Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:7178

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-09-2021
Datum publicatie
13-10-2021
Zaaknummer
9278608 cv expl 21-2996
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In deze procedure gaat het over de vraag of een persoon waarvan het inkomen onder bewind is gesteld een geneeskundige overeenkomst kan sluiten. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Hierbij wordt aangehaakt bij relevante jurisprudentie (ECLI:NL:RBAMS:2021:17 en ook ECLI:NL:RBOBR:2018:6750).

De vordering is echter niet verhaalbaar. Het bewind is gepubliceerd en de tandarts had het register moeten raadplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2022/17
RFR 2022/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 9278608 \ CV EXPL 21-2996

Vonnis van de kantonrechter van 22 september 2021

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INFOMEDICS B.V.,

gevestigd te Almere,

eisende partij,

gemachtigde YARDS Deurwaardersdiensten BV,

tegen:

[bewindvoerder] , (mede) handelende onder de naam [bewindvoerder] , in diens hoedanigheid van bewindvoerder van [gedaagde],

[adres]

,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. J.H.M. Verstraten.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft op 11 mei 2018 een tandheelkundige behandeling gehad bij Tandartspraktijk [naam] . Bij factuur van 18 augustus 2020 is een bedrag van € 349,87 in rekening gebracht. De factuur is niet betaald.

2.2.

Bij beschikking van 1 juni 2018 is een bewind ingesteld over het inkomen en vermogen van [gedaagde] . De beschikking is opgenomen in het centraal curatele- en bewindregister.

2.3.

Op 22 juni 2020 heeft gedaagde partij Tandartsenpraktijk [naam] op de hoogte gesteld van het bewind en gevraagde de overeenkomst te vernietigen.

2.4.

Tandartsenpraktijk [naam] heeft haar vordering in eigendom overgedragen aan eisende partij.

3 Het geschil

3.1.

Eisende partij vordert - samengevat - veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 407,37 (€ 349,87 aan hoofdsom, € 5,02 aan rente tot 17 mei 2021 en € 52,48 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Eisende partij stelt dat een bewindvoerder niet mag beslissen over een medische behandeling en de kosten daarvan. De beslissing daarvan is voorbehouden aan de mentor of curator. De zorgverlener heeft bovendien geheimhoudingsplicht.

3.3.

Gedaagde partij voert verweer en stelt dat Tandartsenpraktijk [naam] op de hoogte had kunnen zijn van het bewind omdat dit gepubliceerd is in het centraal curatele- en bewindregister. Op basis van artikel 3:32, lid 2 BW moet de overeenkomst vernietigd worden.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In deze zaak gaat het over de vraag of gedaagde partij (als bewindvoerder over het inkomen en vermogen van [gedaagde] ) de factuur van de tandarts moet betalen. Eisende partij stelt zich op het standpunt dat zij de vordering terecht heeft ingesteld maar gedaagde partij wijst op het bestaan van het bewind en komt tot de conclusie dat de vordering dient te worden afgewezen. De kantonrechter komt tot het volgende oordeel.

4.2

In deze zaak zijn twee aspecten van de onderbewindstelling van belang. Enerzijds de vraag of de onderbewindgestelde de overeenkomst met de tandarts mocht aangaan en anderzijds de vraag of eisende partij zich op de onderbewindgestelde goederen kan verhalen. In het debat tussen partijen valt op dat eisende partij met name aandacht besteed aan de eerste vraag terwijl gedaagde partij beide aspecten noemt.

4.3

De eerste vraag dient naar het oordeel van de kantonrechter positief te worden beantwoord. Gelet op de redeneringen zoals opgenomen in ECLI:NL:RBAMS:2021:17 en ook ECLI:NL:RBOBR:2018:6750 is uitgangspunt dat de onderbewindgestelde voor wat betreft medische beslissingen zelfstandig behandelingsovereenkomsten kan sluiten. De overeenkomst kent dan ook geen ongeldigheid op basis van artikel 1:438 BW. Daarmee is echter nog niet gegeven dat de vordering verhaalbaar is.

4.4

In artikel 1:440 lid 1 BW is bepaald: “Schulden die voortspruiten uit een handeling, tijdens het bewind met of jegens de rechthebbende, anders dan in overeenstemming met artikel 438, tweede lid, verricht door een schuldeiser die het bewind kende of had behoren te kennen, kunnen niet op de onder het bewind staande goederen worden verhaald. (…)”

Of een derde het bewind behoorde te kennen, hangt er van af of het bewind is gepubliceerd (zie art. 1:436 lid 3 BW). Daarnaast zijn de feitelijke omstandigheden van belang. In geval van publicatie zal de derde moeten stellen en bewijzen dat hij desalniettemin het bewind niet kende en ook niet behoorde te kennen.

4.5

In deze zaak is het bewind gepubliceerd. Dit staat als niet weersproken tussen partijen vast. Het register is makkelijk doorzoekbaar en gratis te raadplegen. Van de tandarts mag worden verwacht dat hij het register raadpleegt. Hij behoort daarom het in het openbaar register ingeschreven feit te kennen en kan om die reden geen beroep doen op de derdenbescherming. Conclusie is dan ook dat eisende partij de vordering niet kan verhalen op de onderbewindgestelde goederen. In dit verband wijst de kantonrechter volledigheidshalve ook op ECLI:NL:GHSHE:2021:188, met name r.o.v. 6.6.5 e.v., waarin overwogen en beslist is dat dit ook het geval is na beëindiging van het bewind en voor goederen die na het bewind tot het vermogen van de op onderbewindgestelde gaan behoren. De vordering dient derhalve afgewezen te worden.

4.6

Hetgeen partijen voorts hebben aangevoerd maakt het vorenstaande niet anders.

Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van gedaagde partij worden begroot op € 150,00 (2 x tarief € 75,00).

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt eisende partij in de proceskosten aan de zijde van gedaagde partij gevallen en tot op heden begroot op € 150,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken.

type: PLG

coll: