Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:7029

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
03.137420.20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bedreigen van zijn ex-vriendin. Tevens heeft de verdachte een revolver en munitie voorhanden gehad. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03.137420.20

V.I.-zaaknummer : 99-000497-24

tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 september 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1984,

wonende te [adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. B.H.M. Nijsten, advocaat kantoorhoudende te Cadier en Keer.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 31 augustus 2021. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: in de periode van 10 mei 2020 tot en met 21 mei 2020 [slachtoffer] heeft gestalkt;

Feit 2: in de periode van 10 mei 2020 tot en met 21 mei 2020 [slachtoffer] heeft bedreigd;

Feit 3: op of omstreeks 22 mei 2020 een revolver en munitie voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

3.1

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in diens vervolging ten aanzien van feit 1. Hoewel aangeefster [slachtoffer] binnen de klachttermijn van drie maanden een klacht heeft ingediend, heeft zij deze klacht later weer ingetrokken. Uit de intrekking van deze klacht volgt de wens van aangeefster om de verdachte niet langer te vervolgen voor de onder feit 1 tenlastegelegde belaging.

3.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat hij ten aanzien van feit 1 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hoewel aangeefster [slachtoffer] op 21 mei 2020 tegelijk met haar aangifte van belaging ook een klacht indiende, trok zij deze klacht later weer in. De op schrift gestelde intrekking van deze klacht is ontvangen door het Openbaar Ministerie en dateert van 12 juni 2020. Deze datum is gelegen buiten de door artikel 67 Sr genoemde 8-dagen termijn waarbinnen een klacht – nadat hij is ingediend – kan worden ingetrokken. Maar de wens om de klacht in te trekken heeft [slachtoffer] reeds op 22 mei 2020, dus binnen de 8-dagen termijn, aan de politie kenbaar gemaakt. De politie (hulpofficier van justitie) had de intrekking toen zelf kunnen afhandelen, maar verwees aangeefster onnodig naar het Openbaar Ministerie.

3.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat aangeefster [slachtoffer] op 21 mei 2020 aangifte deed van belaging door de verdachte. Op diezelfde datum diende zij een klacht in bij de hulpofficier van justitie waarin zij uitdrukkelijk verzocht om tot vervolging van de verdachte over te gaan. Op 12 juni 2020 trok zij de klacht schriftelijk in. In deze brief schrijft zij dat zij al op 24 of 25 mei 2020 heeft aangegeven de klacht te willen intrekken. De officier van justitie heeft ter terechtzitting bevestigd dat [slachtoffer] op de maandag na de aanhouding van de verdachte – dit is 25 mei 2020 – telefonisch heeft aangegeven haar klacht te willen intrekken.

De rechtbank stelt gelet op het vorenstaande vast dat [slachtoffer] de wens om haar klacht in te trekken binnen de geldende termijn kenbaar heeft gemaakt aan de politie. Nu de wet niet de eis stelt dat een klacht schriftelijk moet worden ingetrokken (artt. 166 jo. 164 Sv) en de intrekking anderzijds door de hulpofficier van justitie had kunnen en moeten worden afgehandeld ( art. 165 lid 2 jo. 156 lid 1 Sv), acht de rechtbank het mondeling kenbaar maken van de intrekkingswens aan de politie voldoende. De rechtbank is met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat met de intrekking van de klacht het recht om de verdachte te vervolgen voor feit 1 is komen te vervallen, hetgeen leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie voor dit feit.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. De verdachte heeft bekend de onder feit 2 tenlastegelegde bedreigingen te hebben geuit. Deze bedreigingen bestonden onder andere uit het toesturen van een afbeelding waarop een gedeelte van een vuurwapen te zien is, alsmede het toesturen van een video waarop te zien is dat iemand met een vuurwapen schiet. De officier van justitie stelt dat het vuurwapen dat op deze afbeelding en video te zien is, gelijkenis vertoont met het vuurwapen dat later in de motorjas van de verdachte is aangetroffen. Voorts zijn op de video motorhandschoenen en een gedeelte van een motor te zien, welke gelijkenis vertonen met de motorhandschoenen en de motor van de verdachte. Ook is er op het wapen DNA aangetroffen van de verdachte en zijn er getuigen die verklaren dat het wapen en de munitie van de verdachte zijn. Al deze omstandigheden tezamen maken volgens de officier van justitie dat gesteld kan worden dat het wapen en de munitie aan de verdachte toebehoorden, hetgeen onder 3 aan de verdachte is tenlastegelegd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard gelet op de aangifte en de bekennende verklaring van de verdachte. Van feit 3 dient de verdachte te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van een revolver. De revolver is in de motorjas van de verdachte aangetroffen, maar de verdachte wist niet dat dit wapen zich in zijn motorjas bevond. Mogelijk heeft een ander dit wapen – zonder zijn medeweten – in zijn jas gestopt. Het wapen was van de neef van de verdachte. De verdachte heeft dit wapen wel eens in zijn handen gehad in de woning van zijn neef, hetgeen verklaart waarom er DNA van de verdachte op het wapen is aangetroffen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Feit 2

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte [slachtoffer] heeft bedreigd en zal, nu de verdachte dat feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 31 augustus 2021 afgelegd;

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 21 mei 2020, p. 152 tot en met 157 van de doornummering.

Feit 3 bewijsmiddelen

Op 22 mei 2020 ziet een observatieteam dat de verdachte al rijdend op een donkerkleurige motor van het merk Yamaha de parkeerplaats van een appartementencomplex aan de Kasteel Hillenraadweg te Maastricht komt oprijden. De verdachte draagt een zwarte motorjas met op de schouders opvallende roodkleurige vakken. Ook wordt gezien dat de verdachte donkerkleurige handschoenen draagt. Gezien wordt dat de verdachte contact maakt met een persoon die in een auto, merk Nissan, zit. De verdachte doet zijn helm af, beweegt rondom de auto, demonteert daarna zijn motorkoffer en legt die in de auto en loopt samen met de man vanaf de auto richting het appartementencomplex aan de Kasteel Hillenraadweg. Deze man wordt herkend als zijnde [naam 1] . De verdachte heeft op dat moment zijn motorjas aan. Vervolgens treedt een arrestatieteam de woning van voornoemde [naam 1] aan de Kasteel Hillenraadweg [nummer] te Maastricht binnen, waar de verdachte wordt aangehouden.2 Deze woning wordt daarna doorzocht waarbij de bewoners, [naam 2] en [naam 1] , aanwezig zijn. [naam 2] deelt mee dat de verdachte bij hen op bezoek was en dat hij bij binnenkomst een rugzak bij zich had, welke rugzak nu op het balkon stond. Verder wees zij in de woonkamer een plastic zak en een jas aan, welke voorwerpen beide van de verdachte zouden zijn. In de rugzak die op het balkon stond, werden onder andere bankpasjes op naam van de verdachte aangetroffen alsmede een holster. In de plastic zak werd kleding aangetroffen, met daaronder 9 kleine patronen, 10 patronen en 33 patronen in een blauwe doos. In de linker zak van de jas die over de stoel in de woonkamer hing, werd een revolver met in de cilinder 6 patronen en 1 huls aangetroffen.3 Deze genoemde voorwerpen werden fotografisch vastgelegd.4 In de eerder genoemde auto van het merk Nissan werden motorhandschoenen aangetroffen in een helm die aan de bijrijderszijde op de grond lag.5

[naam 1] heeft verklaard dat hij wist dat verdachte een vuurwapen had en dat hij de verdachte ook vaker met het vuurwapen heeft gezien en dat verdachte dan speelde met de cilinder van het wapen.6

De ex-partner van de verdachte, [slachtoffer] , heeft na het verbreken van de relatie met de verdachte in haar woning een plastic zak van de verdachte aangetroffen met daarin een vuurwapen, een holster, een blauw/wit doosje en flesje lijkend op schoonmaakmiddel. Zij verklaart dat verdachte naar haar huis is gekomen en de zak heeft meegenomen.7 Een foto van de inhoud van deze plastic zak heeft zij toegevoegd aan haar aangifte.8

De revolver en de munitie zijn onderzocht door verbalisanten van het team forensische opsporing, expertise wapens, munitie en explosieven. Uit dit onderzoek volgt dat het een revolver van het merk Nagant betreft, kaliber 7,62 millimeter, zijnde een wapen in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie (Wwm). De munitie in de revolver betreft 6 kogelpatronen en 1 verschoten huls. Het gaat hier om munitie in de zin van artikel 2, tweede lid, categorie III van de Wwm.9 De munitie die in de plastic zak werd aangetroffen, betreft in totaal 52 kogelpatronen van categorie III Wwm.10

Uit onderzoek is gebleken dat van de revolver een enkelvoudig DNA-profiel kon worden afgeleid dat overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard.11

De op 22 mei 2020 in de motorjas van de verdachte aangetroffen revolver toont gelijkenis met de revolver die te zien is op de door de verdachte aan [slachtoffer] verstuurde dreigvideo. Ook de motorhandschoenen en de motor die op deze video te zien zijn, tonen veel gelijkenis met de bij de verdachte op 22 mei 2020 aangetroffen en inbeslaggenomen handschoenen en motor.12

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de motorjas, de rugzak op het balkon en de plastic zak in de woonkamer van de woning aan het adres Kasteel Hillenraadweg [nummer] te Maastricht zijn aangetroffen, van hem zijn. Ook heeft hij bekend dat de munitie van hem is.

Bewijsoverwegingen

Door de verdediging is betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van een revolver, aangezien de verdachte niet wist dat het revolver in zijn motorjas zat. Daartoe is aangevoerd dat hij tijdens het dragen van de motorjas vlak vóór het moment van zijn aanhouding, geen wapen in de zak van de motorjas heeft gevoeld. Vervolgens heeft de verdachte de motorjas na binnenkomst in de woning van zijn neef [naam 1] en diens vriendin, over de stoel gehangen. Tussen dat moment en het moment waarop de verdachte werd aangehouden door het arrestatieteam, is de revolver mogelijk door [naam 1] of diens vriendin in de jaszak van de verdachte gestopt.

De rechtbank stelt vast dat er geen feiten of omstandigheden zijn die de lezing van de verdediging ondersteunen. De revolver is in de motorjas van de verdachte aangetroffen. Deze motorjas heeft hij kort voor de aanhouding gedragen. Op de revolver is DNA aangetroffen dat overeenkwam met het DNA van de verdachte. De revolver komt overeen met het wapen met toebehoren dat [slachtoffer] in haar woning bij de spullen van de verdachte aantrof en waarvan zij een foto maakte. Op die foto zijn ook een blauw-wit doosje met munitie te zien, een holster en een flesje wapenolie. Al deze spullen zijn op 22 mei 2020 ook aangetroffen in de woning van [naam 1] in de plastic zak dan wel in de rugzak die volgens de verdachte hem toebehoren. Ten slotte heeft de verdachte [slachtoffer] veelvuldig gedreigd op haar te zullen schieten. Deze dreigementen zette de verdachte kracht bij door aan [slachtoffer] een foto van een vuurwapen te sturen alsmede een video waarop te zien is dat er eenmaal met een wapen wordt geschoten. Het wapen dat op deze foto en video te zien is, toont sterke gelijkenissen met de revolver die op 22 mei 2020 in de jas van de verdachte is aangetroffen. Ook de motor en de motorhandschoenen die op de video deels te zien zijn, tonen gelijkenissen met de motor en motorhandschoenen van de verdachte.

Dit alles maakt de bewering van de verdachte dat hij niet wist van de revolver in zijn motorjas en het wapen na aankomst in het appartement door een ander in de zak van zijn motorjas moet zijn gestopt onaannemelijk.

Aldus staat voor de rechtbank genoegzaam vast dat de verdachte weet had van de revolver in zijn jaszak en dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Hetzelfde geldt voor de munitie, waarvan hij heeft bekend dat deze van hem is. Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

Feit 2:

in de periode van 10 mei 2020 tot en met 21 mei 2020 in de gemeente Maastricht, meermalen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] meermalen middels WhatsApp en Instagram en Wickr Me berichten te sturen inhoudende onder meer de dreigende woorden:

"Kan ook mijn blaffer meenemen die keus wordt boor mij steeds makkelijker. Heb toch niks meer te verliezen. Door jou."

en

"Ik krijg jou. Al moet ik weer gaan zitten."

en

"Ga geluk 5 j weg. DN maak ik je af als ik buiten Kom."

en

"Nu of ik schiet straks. Oké ik kom schieten"

en

"Dag [slachtoffer] . Meer dan 2 kogels. OK niet meer 110x. Ik schiet straks"

en

"Ik schiet voor ga werken bent toch wakkert."

en

" [slachtoffer] ik ga jou vernietigen als wat bij jou jij hebt gebruikt komt je duur te staan. Laatste kans doe je me Open of kies dat je miss kapot schiet perongeluk."

en

Ik maak je kapot einde discussie. Je hebt geen leven meer. Ik kom cola halen. En jou klappen."

en

"Ik snuif extra dikke lijn dan schiet ik tenminste op je"

en

"Maar jij gaat binnen late of ik schiet echt."

en

door die [slachtoffer] middels WhatsApp een video te sturen waarop te zien is dat iemand met een vuurwapen schiet

en

door die [slachtoffer] middels Wickr Me een afbeelding te sturen waarop een gedeelte van een vuurwapen te zien is;

Feit 3:

op 22 mei 2020 in de gemeente Maastricht een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver (merk Nagant, kaliber 7,62 millimeter) en munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten 58 kogelpatronen, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

Feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De straf

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 13 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat volstaan kan worden met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest (ruim zeven maanden), in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld dezelfde voorwaarden als die thans zijn verbonden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn ex-partner [slachtoffer] . De verdachte heeft zijn frustratie en de onmacht die hij voelde na de beëindiging van de relatie door [slachtoffer] , geuit door [slachtoffer] te bedreigen. Door deze uitlatingen heeft de verdachte voor zowel [slachtoffer] als haar kinderen een beangstigende situatie gecreëerd. De verdachte dreigde immers onder meer om [slachtoffer] dood te schieten en heeft haar zelfs een video opgestuurd waarin een vuurwapen werd afgeschoten, hetgeen voor [slachtoffer] zeer beangstigend moet zijn geweest mede gelet op het feit dat zij wíst dat de verdachte beschikte over een vuurwapen en wist dat de verdachte in het verleden is veroordeeld voor een poging tot doodslag waarbij een vuurwapen is gebruikt. Dat [slachtoffer] in angst leefde, blijkt ook wel uit het feit dat zij meermaals de politie heeft ingeschakeld in de periode dat de bedreigingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De verdachte heeft voorts een revolver en munitie voorhanden gehad. Uit het dossier blijkt dat verdachte de revolver, geladen met munitie, in de zak van zijn motorjas ook in de openbare ruimte bij zich droeg. Het voorhanden hebben van vuurwapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Het is een feit van algemene bekendheid dat het bezit van vuurwapens regelmatig tot het gebruik daarvan leidt, met alle risico's van dien voor betrokkenen en voor toevallig aanwezige derden. Ook dit rekent de rechtbank de verdachte aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte. De verdachte is reeds eerder veroordeeld voor bedreigingen en wapenbezit. De rechtbank weegt ook mee dat de onderhavige strafbare feiten zijn gepleegd in de proeftijd van een voorwaardelijke invrijheidstelling van een gevangenisstraf die de verdachte nota bene opgelegd kreeg wegens onder andere het medeplegen van poging tot doodslag met een automatisch vuurwapen en het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. Uit het feit dat de verdachte in deze proeftijd de onderhavige strafbare feiten heeft gepleegd, blijkt dat hij zijn les nog steeds niet had geleerd. In het voortgangsverslag van de reclassering van 30 augustus 2021 is vermeld dat de verdachte intrinsiek gemotiveerd is om zijn leven op orde te krijgen. Hij stelt zich meewerkend op en geeft openheid van zaken. Er zijn geen signalen dat hij de bijzondere voorwaarden van de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft overtreden. De verdachte werkt fulltime in Zwitserland in de farmaceutische industrie voor een bedrijf dat hennep zonder thc gehalte kweekt voor medische doeleinden. Als de verdachte in deze strafzaak opnieuw in detentie komt kan dit betekenen dat het begeleidingstraject in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling onderbroken wordt en de verdachte zijn werk en motivatie kwijt raakt. Dan krijgt hij ook niet de benodigde begeleiding en hulp bij de Horst.

De ernst van de feiten, in combinatie met het plegen van deze ernstige feiten in een proeftijd van een voorwaardelijke invrijheidstelling, leiden de rechtbank tot de conclusie dat enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval geboden is. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (de LOVS-oriëntatiepunten). Het oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een revolver (mede) in de openbare ruimte is acht maanden gevangenisstraf en het oriëntatiepunt voor bedreiging waarbij een vuurwapen wordt getoond is vier maanden gevangenisstraf. De rechtbank ziet ondanks het positieve reclasseringsrapport, geen reden om in het voordeel van de verdachte van deze oriëntatiepunten af te wijken omdat het gaat om een stroom van ernstige bedreigingen van zijn (toenmalige) partner, het bezit van een doorgeladen wapen en dat de feiten werden begaan tijdens een proeftijd opgelegd voor ernstige feiten gepleegd met een vuurwapen. Dat deze gevangenisstraf het door de verdachte tijdens zijn schorsing opgebouwde (werkende) leven doorkruist, is de consequentie van verdachtes eigen handelen. De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest.

8 De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

De verdachte is bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 juli 2015 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren. De voorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte is per 28 oktober 2019 verleend met een proeftijd van 1095 dagen. De voorwaardelijke invrijheidstelling was onder meer verleend onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zou maken aan een strafbaar feit.

Op grond van het bepaalde in artikel 6:2:13 van het Wetboek van Strafvordering (oud) kan de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel of gedeeltelijk worden herroepen indien de veroordeelde een daaraan verbonden voorwaarde niet heeft nageleefd.

Bij schriftelijke vordering van 11 juni 2020 heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel of gedeeltelijk herroept, omdat de verdachte de gestelde algemene voorwaarde heeft overtreden.

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk, voor de duur van 547 dagen, te herroepen, omdat de verdachte de gestelde algemene voorwaarde heeft overtreden door opnieuw strafbare feiten te plegen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de vordering tot herroeping af te wijzen omdat de verdachte zijn leven thans goed op de rit heeft met een woning en dagbesteding in de vorm van betaalde arbeid.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de verdachte de algemene voorwaarde heeft overtreden door zich in de proeftijd schuldig te maken aan nieuwe strafbare feiten. De rechtbank is van oordeel dat een forse herroeping op zijn plaats is, gezien de ernst van de overtreding. De rechtbank ziet aanleiding om de vordering van de officier van justitie gedeeltelijk toe te wijzen en te gelasten dat een gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog gedeeltelijk, te weten voor een periode van 360 dagen, moet worden ondergaan. De rechtbank vindt een herroeping voor langere duur dan de bij dit vonnis op te leggen straf in deze zaak niet proportioneel.

9 Het beslag

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder de verdachte inbeslaggenomen cryptotelefoon, drugs, munitie en revolver moeten worden onttrokken aan het verkeer.

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank is van oordeel dat de op de beslaglijst vermelde voorwerpen allen dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Met de munitie en het revolver zijn de strafbare feiten begaan en alle voorwerpen gezamenlijk bezien zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36d, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11 De beslissing

De rechtbank:

Niet-ontvankelijk

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte voor feit 1;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de feiten 2 en 3 tot een gevangenisstraf van 12 maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen:

  • -

    1 STK Telefoontoestel (G-01316793 merk Bq, zwart);

  • -

    1 STK Wapen (G-1316801 met 6 patronen en een huls);

  • -

    9 STK Munitie (G-1316833 - 9 kleine koper met zwarte kopjes patronen);

  • -

    10 STK Munitie (G-1316834 - koper met zwartkleurig met spitse punt);

  • -

    33 STK Munitie (G-1316829 - kogelpatronen -merk Nagant 7.62 mm in blauw doosje);

  • -

    3 GR Verdovende Middelen (G-1317295 i- poeders n gripzakje);

Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (99-000497-24)

- wijst de vordering van het openbaar ministerie gedeeltelijk toe;

- gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog gedeeltelijk, te weten voor de duur van 360 dagen, moet worden ondergaan;

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Schutte, voorzitter, mr. drs. J.M.A. van Atteveld en mr. W. Loof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. van Rie, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 september 2021.

Buiten staat

Mr.drs. J.M.A. van Atteveld is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

T.a.v. feit 1:

hij in of omstreeks de periode van 10 mei 2020 tot en met 21 mei 2020 in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] ,

- door veelvuldig, in elk geval meermalen, telefonisch contact op te nemen

althans te zoeken met die [slachtoffer]

en/of

- door veelvuldig, in elk geval meermalen, middels WhatsApp en/of Instagram en/of Wickr Me berichten te sturen naar die [slachtoffer]

en/of

- door persoonlijk contact te zoeken met die [slachtoffer]

met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

T.a.v. feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 10 mei 2020 tot en met 21 mei 2020 in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] meermalen middels WhatsApp en/of Instagram en/of Wickr Me berichten te sturen inhoudende onder meer de dreigende woorden:

"Kan ook mijn blaffer meenemen die keus wordt boor mij steeds makkelijker. Heb toch niks meer te verliezen. Door jou." (afbeelding p. 161)

en/of

"Ik krijg jou. Al moet ik weer gaan zitten." (afbeelding p. 162)

en/of

"Ga geluk 5 j weg. DN maak ik je af als ik buiten Kom." (afbeelding p. 166)

en/of

"Nu of ik schiet straks. Oké ik kom schieten" (afbeelding p. 167)

en/of

"Dag [slachtoffer] . Meer dan 2 kogels. OK niet meer 110x. Ik schiet straks" (afbeelding p. 167)

en/of

"Ik schiet voor ga werken bent toch wakkert." (afbeelding p. 168)

en/of

" [slachtoffer] ik ga jou vernietigen als wat bij jou jij hebt gebruikt komt je duur te staan. Laatste kans doe je me Open of kies dat je miss kapot schiet perongeluk." (afbeelding p. 173)

en/of

Ik maak je kapot einde discussie. Je hebt geen leven meer. Ik kom cola halen. En jou klappen." (afbeelding p. 174)

en/of

"Ik snuif extra dikke lijn dan schiet ik tenminste op je" (afbeelding p. 175),

en/of

"Maar jij gaat binnen late of ik schiet echt." (afbeelding p. 179)

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking

en/of

door die [slachtoffer] middels WhatsApp een video te sturen waarop te zien is dat iemand met een vuurwapen schiet (p. 31 + 132)

en/of

door die [slachtoffer] middels Wickr Me een afbeelding te sturen waarop een gedeelte van een vuurwapen te zien is (afbeelding p. 190);

T.a.v. feit 3:

hij op of omstreeks 22 mei 2020 in de gemeente Maastricht een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver (merk Nagant, kaliber 7,62 millimeter) en/of munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten 58 kogelpatronen, voorhanden heeft gehad;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van districtsrecherche Zuid-West-Limburg, proces-verbaalnummer 28/LB3R020092, gesloten d.d. 14 juni 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 273 en de aanvullende processen-verbaal, doorgenummerd van pagina 274 tot en met pagina 288 en de pagina’s 289 tot en met pagina 325.

2 Proces-verbaal van observatie d.d. 22 mei 2020, p. 35-36.

3 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 23 mei 2020, p. 59-61.

4 Foto’s, p. 66-72.

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 mei 2020, p. 120.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 mei 2020, p. 106.

7 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 21 mei 2020, p. 153.

8 Foto inhoud plastic zak, p. 160.

9 Proces-verbaal 2020078213-42, p. 284-285.

10 Proces-verbaal 2020078213-43, p. 317-318.

11 NFI rapport DNA-onderzoek d.d. 8 juli 2020, p. 307 en 309.

12 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 mei 2020, p. 31-34.