiteiten. Met het gebruik van het pand was, in strafrechtelijke- of civielrechtelijke zin, niets mis ten tijde van de inspectie d.d. 19 februari 2021. En van een betalingsachterstand in huurpenningen was geen sprake. Van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst aan de zijde van huurder was daarmee eveneens geen sprake. De betalingsachterstand ten tijde van de politie-inval van 1 maand huurpenningen levert geen opzeggings- of ontbindingsmogelijkheid van de huurovereenkomst op aan de zijde van verzoekers.

De commissie voor bezwaarschriften wijst ten aanzien van de door eiser genoemde 'bijzondere omstandigheden' op de signaalfunctie van de door verweerder besloten sluiting. De signaalfunctie zou, gezien een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State d.d. 20 december 2017, moeten leiden tot verdere voorkoming van overtredingen in woningen en bedrijfspanden. Deze uitspraak betreft echter een geheel andere casus en bevat omstandigheden die niet gelijk zijn aan de onderhavige situatie. In de door de commissie aangehaalde uitspraak (vindplaats: ECLI:NL:RVS:2017:3481) is de signaalfunctie met name van belang in de voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijken waarin de betrokken woningen liggen, aangezien zichtbare sluiting door het bevoegd gezag bij buurtbewoners tot een grotere meldingsbereidheid leidt. De advocaten-generaal gaan in de aangehaalde conclusie van7 juli 2021 nader in op de 'signaalfunctie' ter motivatie van de toepassing van de sluitingsbevoegdheid op grond van art. 13b Opiumwet. Geconcludeerd wordt o.a. dat in geval van de verzochte intermediate toetsing dat wanneer aan geen van de cruciale in de wetsgeschiedenis genoemde criteria voor sluiting (onrust, onveiligheid, 'loop', handel, productie, intimidatie, frustratie omwonenden) is voldaan de sluiting een onevenredig gevolg heeft. Immers, aan de doelen van de signaalfunctie is reeds voldaan: er heeft een (voor een ieder zichtbare) politie-inval plaatsgevonden, de overtreding is reeds beëindigd en ter voorkoming van herhaling is de huurder direct de wacht aangezegd. De huurovereenkomst werd per direct ontbonden en de sloten werden vervangen.

Het feit dat na 19 februari 2021 en voor 24 maart 2021 geen opvolgende inspectie heeft plaatsgevonden leidt niet tot het gevolg dat onvoldoende concreet toezicht gehouden werd in voornoemde periode. Zoals de voorzieningenrechter reeds vaststelde is de kweekcyclus van hennep acht tot tien weken. Gelet op de kweekcyclus van hennep had het uitblijven van concreet toezicht in de vorm van een inspectie naar o.a. het gebruik van het pand verwijtbaarheid opgeleverd indien die inspectie niet voor 16 april 2021 zou zijn uitgevoerd (acht weken na 19 februari 2021 ). Verzoekers hadden geen weet kunnen hebben van de Opiumwetovertreding of de overtreding kunnen voorkomen.

Verweerder heeft de handhaving van het besluit in bezwaar onvoldoende gemotiveerd.

Op grond van art. 19 van de met huurder gesloten huurovereenkomst waren verzoekers c.q. de ingeschakelde vastgoedbeheerder Curo gerechtigd om het pand periodiek te inspecteren. Inspectie heeft plaatsgevonden bij de oplevering van het pand op 2 oktober 2020 (kwartaal 4 — 2020) en op 19 februari 2021 (kwartaal 1 — 2021) door Curo vastgoed. Tot een volgende inspectie (per kwartaal) is het niet gekomen, althans niet met de huurder tevens overtreder van de bepalingen van de Opiumwet, [bedrijfsnaam 2] . De inval door de politie / FIOD vanwege het vermoeden van het exploiteren van een sigarettenfabriek — nog een aanwijzing dat van signalen van (voorbereidingshandelingen van) overtreding van de Opiumwet geen sprake was — vond immers korte tijd na de laatste inspectie plaats (24 maart 2021). Een volgende inspectie vond plaats d.d. 31 mei 2021. Op dat moment was [bedrijfsnaam 2] geen huurder meer. Per 1 mei 2021 werd met [bedrijfsnaam 1] — de huidige huurder, tevens belanghebbende in deze zaak — een schriftelijke huurovereenkomst gesloten. Dat de (publiekelijke) aanwijzingen van verweerder met betrekking tot de inspectie van- en/of toezicht op het pand opgevolgd waren was, in samenhang met omstandigheden die in een besluit van 27 juli 2017 van verweerder van de gemeente Helmond genoemd werden met zaaknummer 33466477, voor de Raad van State in een uitspraak d.d. 13 maart 2019 voldoende aannemelijk dat hiermee sprake was van bijzondere omstandigheden in de zin van art. 4:84 Awb. en het bestreden besluit om een last onder bestuursdwang op te leggen vernietigd werd. De hier aangetroffen omstandigheden — op grond waarvan verweerder besloot dat sprake was van bijzondere omstandigheden in de zin van art. 4:84 Awb en afzag van handhaving gelden weer dat deze analoog toepasbaar zijn op de onderhavige situatie. De huur werd nimmer contant betaald. Onderhuur is niet toegestaan (hetgeen overigens niet ter zake doende is; de (middellijk) bestuurder van de huurder wordt geacht de overtreder te zijn) en ontbinding van de huurovereenkomst werd ingeroepen. Daarnaast is de verhuur tot stand gekomen via een professioneel makelaar die zich van de identiteit van de huurder heeft vergewist, alsook dat bij sleuteloverdracht e.d. dezelfde contactpersoon aanwezig was. Ook geldt dat de kredietwaardigheid gecheckt werd door de makelaar, werd het pand periodiek gecontroleerd (lx per kwartaal, red.) en heeft de vastgoedbeheerder verzoekers afgemeld bij het energiebedrijf en werd huurder geacht de energieleveranties voor haar rekening te nemen. En zoals eerder vermeld hebben de voornoemde omstandigheden, in combinatie met het periodiek controleren van het bedrijfspand op aanraden van verweerder van de gemeente Sittard-Geleen zoals opgegeven in de publieke campagne, te gelden als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. In dit verband daarmee de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016.

Van verwijtbaarheid is geen- of mogelijkerwijs in zeer geringe mate sprake en de consequenties voor verzoekers en belanghebbende [bedrijfsnaam 1] zijn groot. Het besluit dient te worden vernietigd nu het in strijd is met de bepaling van art. 4:84 Awb.

Verzoekers concluderen dat de noodzaak om tot sluiting over te gaan ontbreekt in de onderhavige situatie.

De omstandigheden van dit geval maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.

6.1.

Verzoekster heeft naar voren gebracht dat haar belangen zwaarder dienen te wegen dan de belangen van verweerder. Verzoekster heeft al veel tijd en geld gestopt in het opknappen van de loods. Verweerder heeft geen reëel belang meer bij een sluiting. De sluiting zou op zijn vroegst 6 maanden na de inval van de politie op 24 maart 2021 kunnen plaatsvinden. In de tussenliggende periode is het pand geheel verbouwd waardoor iedere vingerwijzing naar criminele activiteiten is verdwenen. De sluiting zal onevenredige gevolgen voor verzoekster hebben terwijl het doel reeds overbodig is geworden. In het beroepschrift is hieraan toegevoegd dat het door verweerder aangehaalde “afschrikkingseffect” geen doel zal treffen nu de loods is gelegen in een vrijwel afgesloten omgeving. Door de aanpassingen is nu duidelijk dat er een nieuwe huurder in het pand zit en de nieuwe uitstraling heeft een afschrikkend effect. Verweerder onderbouwt onvoldoende waarom de voorgenomen sluiting meer afschrikkend effect zou hebben. Het gebouw is, door de vervanging van alle sloten en werkzaamheden ter verbetering/beveiliging van het pand hebben plaatsgevonden, enkel voor verzoekster toegankelijk. Gelet hierop wordt enkel verzoekster, de verhuurders en klanten getroffen door de voorgenomen sluiting. Verzoekster is van mening dat een waarschuwing of een minder vergaande regeling eerder op zijn plaats zou zijn. Door het sluiten van het pand wordt verzoekster fataal geraakt in haar bedrijfsvoering. Zij zal haar zaken niet kunnen voortzetten. Voor verzoekster is het uitermate van belang dat haar bedrijfsvoering niet wordt gestaakt, omdat zij zich in een opstartfase bevindt. Bovendien bestaat een aanmerkelijke kans op een faillissement van eiseres terwijl het belang van verweerder niet dan wel onvoldoende is onderbouwd. Verzoekster wijst voorts op de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

7. Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

7.1.

Uit de gedingstukken is gebleken dat verzoekers een voldoende spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat in geval van verzoekers een spoedeisend belang is gelegen in de omstandigheid dat sprake is van een nieuwe huurder en in geval van verzoekster is het spoedeisend belang gelegen in het /opstarten continueren van haar bedrijf, zodat beoordeeld dient te worden of er aanleiding is een voorlopige voorziening treffen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 7 bedoelde situatie zich voordoet en ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaken.

Wettelijk kader

8. Artikel 11a van de Opiumwet bepaalt:

Hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met

gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.

8.1.

Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet luidt:

De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:

a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;

b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.

9. In geding zijn de noodzaak tot sluiting van de loods en de evenredigheid van het besluit tot sluiting van het pand.

9.1.

Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt een bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling – zie de uitspraak van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912) – moet verweerder bij het beoordelen of sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb, alle omstandigheden van het geval betrekken. Bij deze beoordeling is in de eerste plaats van belang in hoeverre sluiting van een pand noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de ernst en de omvang van de overtreding. Vervolgens moet worden beoordeeld of sluiting van het pand evenredig is, zie de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912). Bij deze beoordeling spelen de mate van verwijtbaarheid en de gevolgen van de sluiting een rol.

10. Ten aanzien van de noodzaak van de sluiting verwijst de voorzieningenrechter naar de overwegingen in de uitspraak van 14 juni 2021. Weliswaar is niet eerder in de loods een overtreding van de Opiumwet geconstateerd en heeft gelet op de aangetroffen materialen ook geen feitelijke handel dan wel productie van softdrugs plaatsgevonden. Er was wel sprake van voorbereidingshandelingen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat sluiting van het pand noodzakelijk omdat het voorhanden hebben van de materialen niet los kan worden gezien van de faciliterende rol in de grootschalige handel in hennep en de negatieve invloed daarvan op de openbare orde en het woon- en leefklimaat. Sluiting was derhalve noodzakelijk om zo de connectie met het drugscircuit te verbreken. De voorzieningenrechter overweegt dat gelet op de grootschaligheid van de voorbereidingshandelingen voor het kweken van hennepplanten er sprake moet zijn geweest van “loop” naar het pand. Daarmee blijft naar het oordeel van de voorzieningenrechter het belang bij het wegnemen van een faciliterende rol in grootschalige handel in hennep en de negatieve invloed daarvan op het openbare leven en het woon- en leefklimaat overeind. De sluiting van het pand kan mitsdien noodzakelijk worden geacht.

De evenredigheid

11. Als sluiting van het pand in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenredig moet zijn. De beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de gevolgen van de sluiting voor verzoekers komen in dit kader aan de orde. Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden maken dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Verzoekers hebben betoogd dat de sluiting van de loods voor de duur van zes maanden niet evenredig is.

Verzoekers (eigenaren van het pand)

11.1.

Het doel van de huur van het pand om er Poolse uitzend- of detacheringskrachten te werk te stellen c.q. gebruik te laten maken van het pand om van daaruit tot uitvoering van bouwwerkzaamheden over te kunnen gaan. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekers alles in het werk hebben gesteld om bij het aangaan van de huurovereenkomst met [bedrijfsnaam 2] ( [bedrijfsnaam 2] ) er zeker van te kunnen zijn dat zij in zee gaan met een betrouwbare huurder. Verzoekers hebben een professionele makelaar met een NVM-lidmaatschap ingeschakeld. Verzoekers hebben een vastgoedbeheerder (Curo) ingeschakeld. Zij hebben zich laten informeren over de financiële positie van de huurder. Er werd een huurovereenkomst getekend, alle afspraken met de huurder (o.a. oplevering en sleuteloverdracht) vonden plaats met dezelfde persoon/huurder. Voorts zijn in het huurcontract bepalingen opgenomen met betrekking tot het zelfstandig aangaan van een energieovereenkomst door de huurder, het toezicht op het pand en de ontbindingsmogelijkheden in geval van overtreding van de Opiumwet. Dit in overeenstemming met de aanbevelingen van de campagne “Wat staat er op het Spel?’, waarbij verweerder één van de deelnemende partijen is.

11.2.

Voorts is niet in geding dat de signalen die in het kader van voornoemde campagne zijn opgesomd onder tips en aanbevelingen om bedacht te zijn op zorgwekkende omstandigheden die mogelijk wijzen op overtreding van de Opiumwet zich niet hebben voorgedaan. Ook is niet in geding dat in de huurovereenkomst van verzoekers met [bedrijfsnaam 2] soortgelijke bewoordingen bevat als het voorbeeld van een huurovereenkomst, ter beschikking gesteld in het kader van voornoemde campagne.

11.3.

In het primaire besluit heeft verweerder hieromtrent opgenomen dat verzoekers gedegen (voor)werk hebben gedaan bij het aangaan van de huurovereenkomst. Verweerder was ervan overtuigd dat verzoekers zeker niet betrokken wilden raken bij criminele activiteiten in het verhuurde pand. Gezien de aard, combinatie en hoeveelheid goederen is verweerder echter van mening dat verzoekers wisten of ernstige redenen hadden om te vermoeden dat deze goederen bestemd waren voor grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt. Verder is overwogen dat dat hoewel verweerder ervan overtuigd is dat verzoekers er alles aan hebben gedaan om bij het aangaan van de huurovereenkomst zeker te zijn dat zij een huurovereenkomst sloten met een betrouwbare huurder, is er na het sluiten van de huurovereenkomst niet gebleken van concreet toezicht in het verhuurde pand dan wel controle op het gebruik van het verhuurde pand door verzoekers. Voorts geeft verweerder aan dat verzoekers voortvarend te werk zijn gegaan bij de ontbinding van de huurovereenkomst met [bedrijfsnaam 2] . Vervolgens heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzoekers onvoldoende concreet toezicht hebben gehouden.

11.4.

Het is vaste jurisprudentie dat van een eigenaar van een pand mag worden verwacht dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het door hem verhuurde pand wordt gemaakt (zie onder meer ECLI:NL:RVS:2019:2462).

11.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers in voldoende mate aan deze verplichting hebben voldaan. Hiertoe overweegt hij als volgt.

11.6.

Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat er twee in het oog springende zaken zijn die verzoekers hadden moeten nopen het gebruik van het pand nader te onderzoeken.

11.7.

Op de eerste plaats betrof dit het feit dat [bedrijfsnaam 2] is gevestigd/standplaats heeft in [plaatsnaam 3] respectievelijk [plaatsnaam 4] , provincie [*] . Verzoekers hadden zich kunnen afvragen waarom [bedrijfsnaam 2] uitgerekend in Limburg/verweerders gemeente een bedrijfspand willen huren. Nog afgezien van het feit dat het voor een bedrijf uit een bepaalde provincie om welke reden dan ook niet verboden is zich te vestigen/uit te breiden naar een andere standplaats/provincie vermag de voorzieningenrechter niet in te zien waarom dit gegeven voor verzoekers aanleiding had moeten zijn nader onderzoek te plegen. Op voorhand kan hieruit niet worden geconcludeerd dat er redenen zijn om onderzoek te doen naar criminele activiteiten (al dan niet in het kader van de Opiumwet).

11.8.

In dit verband stelt verweerder zich tevens op het standpunt dat de leeftijd van de bestuurder van [bedrijfsnaam 2] en het feit dat hij een hartinfarct heeft gehad verzoekers eveneens had moeten nopen nader onderzoek te doen. Ook hierin kan de voorzieningenrechter verweerder niet volgen. Ondernemerschap is in Nederland niet gebonden aan een maximumleeftijd. Voorts kan aan een bepaalde leeftijd niet het vermoeden worden ontleend dat daarom al sprake zou kunnen zijn van eventuele criminele activiteiten. Hetzelfde geldt ten aanzien van het feit dat een ondernemer in het verleden te kampen heeft gehad met medische problemen. Voor verzoekers bestond op grond van deze feiten dan ook geen aanleiding nader onderzoek te doen.

11.9.

Op de tweede plaats geeft verweerder aan dat er een inspectierapport van Curo inzake het pand is van 19 februari 2021 aanleiding had moeten vormen om nader onderzoek te plegen. Hieruit kwam namelijk naar voren dat het pand volledig leeg stond, terwijl de huur al 4,5 maanden eerder was ingegaan. Een gedurende een zekere periode leegstaand pand maakt dat zo’n pand tot een makkelijk/mogelijk doelwit voor criminelen. Volgens verweerder houdt voorts verzoekers standpunt dat er een te korte periode is gelegen tussen de controle en de inval op 24 maart 2021 geen stand.

11.10.

De voorzieningenrechter overweegt hierover dat niet in geding is dat ten tijde van de inspectie het pand leegstond. Er is echter op dat tijdstip geen sprake van aanwijzingen die duiden op ondermijnende of criminele activiteiten. Met het (niet) gebruik van het pand was op dat moment niets aan de hand. De voorzieningenrechter overweegt dat hieraan ook andere redenen ten grondslag kunnen liggen zoals de keuze van de huurder om om welke reden dan ook op een later tijdstip van start te gaan. Eveneens was op dat moment geen sprake van een betalingsachterstand van de huurpenningen of van een andere tekortkoming van de kant van de huurder. Hierbij merkt de voorzieningenrechter op dat verzoekers eveneens voldaan hadden aan hun kwartaalgewijze onderzoekplicht, zoals opgenomen in de informatie over de wijze waarop problemen kunnen worden voorkomen in het kader van de hierboven genoemde campagne.

12. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat het handelen van de verweerder overeenkomstig het Damoclesbeleid in dit geval voor verzoekers gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met dit beleid te dienen doelen. De belangen van verzoekers dienen te prevaleren boven het belang van de verweerder.

13. Gelet op het voorgaande dient het beroep van verzoekers gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De voorzieningenrechter ziet vervolgens aanleiding om, gelet op hetgeen hierboven is overwogen en het feit dat ter zitting is gebleken dat verweerder het niet eens was, en zal zijn met een beslissing dat een sluiting voor 6 maanden in dit geval niet evenredig is, zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit te herroepen.

Verzoekster

14. Verzoekster heeft aangedragen dat zij als nieuwe huurder onevenredig hard getroffen wordt door een sluiting van de loods voor de duur van zes maanden. Verzoekster stond reeds voor de inval van 24 maart 2021 in contact met verzoekers over een eventuele huur van de loods. Op 23 maart 2021 (een dag voor de inval) hebben verzoekers een afspraak gemaakt om op 26 maart 2021 de loods te gaan bezichtigen. Naar aanleiding van de bezichtiging hebben verzoekers mondelinge overeenstemming bereikt over het huren van de loods. Op een later moment hebben verzoekers een schriftelijk huurovereenkomst getekend waaruit volgt dat verzoekster met ingang van 1 mei 2021 de nieuwe huurder van de loods is.

15. In punt 13 van het Damoclesbeleid is het volgende opgenomen: “Een wijziging in de huursituatie wordt als niet terzake doende beschouwd indien deze wordt aangebracht nadat het voornemen tot oplegging van een last onder bestuursdwang is uitgegaan. De ratio hierachter is dat de verhuurder niet met het plaatsen van andere huurders onder de oplegging van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom kan uitkomen. Het is immers op dat moment nog steeds noodzakelijk de ernstige gevolgen van de drugshandel teniet te doen door onder meer de loop van een dergelijk pand te halen. Het enkel plaatsen van nieuwe huurders leidt niet tot het voorkomen van herhaling van een met de wet strijdige situatie.” Tijdens de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening in bezwaar is door de burgemeester betoogd dat hier sprake is van een situatie als bedoeld in punt 13 van het Damoclesbeleid. De voorzieningenrechter was het toen met de burgemeester eens dat er met het sluiten van de huurovereenkomst een nieuw belang is gecreëerd, hetgeen echter niet betekende dat aan dit nieuwe belang bij de beoordeling geheel voorbij moet worden gegaan. Hierbij sluit de voorzieningenrechter zich aan.

16. Vast staat dat verzoekster vanaf de dag van de bezichtiging van het pand, zijnde

26 maart 2021, op de hoogte was van de situatie die zich tot 24 maart 2021 heeft voorgedaan in de loods. Een mogelijke sluiting van de loods was hierdoor, mede gelet op het geldende Damoclesbeleid, reeds kenbaar voor verzoekster. Ter zitting is door verzoekster onweersproken gesteld dat reeds op 15 maart 2021 verzoekster in contact stond met verzoekers over de huur van het pand. Op 22 maart 2021 heeft verzoekster zich tot verweerder gewend met een aantal vragen over het onderhavige pand. Daarbij is aangegeven dat men zich in de onderhandelingsfase bevindt. Op 26 maart 2021, derhalve vóórdat het voornemen van verweerder om het pand te sluiten naar de verhuurders was verzonden, was mondelinge overeenstemming bereikt over de huur van het pand. Eveneens staat vast dat door de burgemeester niet is bestreden dat de loods na 24 maart 2021 door verzoekster is opgeknapt, dat er (commerciële) bedrijvigheid plaatsvindt, dat er nieuwe sloten zijn aangebracht en dat er niet langer een connectie is met de drugscriminaliteit. In de zienswijzen van zowel verzoekers (verhuurders) van 15 april 2021 is aangegeven dat de nieuwe huurder op eigen kosten de nodige werkzaamheden heeft uitgevoerd die het pand een geheel nieuwe en frisse aanblik geven, zowel buiten als binnen. Verzoekster heeft in haar zienswijze van 19 april 2021 aangegeven al weken bezig te zijn om de ravage die de vorige huurders hebben achtergelaten te herstellen.

17. Wat er ook zij van het sluiten van de overeenkomst op 1 mei 2021 is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de belangen van verzoekster onvoldoende heeft meegewogen in het bestreden besluit. Op de eerste plaats is in de onderliggende zaak sprake van een nieuwe huurder. Daarbij laat de voorzieningenrechter niet alleen wegen de periode die voorafging aan de indiening van de zienswijzen en de in die periode getroffen maatregelen door verzoekster maar ook de overige belangen die verzoekster heeft aangevoerd, zoals het aangaan van contracten, het in dienst nemen van werknemers, het feit dat de onderneming zich in een opstartfase bevindt en dat derhalve van belang is dat daadwerkelijk gestart kan worden en anders klanten niet bediend kunnen worden met als uiterste consequentie een faillissement.

18. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter ook ten aanzien van verzoekster van oordeel dat het handelen van de verweerder overeenkomstig het Damoclesbeleid in dit geval voor verzoekster gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met dit beleid te dienen doelen. De belangen van verzoekster dienen te prevaleren boven het belang van de verweerder.

19. Gelet op het voorgaande dient ook dit beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De voorzieningenrechter ziet vervolgens aanleiding om, gelijk al eerder overwogen, zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit te herroepen.

20. Omdat de voorzieningenrechter de beroepen gegrond verklaart, bepaalt hij dat verweerder aan verzoekster en verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

21. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers (verhuurders) gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.992,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, gelijk aan het beroepschrift, 1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, telkens met een waarde per punt van € 748,- en wegingsfactor 1).

22. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster (huurster) gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.740,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift,

1. punt voor het verschijnen ter zitting, telkens met een waarde per punt van € 748,- en wegingsfactor 1).

23. De verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen omdat, nu de voorzieningenrechter zelf in de hoofdzaken voorziet, geen noodzaak meer bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers (verhuurders) tot een bedrag

van € 2.992,--

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster (huurster) tot een bedrag van

€ 3.740,--

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 362,-- (2 keer € 181,--) aan verzoekers (verhuurder) te vergoeden.

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 720,-- (2 keer € 360,--) aan verzoekster (huurster) te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Schrammen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2021

De griffier is buiten staat te tekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 30 september 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op de voorlopige voorzieningen, staat geen rechtsmiddel open. Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroepen, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.